Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde.

Foto Roger Cremers

Interview

In de 19de-eeuwse leesclubs konden de emoties hoog oplopen

Marita Mathijsen Wie waren de liefhebbers van boeken in de 19de eeuw? Wat ging er om in hun hoofden? „Je ziet vaak dat een dominee of onderwijzer de centrale figuur was in zo’n leesclub.”

De Nederlandse lezer in de negentiende eeuw mocht graag een potje grienen van verdriet. Of rillen van emotie. Of briesen van woede. Of ploffen van trots. Een gedicht, een roman, een feuilleton: het was allemaal prima, zolang de lezer er maar door geráákt werd.

Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, gunt de lezer van de 21ste eeuw een kijkje in de ziel van zijn 19de-eeuwse voorganger in haar nieuwe boek L. Daarin voert ze de lezer ‘L’ op als personage. Soms is het een man, soms een vrouw. Soms heeft hij kleine kinderen, dan weer kroost dat nodig moet worden voorgelicht over de gevaren des levens. De ene dag declameert hij voor zijn leesclub – en schaamt zich niet om een traantje weg te pinken –, de andere maakt hij er met zijn boek thuis met de hele bubs een gezellig avondje van.

Mathijsen laat L spreken in de ik-vorm. Zo paraderen zijn fictieve gedachten in dit boek door hoofdstukken die verder bestaan uit serieuze literatuurwetenschap. Een verantwoord waagstuk, vindt ze. „Ik heb zoveel kennis over de negentiende eeuw dat ik dit kan doen zonder dat iemand me op de vingers zal tikken met het verwijt dat ik de stem van deze lezer niet goed getroffen heb. Daarvoor heb ik te veel ego-documenten en boeken uit deze tijd gelezen.”

Toch moet het voor u als wetenschapper een hele stap zijn geweest om fictie toe te laten in dit boek.

„Dat valt wel mee. In mijn Jan Hanlo-lezing uit 2009 – titel: Hoe ver kun je gaan? – wierp ik de vraag al op waarom je als wetenschapper niet van bepaalde stijlfiguren gebruik zou mogen maken om de leesbaarheid van je werk te vergroten. Een wetenschappelijke tekst hoeft echt niet gortdroog te zijn. Sterker nog: het is veel beter van niet.

„Voor NRC Handelsblad heb ik eerder interviews gemaakt met mensen uit de negentiende eeuw, verzameld in mijn boek De geest van de dichter. Die waren gebaseerd op hun eigen woorden, die ons als teksten zijn overgeleverd. In die stukken was niets gefantaseerd. Wanneer ik niet zeker wist hoe iemands woning er van binnen uitzag, liet ik het gesprek in het bos plaatsvinden, zodat ik geen interieurbeschrijvingen hoefde te verzinnen.”

In dit boek bent u wel de grens naar fictie overgestapt.

„Dat klopt, maar dat heb ik in de typografie ook heel duidelijk gemaakt. Als L aan het woord is, spreekt hij in blauwe letters. Het verschil is volkomen helder. Studenten zullen dit niet gaan citeren als bron.

„Ik wilde op deze manier de emoties van de lezer laten zien – de emoties van de negentiende eeuw. De gevoelens van een schrijver kan ik tonen met behulp van brieven, zoals ik in mijn biografie van Jacob van Lennep heb gedaan. Voor L had ik dat materiaal niet, en ik wilde toch laten zien hoe een lezer in deze tijd werd meegesleept door zijn emoties.”

Wie was de lezer in de negentiende eeuw?

„Dat is moeilijk precies te zeggen. Er is onderzoek gedaan naar wie er boeken kochten in het begin van de eeuw, maar helaas niet voor de rest. Uit dit onderzoek blijkt dat er bakkers en kruideniers zaten tussen de klanten van boekwinkels, maar dat het over het algemeen toch burgers waren uit de hogere klasse. Behalve het toneel was er voor deze mensen weinig amusement voorhanden. Radio en televisie bestonden natuurlijk niet en reizen deed men met mate. Dus moest de verstrooiing komen van de boeken die uitkwamen. Die werden vaak collectief gelezen.”

In een soort leesclub?

„Ja, maar die waren wel anders dan nu. Boeken waren duur, ook voor mensen uit de hogere middenklasse. Dus kocht je met een groep lezers één exemplaar van een boek en dat ging dan van hand tot hand. Ik bezit boeken van dit soort leesclubs, met voorin een lijstje van de mensen die het gelezen hebben. Als iedereen het boek uit had, kwam de club bij elkaar om over de inhoud te discussiëren.

„Je ziet vaak dat een dominee of onderwijzer de centrale figuur was in zo’n leesclub. De dokter en de notaris ontbraken meestal ook niet. Daar zat dan de familie omheen, ook als een zwager bijvoorbeeld timmerman was. Die las gewoon mee, net zoals de echtgenotes.”

Binnen een huishouden was het lezen zelf ook een gemeenschappelijke ervaring, schrijft u.

„Dat klopt, ook weer omdat het boek de belangrijkste bron van amusement was. Je had in een gezin vaak één persoon die de rol van voorlezer had. Die las in de woonkamer het boek voor, terwijl de rest er omheen zat en luisterde. Vaak was dat de man des huizes, maar vrouwen deden het af en toe ook. De schrijfster Truitje Bosboom-Toussaint hield bijvoorbeeld niet van handwerken, dus kreeg zij de taak om voor te lezen. De andere vrouwen zaten er dan bij te breien, terwijl vader zijn pijp stopte.”

Mensen waren op zoek naar meeslepende leeservaringen

In het begin van de negentiende eeuw was poëzie het populairste genre bij de lezer. Waarom was dat?

„Daar zat een praktische component aan: poëzie is geschikt om uit je hoofd te leren en om voor te dragen. Dat was handig, gezien de collectieve aard van het lezen in deze tijd. Maar poëzie gaf mensen ook richting in hun denken. Bij grote gebeurtenissen kropen schrijvers in de pen om met een gelegenheidsgedicht hun licht over de actualiteit te laten schijnen. Als een dichter als Willem Bilderdijk zich ergens over uitsprak, dan was dat belangrijk voor veel van zijn lezers.”

Vanaf de jaren dertig verdrongen romans gedichten als favoriete literatuurvorm. Hoe kwam dat?

„Mensen waren op zoek naar meeslepende leeservaringen, daar leende proza zich kennelijk beter voor dan poëzie. Historische romans als die van Walter Scott werden heel populair en ook Nederlandse schrijvers gingen dit genre beoefenen.

„Later ontstond de behoefte aan meer realistische romans, die gingen over de tijd waarin men leefde. Daarin kwamen allerlei maatschappelijke kwesties aan de orde. Helaas kennen we in Nederland gek genoeg nog wel romans van iemand als Charles Dickens, terwijl de boeken van zijn Nederlandse pendant J.J. Cremer volkomen vergeten zijn. Hij schreef over kinderarbeid, maar ook over een man die zich laat meeslepen door de seksualiteit van zijn vrouw. En Jacob van Lennep publiceerde met De lotgevallen van Klaasje Zevenster een waarschuwing tegen de prostitutie. Lezers werden enorm gegrepen door deze boeken.”

Boeken speelden een belangrijke rol in de emancipatie van vrouwen

De negentiende eeuw heeft de naam een bedaagde eeuw te zijn, maar uw L is regelmatig tot tranen toe geroerd – ook in het openbaar en ook als hij een man is. Was dat tonen van emoties wel acceptabel?

„Deze mensen verschilden helemaal niet zoveel van ons als je misschien zou denken. Natuurlijk kenden ze emoties, en ze verborgen die niet. De Engelse historicus Peter Gay heeft onderzoek gedaan waaruit blijkt dat de man zich in deze tijd binnenshuis veel gevoeliger toonde dan lang is aangenomen. Hij was toegewijd aan zijn gezin en aan zijn vrouw, ook in seksuele zin. Dat wil niet zeggen dat hij hielp in het huishouden, maar wel dat een echtpaar vaak echt een team vormde.”

Lazen vrouwen meer boeken en andere boeken dan mannen, zoals ook nu het geval is?

„Dat is moeilijk met zekerheid te zeggen, maar als je kijkt hoe leesgedrag beschreven wordt in tijdschriften, dan lijkt het daar wel op. Vrouwen lazen meer fictie, mannen meer non-fictie.

„Boeken speelden een belangrijke rol in de emancipatie van vrouwen, hoewel de emancipatoire boodschap er in het begin nog niet heel dik bovenop werd gelegd. Bosboom-Toussaint schreef vaak over vrouwen die voor zelfstandigheid kiezen. Ottelijne, de hoofdpersoon uit Het huis Lauernesse, strijdt bijvoorbeeld dapper voor haar geloof. Dat leidt er uiteindelijk wel toe dat ze alleen overblijft, maar dat heeft ze over voor haar idealen.

„Bij Bosboom-Toussaint moest je nog tussen de regels doorlezen, maar een schrijfster als Cécile de Jong van Beek en Donk, die aan het eind van de eeuw begon met publiceren, vócht echt voor de positie van de vrouw. Die nam tabellen op in haar boeken waarmee ze ongelijke positie van de seksen aantoonde.”

Pas toen Nicolaas Beets zich uitsprak vóór de stoomtrein, ging de gewone man erin geloven

Waren fictieboeken de best verkochte titels in de negentiende eeuw?

„Nee, dat waren boeken over godsdienst, met daarna geschiedenis en boeken voor het onderwijs. Het geloof stond echt centraal in het leven van de meeste mensen. Dat was niet een jas die je op zondag aantrok en de rest van de week liet liggen. Deze prominente plaats van religie maakte ook dat schrijvende dominees een belangrijke rol hadden als geestelijk leidsman voor hun lezers. Pas toen Nicolaas Beets zich uitsprak vóór de stoomtrein, ging de gewone man erin geloven.

„Bij de oplages van romans ging het vaak maar om ettelijke duizenden exemplaren. Bestsellers als De Negerhut van oom Tom van Harriet Beecher Stowe en De reis om de wereld in tachtig dagen van Jules Verne haalden heel veel herdrukken, maar dat was zeker niet vanzelfsprekend.”

Het opvallende is dat auteurs die als de Tachtigers bekend zijn geworden – mannen als Willem Kloos, Herman Gorter en Lodewijk van Deyssel – bijzonder slecht verkochten in hun tijd. Veel slechter dan de schrijvers tegen wie ze zich afzetten. Toch zijn zij als titanen de literatuurgeschiedenis ingegaan. Hoe komt dat?

„Dat komt door de literatuurwetenschappers die hen later op het schild hebben gehesen. L kon nog niet zoveel met het proza en de poëzie van deze schrijvers. Die was sterk gefocust op de particuliere gevoelens van het individu, in een taal die niet meteen toegankelijk was. Daaraan was L niet gewend. Hij bleef trouw aan zijn romans met een boodschap, terwijl een kleine voorhoede zich een andere kant op bewoog.”

De gedichten van De Schoolmeester zaten vol met seksuele toespelingen en pesterijen

Welke boeken zou de lezer van de 19de eeuw aanraden aan de lezer van de 21ste eeuw?

„Dat is een moeilijke vraag. Marita Mathijsen zou Familie en kennissen van François Haverschmidt tippen. Maar wat zou L zeggen? Hmmm.

„Ik denk De schepping van J.L.L. ten Kate, omdat daarin de Bijbel en de nieuwste wetenschappelijke inzichten verenigd worden. Verder toch ook wel Max Havelaar van Multatuli, omdat het met de misstanden in Nederlands-Indië zo’n belangrijk onderwerp behandelt en toch heel leuk geschreven is.

„Dan moet ik natuurlijk ook nog een vrouw kiezen. Ik ga voor Bosboom-Toussaint en haar roman Majoor Frans. Dat boek gaat over freule Francis Mordaunt, die voor zichzelf een meer zelfstandige positie wil bevechten, maar zich toch ook aanpast aan wat haar omgeving van haar verwacht. Die spagaat zal voor menig vrouwelijke L uit de negentiende eeuw herkenbaar zijn.”

Dit zijn allemaal behoorlijk serieuze boeken. Wat was dé guily pleasure van L?

„Oh, dat waren de gedichten van De Schoolmeester. Die zaten vol met seksuele toespelingen en pesterijen aan het adres van gezagsdragers. Daarop waren ze in de negentiende eeuw net zo dol als wij nu.”