„Wat hebben jullie eigenlijk gedaan om Nederlander te worden?” Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

Kiza Magendane: ‘Diep van binnen voel ik me nog steeds een gast’

In zijn eerste boek onderzoekt Kiza Magendane wat het betekent Nederlander te zijn. Óók voor mensen die in Nederland zijn geboren. ‘Meepraten over grote thema’s voelt als revanche.’

Het moest een ode worden aan het land dat hem als vijftienjarige vluchteling opving en in staat stelde naar school te gaan en te werken; de facto Nederlander te worden. De allerlaatste stap, het paspoort, zat door zijn eigen slordigheid nog even tegen.

Mag hij het toch aanvragen? Dat is de cliffhanger in Met Nederland in therapie, het eerste boek van Kiza Magendane (Congo, 1992), dat dinsdag verschijnt.

Maar is dat paspoort wel de essentie van het Nederlanderschap, vraagt hij zich af. En bovendien: is die vraag niet alleen relevant voor een nieuwkomer, maar óók voor wie door geboorte nooit de eed heeft hoeven afleggen? „Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer. En beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.”

Zo werd zijn ode een onderzoek naar wat die eed betekent. Daarbij spaart hij niemand, zichzelf nog het minst. Misschien ben ik inderdaad een binnendringer, schrijft hij.

Zijn vragen zijn urgent. Want samenleven in een steeds diverser land, waarbij alle burgers zich veilig kunnen voelen én rekening houden met anderen, wordt moeilijker. Hoe weerbaar zijn de bewoners van het ‘huis Nederland’ tegen de krachten die hen door elkaar schudden? Is het geen tijd in therapie te gaan?

Magendane studeerde politicologie en werkt in een kantoor in de Haagse stationsbuurt. Als ‘kennismakelaar’ bij denktank The Broker verbindt hij bijvoorbeeld onderzoek uit Wageningen met klimaatbeleid in West-Afrika.

In de publieke ruimte is hij al een bekende. Hij schrijft essays voor NRC Handelsblad en heeft er sinds deze week een vaste column. Hij schuift aan in talkshows en zijn bedachtzame stem is op de radio te horen. Vaak gekleed in een flamboyant driedelig pak, in de traditie van de sapeurs, de postkoloniale dandy’s uit zijn geboorteland, brengt hij zaaltjes in verwarring. „Wat hebben jullie eigenlijk gedaan om Nederlander te worden”, vraagt hij dan.

Lees ook de eerste column van Kiza Magendane: Is het wel moreel verantwoord om twee ‘geprivilegieerde witte mannen’ financieel te steunen?

„Veel mensen beschouwen het Nederlanderschap als vanzelfsprekend en dat neem ik ze niet kwalijk”, zegt Magendane als we een rustige plek hebben gevonden tussen de studenten die hetzelfde gebouw bevolken. „Maar het gevaar is dat ze voorgelogen worden door politieke ondernemers die inspelen op angst, met antwoorden die geen recht doen aan de complexiteit van Nederland.

„Ik wil me verdiepen in wat burgerschap echt betekent: een collectieve toekomst vormen, maar zonder statische invulling van het Nederlanderschap.”

Je vertelt over je vlucht uit Congo, met je oma, en over kampen in Tanzania. Je sprak Frans en Swahili. Waarom kwamen jullie in Nederland?

„Toeval. Wij kregen asiel via het VN-vluchtelingenprogramma. Het had ook Canada kunnen zijn. Maar je kiest ook niet in welk land je wordt geboren. Als nieuwkomer zie je scherper hoe een gemeenschap zich vormt; dat beschouw ik als een privilege.”

Begrijp je Nederland beter omdat je zelf dingen hebt moeten opgeven?

„Nederlanders hechten waarde aan stabiliteit. Maar ik hoop dat mensen zien dat nieuwkomers ons iets kunnen leren, hoe je met onzekerheid moet omgaan. Vooral bij grote vraagstukken: migratie, een pandemie, klimaatverandering. We zijn allemaal migranten door de tijd. Je kunt ook ‘migreren’ zonder dat je je land ooit verlaat, simpelweg omdat de samenleving zo snel verandert.”

Je begrijpt de angsten van Nederlanders.

„Ja, maar in de progressieve kringen waarin ik mij begeef is dat begrip er niet altijd. Daar wordt soms op anderen neergekeken. Je moet eerlijk zijn over de onverschilligheid van links. ”

In Nederland vocht je je omhoog uit wat je „een diepe intellectuele leegte” noemt.

„Ik denk dat ik verloren was. Boeken en schrijvers waren een onbekende wereld. Maar ergens verlangde ik ernaar. Het begon natuurlijk met de taal leren. Ik gebruikte de Statenvertaling om de Franse bijbel te vertalen. Ik heb hard gewerkt, urenlang dingen uitgepuzzeld. Het was een bewuste keuze om geen Frans of Engels te spreken; Nederlanders hebben de neiging in het Engels tegen je te beginnen. Het was zwaar, maar ik schaamde me niet voor fouten.”

Eerst wilde je vooral de ‘goede migrant’ zijn, een gast. Later wilde je ook kritisch deelnemen. Waar lag het omslagpunt?

„Diep vanbinnen voel ik me nog steeds een gast. Ik denk nu hardop: door me zo te gedragen, bewust of onbewust, ziet de Nederlander mij niet als bedreiging. Ik ben een kameleon. Ik begrijp het heel goed als mensen mij te soft vinden.”

Je bent toch ook hard over Nederland?

„Ik waarschuw de lezer: mocht je alleen geïnteresseerd zijn in mijn persoonlijke reis, stop dan alsjeblieft na deel één, want daarna gaan we écht praten over burgerschap. Meepraten over grote thema’s voelt als revanche, omdat ik het gevoel heb dat de nieuwkomer alleen zijn pijn en emoties mag etaleren.”

Toen een lerares op je Drentse school zei dat je na het azc en de schakelklas niet naar het vmbo maar naar het vwo zou moeten gaan, dacht je: ik ben een nieuw mens geworden.

„Zij maakte een connectie, ze zag mij. Hetzelfde geldt trouwens later voor [NRC-redacteur en schrijver] Bas Heijne. Ik denk dat zo’n ontmoeting een voorwaarde is voor succesvolle integratie. Natuurlijk moet je hard werken, maar je hebt ook de steun van barmhartige Nederlanders nodig om er zelf een te worden.”

Lees ook dit essay van Bas Heijne: Leeg gepreek accepteren we niet meer

Pakjesavond was een sleutelmoment. Een gedicht dat je plaagde met je slordigheid kwetste je diep.

„Ja, dat kwam hard aan, ik kende dat dubbelzinnige niet: je doet je best op een goeie surprise en tegelijkertijd neem je iemand in de zeik. Dat dat kan samengaan, had ik niet door. ”

Dat je zwart was, voelde eerst als bijzaak.

„In Amsterdam kwam ik in kringen die iets tegen sociale onrechtvaardigheid wilden doen. Met goede bedoelingen begonnen ze steeds over racisme, om begrip te tonen voor mensen met mijn huidskleur. Waar ik vandaan kom, was dat irrelevant. Hier werd ik deel gemaakt van een ‘zwarte zuil’ en leerde ik dat er zoiets bestaat als de Afro-Nederlander. Ik heb er geen gemakkelijke verhouding mee. Ik wil nog een boek schrijven: hoe ik zwart ben geworden in Nederland.”

Toch speelde kleur eerder een rol. Als je voor het eerst Zwarte Pieten ziet, vraag je je af waarom ze een karikatuur van je huidskleur maken.

„Natuurlijk wist ik van racisme en de Belgische kolonisatiegeschiedenis van Congo, maar dit was een eerste confrontatie. Ik kon daar nog geen woorden aan geven, maar het voelde lastig. Ik dacht dat ik onzichtbaar wilde zijn. In Congo was ik het, ik hoefde me niet te verantwoorden voor hoe ik eruit zag, of voor mijn accent. Nu zie ik in dat dat überhaupt niet hoeft. Diversiteit is de realiteit. Mijn huidskleur brengt een geschiedenis mee. Die wil ik niet ontkennen maar gebruiken om de wereld om mij heen te begrijpen. Dat is mijn zoektocht.”

Niemand associeert Eva Jinek en Kajsa Ollongren met een migratie-achtergrond. Sylvana Simons wel. Waarom is ontkoppelen van etniciteit en Nederlanderschap zo moeilijk?

„Dat is de crux van Nederland nu. Burgerschap zou niet over etniciteit moeten gaan. De jure ben ik Nederlander. Maar in de praktijk speelt er veel meer: huidskleur, geloof en allerlei andere subtiele dingen. Wanneer ben je echt Nederlander?

„Je kunt proberen deel van de meerderheid te worden, als de meerderheid dat eist. Ik draai het om door te zeggen: wacht eens even, als jij daar niet over nadenkt is dat een serieus probleem. Omdat de samenleving verandert, de wereld. Wil je een monogame of een polygame relatie tot het Nederlanderschap hebben? Ik hoop dat biculturele Nederlanders met meer trots Nederlanderschap kunnen claimen. Daarover moeten we het hebben.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Een therapiesessie begint met erkennen dat er iets te bespreken valt. Kan dat als mensen zich ingraven in vooroordelen?

„Ik hoop dat het lukt. Het is een ernstige boodschap: bedenk een manier waarop je die verschillen kunt overbruggen. Want ze worden extremer. Sociale media versterken het. Misschien wil Jeroen Pauw zo’n nationale therapiesessie leiden.”

Er is je wel verweten dat je te veel begrip hebt voor de witte Nederlander.

„Erbij willen horen is menselijk. Ik krijg soms kritiek dat ik voor ‘witte podia’ schrijf en dan zeg ik: als jij de kans had gekregen en er het talent voor had, zou je het dan niet gedaan hebben?”

En je vraagt je af of je het wel verdient te leven in een land met zoveel vrijheid en gratis onderwijs.

„De monsters uit het verleden achtervolgden mij en gunden mij dit niet. Ik noem dat zelfafgunst. Maar nu besef ik dat ik echt hier ben en een thuis moet maken. En schrijven is wat ik het allerliefst doe. Dit is mijn thuis.”

Iemand die vwo en een universitaire opleiding heeft gedaan, die houdt van schrijven en debatteren en op zijn 29ste een eerste boek schrijft: ook weer niet heel bijzonder. Wat het bijzonder maakt is je reis, de inhaalrace.

„Ik moet het inderdaad zien alsof ik aan het begin sta. De inhaalrace, dat is de last die je draagt als eerste generatie migrant: het contrast tussen je oude en je nieuwe wereld is er altijd. De ambitie is groot en ik kan de mijlpalen moeilijk vieren. Omdat er altijd iets in te halen blijft.”

Mensen die jou kennen zeggen: hij wil niet over de waan van de dag schrijven, het moet stáán.

„Dat klopt. Ik ben altijd een denker geweest, maar niet geboren tussen boeken, ik ben een autodidact die zich aanpast. Het is, plat gezegd, niet vanzelfsprekend dat ik nu ben waar ik ben. Die onzekerheid houdt nooit op. Na dit boek ga ik proberen rust te nemen. Want voor mijn gevoel ben ik steeds aan het rennen. Het is emotioneel om dit zo voor het eerst te zeggen. Nu voel ik me bevrijd.”

Een ‘conservatief denker’ die tegen je zei: ‘er is een reden dat alle Nobelprijswinnaars blank zijn’, noem je een ‘intellectueel monster’. Dat kan alleen Thierry Baudet zijn.

„Ah, je had door dat die passage over hem ging.”

Sterker, je boek lijkt geschreven tegen zijn ideeën.

„Je kunt een intellectueel zijn én gevaarlijk. Dit was in 2015 en toen had ik het al door.”

In dezelfde passage noem je het „ontspoorde anti-racisme” van mensen als activiste Arzu Aslan. Ze verwijt jou dat je „een slijmbal” bent omdat je „witte mensen humaniseert” en daarom „niet relevant” bent.

„Zij is ook een intellectueel monster, omdat ze de menselijkheid van de ander verwijdert. Maar ik heb haar en Baudet niet bij naam genoemd omdat ik ze niet centraal wil stellen.”

Ben je ooit terug geweest in Congo?

„Vorig jaar. Maar het heeft het boek niet gehaald.”

Je schrijft dat je een buitenechtelijk kind bent, maar je schrijft niets over je moeder en vader.

„Ik ben daar voorzichtig mee. Mijn ouders, andere familieleden, dat is onbenoembaar in mijn boek.”

Waarom?

„Het is nog te pijnlijk.” Stilte. „En verwarrend.”

Je oma is kortgeleden overleden.

„Dit boek is aan haar opgedragen. Ze is 72 jaar geworden. Ze was ziek. Sommige dingen waarvan ik denk: dit is misschien een verhaal, daar wil ik zuinig, voorzichtig mee zijn. Die moeten groeien.”

Je schrijft: ik heb kogels horen fluiten en lijken van dichtbij gezien. En ook dat je herinneringen bent vergeten uit zelfbescherming.

„Het is wonderlijk, en frustrerend voor een schrijver. Ik denk dat er te veel in mijn hoofd is. Uitwissen was een overlevingsmechanisme. Ik zou niet zijn waar ik nu ben als dat niet was gebeurd. Maar ik moet ook kleur bekennen, me zien te verhouden tot mijn verleden. Maar dat betekent niet dat de lezer daar nu al recht op heeft. Ik ben niet Arnon Grunberg voor wie alles een schrijfproject is.”

Tot slot vraag je: houdt Nederland wel van zichzelf? En?

„Dat blijft de vraag. Er is veel werk te doen om de publieke ruimte zo in te richten dat iedereen zich thuis voelt. Pas dan kan Nederland echt van zichzelf houden. ”