Reinier de Graaf

Foto Roger Cremers

Interview

Reinier de Graaf: ‘Architecten zijn vooral nuttig als vijgenblad’

Architectuur & literatuur Midden in de coronatijd publiceerde OMA-architect Reinier de Graaf zijn debuutroman The Masterplan over een hoogmoedige architect. „Eigenlijk zijn architecten helemaal niet nodig.”

‘Ik heb het gevoel dat er niets gebeurt in mijn leven”, zegt architect Reinier de Graaf (1964) in het begin van het gesprek in het Lloyd Hotel in Amsterdam. In coronatijd heeft hij hier de afgelopen maanden regelmatig gewerkt om niet altijd thuis te hoeven zitten. „Ik had veel moeite met de plotselinge overgang van veel reizen naar werken in een cocon. Lopende zaken kun je met Teams wel goed afhandelen, maar creativiteit is een probleem bij bijeenkomsten op afstand.”

Toch heeft het leven van De Graaf, naast onder anderen Rem Koolhaas één van de acht partners van het Office for Metropolitan Architecture (OMA), het afgelopen jaar beslist niet stilgestaan. Niet alleen werden projecten uitgevoerd als Mangalem 21, een woonwijk van ruim zevenhonderd woningen in Tirana, maar ook publiceerde hij The Masterplan. Hoofdpersoon van De Graafs Engelstalige debuutroman is de Portugese architect Rodrigo Tomás die in een gefingeerde Afrikaanse republiek een nieuwe stad ontwerpt en wordt geconfronteerd met de duistere kanten van zijn beroep.

Vier jaar geleden publiceerde je de veelgeprezen kaleidoscopische essaybundel Four Walls and a Roof. Waarom heb je nu een roman geschreven?

„The Masterplan is bedoeld als een vervolg van Four Walls and a Roof dat als ondertitel The complex nature of a simple profession heeft. In een roman kun je kwesties behandelen die je in non-fictie nooit zou kunnen bespreken. In literatuur draait het niet om feiten maar om bewustzijn. In The Masterplan kon ik in het hoofd van een architect kruipen en over een mentaliteit schrijven die ik in mijn eerste boek onbesproken moest laten.”

Als ontwerper moet je belang blijven hechten aan dingen die eigenlijk niet belangrijk zijn

Blijkens je dankwoord in The Masterplan kreeg je van verschillende Engelse en Amerikaanse uitgevers nul op het rekest. Hoe kwam dat?

„Zonder een literaire agent heb je geen kans bij de goede Amerikaanse en Engelse uitgeverijen. Eén van de agenten die ik heb benaderd, zei dat hij The Masterplan met plezier had gelezen. Een mooie parabel over de hubris van een architect, noemde hij het. Maar hij liet ook meteen weten dat hij zich niet kon voorstellen dat een Amerikaanse uitgever het ooit zou publiceren. Waarom? ‘Because of hypersensivity around the African setting’, zei hij.

„Door de identiteitspolitiek zijn Engelse en Amerikaanse uitgevers totaal paranoïde. Als ze in de synopsis lezen dat het verhaal zich afspeelt in een Afrikaans land, en vervolgens je witte kop en leeftijd zien, weten ze direct: dit gaan we niet doen. Uiteindelijk ben ik terechtgekomen bij Archis, de Nederlandse uitgever van het tijdschrift Volume.”

Je bent ook docent aan Amerikaanse en Engelse universiteiten. Hoe was de confrontatie met identiteitspolitiek daar?

„Sinds mijn aanstelling in 2018, heb ik de identiteitspolitiek als docent aan onder meer Harvard University en de universiteit van Cambridge zien opkomen. Ik ben zelf nooit in de problemen geraakt, maar ik heb het klimaat op deze universiteiten toch als buitengewoon angstaanjagend ervaren – als een vorm van onderdrukking en censuur, inclusief de aanwezigheid van verklikkers.

„Er zijn nu studenten die niet met het werk van Immanuel Kant willen worden geconfronteerd, omdat hij in de 18de eeuw native Americans en kleurlingen minderwaardig vond. Absurd vind ik dat. Het is dwaas om figuren uit het verleden de maat te nemen volgens huidige maatstaven.

Identiteitspolitiek is het allergrootste probleem van onze tijd

„Inclusiviteit is nu het toverwoord op universiteiten, maar vaak komt die juist neer op uitsluiting. Van universiteiten worden nu geëist dat ze studenten safe spaces bieden, maar die zijn als gated communities waar de bewoners alles wat niet in hun wereldbeeld past buiten hun ommuurde wijk houden. In mijn ervaring komt een safe space neer op de vrijwaring van elke vorm van kritiek en daarmee een ontkenning van de mogelijkheid dat je als student überhaupt nog iets kunt leren.

„Bij identiteitspolitiek en inclusiviteit gaat het vooral om schuldigen en slachtoffers. Maar schuld gaat altijd over het verleden, terwijl nu juist de toekomst centraal zou moeten staan. Identiteitspolitiek is het allergrootste probleem van onze tijd. Het zorgt voor verdeeldheid en is zo een obstakel voor de collectieve actie die nodig is om de werkelijk grote problemen van onze tijd aan te pakken. Zoals de klimaatverandering, de armoede, de ongelijkheid, de ontsporing van het financiële systeem en de wooncrisis.”

Over de wooncrisis gesproken: in The Masterplan ontwerpt de hoofdpersoon een spookstad die na oplevering leegstaat. In 2018 heb je met studenten van Harvard onderzoek gedaan naar de bouw van spooksteden in Angola. Wat leverde dit op?

„De nieuwe steden in Angola, Corbusiaanse Villes Radieuses met torenflats, zijn betaald met leningen van China, waarschijnlijk met ruwe olie als onderpand. Het IMF en de Wereldbank stellen bij leningen aan landen allerlei eisen ten aanzien van corruptie en transparantie. China niet. Daar staat natuurlijk wel iets tegenover. Want niet alleen de leningen komen uit China, maar ook de prefabelementen waarvan de appartementengebouwen worden gemaakt en zelfs de arbeiders die ze in elkaar zetten. Zo heeft China twee keer profijt van de leningen en houden ze de eigen bouwindustrie aan de praat. Want in China zijn ook al spooksteden gebouwd, omdat het goedkoper is om gebouwen te bouwen die leeg staan dan de bouwindustrie stil te leggen.

„Uiteindelijk kregen we onze vinger niet helemaal achter de schimmige financiële constructies en bleven veel bewijzen circumstantial. Dat is een andere reden waarom ik The Masterplan heb geschreven. De roman dient om vermoedens de status van fictionele waarheid te geven.”

Je hebt ook eens het fenomeen livable city tegen het licht gehouden. Wat kwam daar uit?

Nhow Hotel uit 2019 bij Amsterdam RAI. Foto Koen van Weel/ ANP

„Tijdschriften als The Economist maken elk jaar een top tien van most livable cities waar ook wethouders van grote steden in Nederland zich blind op staren. In het begin van de 21ste eeuw stond Vancouver herhaaldelijk op de eerste plaats. Nu heeft deze stad het grootste daklozenprobleem van Canada. Hierbij gaat het niet zozeer om junkies of alcoholisten als wel om mensen met een baan die van hun modale inkomen geen woning kunnen betalen. Zo is Vancouver, het ultieme voorbeeld van een leefbare stad, nu a city where you can’t afford to live anymore.

„Iets soortgelijks doet zich voor in Wenen dat de afgelopen jaren wel eens tot most livable city is uitgeroepen. We hebben berekend dat iemand met een gemiddeld inkomen en een maximale hypotheek zonder aanbetaling een woning van slechts twaalf vierkante meter kan kopen. Dit is de oppervlakte van een parkeerplaats en aanzienlijk kleiner dan de zogenaamde Existenzminimum-woning zoals die een eeuw geleden werd gedefinieerd.”

Iemand met een gemiddeld inkomen en een maximale hypotheek kan in Wenen een woning van slechts twaalf vierkante meter kopen

In The Masterplan laat je een schimmige Amerikaanse investeerder zeggen: Real estate doesn’t exists for people, but for money looking for a home.

„Ik ben ervan overtuigd dat dit gegeven de belangrijkste oorzaak van de wereldwijde wooncrisis. Er is niet zozeer sprake van een tekort aan woningen als wel van een betaalbaarheidscrisis. Die is het gevolg van een systeemfout. Als we met voedsel zouden omgaan als met vastgoed, dan zouden we verhongeren. Woningen, een primaire levensbehoefte, zijn dermate onderworpen aan de vrije markt en winstbejag dat wonen nu wereldwijd direct gevaar loopt.

„Er is ontzaglijk veel kapitaal op de wereld op zoek naar het hoogste rendement. In Nederland kopen buitenlandse investeerders als Blackstone woningen massaal op. Hierdoor is de prijs van vastgoed veel sneller gestegen dan de lonen. En aangezien er de afgelopen tien jaar vooral in vastgoed hoge rendementen zijn gehaald, stroomt er steeds meer kapitaal naar toe waardoor de huizenprijzen nog sneller stijgen, enzovoorts.

„Maar wat op korte termijn een goede investering lijkt, is ook de bron van economische kwetsbaarheid en instabiliteit. Dat is al in 2008 duidelijk geworden met de financiële crisis. Die begon tenslotte met de handel in rommelhypotheken die in elkaar klapte. Het tragische van de crisis is dat de lessen niet zijn geleerd. De financiële wereld ging al gauw weer op de oude voet verder en vastgoed is nog altijd – of weer – de kurk waar de economie op drijft.”

Investeerders zijn de belangrijkste oorzaak van de wereldwijde wooncrisis

In The Masterplan ontdekt de hoogmoedige Rodrigo Tomás dat hij als architect van een nieuwe stad eigenlijk marginaal werk doet. Geldt dit niet voor alle architecten?

„In werkelijkheid is het nog erger: architecten zijn eigenlijk helemaal niet nodig. Aan de spooksteden in Angola is geen architect te pas gekomen; alles, van ontwerp tot bouwdelen, kwam kant en klaar uit China.

„Ik heb een architect in het script van The Masterplan geschreven om de marginaliteit van zijn werk in de huidige wereld te laten zien. In het grootste deel van de twintigste eeuw bouwde de overheid in bijvoorbeeld-Europa zelf gebouwen en nam het initiatief tot woningbouw. Maar nu de woningbouw bijna geheel is verschoven naar de private sector en de overheid zijn ministeriegebouwen huurt, is een architect meestal alleen nog nodig voor branding. Een architect kan een gebouw iets meer kwaliteit en karakter geven, waardoor het de concurrentie met andere gebouwen beter kan aangaan. En hij kan, als een soort vijgenblad, behulpzaam zijn bij het verkrijgen van een bouwvergunning.

„Maar juist zijn marginaliteit maakt hubris tot een onontbeerlijke eigenschap voor de architect. Je hebt als ontwerper een gecultiveerde blindheid nodig om belang te hechten aan dingen die eigenlijk niet belangrijk zijn.

Het nieuwe Timmerhuis van OMA (2015) Foto Walter Herfst

„In wezen is architectuur nog altijd een romantische discipline. Zo bestaat het Nhow Hotel uit 2019 dat we in Amsterdam bouwden, uit drie losse, ver uitkragende volumes die boven elkaar hangen. Het hotel was natuurlijk goedkoper te bouwen geweest als die volumes één geheel vormden, en voor het uitzicht uit de hotelkamers had dit ook niets uitgemaakt. Maar voor de expressie van het gebouw, het gevoel dat het zich onttrekt aan de zwaartekracht, zijn de zwevende bouwdelen essentieel. Daarvan kun je de opdrachtgever alleen overtuigen met woorden, met een goed verhaal. Als een opdrachtgever dan desondanks oppert om van de volumes één geheel maken omdat er dan minder staal nodig is en de bouwkosten lager kunnen worden, dan is het essentieel dat je als architect denkt: wat een armoede! Die houding heb je nodig, en moet je blijven cultiveren om gebouwen als het Nhow Hotel voor elkaar te krijgen. Als alleen getallen maatgevend zijn voor architectuur, is de romantiek verdwenen.”

‘De Rotterdam’ van OMA (2014) Foto Martijn Beekman/ ANP