Opinie

Waarom er onder Stalin grote kunst werd gemaakt

Michel Krielaars

In de documentaire State Funeral van de Oekraïense regisseur Sergej Loznitsa wordt Stalin begraven en rouwt het volk. Meer dan twee uur lang zie ik fascinerende beelden van die plechtigheid uit maart 1953 voorbijkomen. Ik hoor de schrijver Konstantin Simonov, de Russische Harry Mulisch, die de geniale leider van ‘alle progressieve krachten ter wereld’ bejubelt. Gesnik klinkt in alle variaties. Angst kruipt over ieders gezicht. Niet alleen de angst van de wanhoop, omdat Hij hen niet meer kan beschermen tegen het boze Westen, maar ook die voor wat komen gaat. Want al is de man die minstens 15 miljoen mensen heeft laten vermoorden dood, zijn opvolger zou wel eens nog wreder kunnen zijn.

Onder die miljoenen slachtoffers bevonden zich zeker 1500 collega’s van Simonov, met als beroemdsten Isaak Babel en Boris Pilnjak. Maar de dodenlijst telde ook mindere literaire goden. Zoals Gleb Aleksejev, van wie ik tot voor kort nog nooit had gehoord. Tijdens de Burgeroorlog die volgde op de revolutie van 1917 vocht hij aan de kant van de Witten om na hun nederlaag via Constantinopel uit te wijken naar Berlijn. Uit heimwee keerde hij in 1923 terug naar Rusland, waar hij een succesvol schrijver werd. Wel meenden sommige critici dat hij in zijn verhalen ‘anti-proletarische gezichtspunten’ verkondigde. In 1938 werd hij, waarschijnlijk ook vanwege zijn vriendschap met Pilnjak, gearresteerd en nog dezelfde dag geëxecuteerd.

Ik las een van Aleksejevs verhalen in de vertaling van Willem Weststeijn in de serie Slavische cahiers. Het heet Het ondergrondse Moskou en is een avonturenverhaal over een kostbare bibliotheek die Ivan de Verschrikkelijke (1530-1584) ergens diep onder het Kremlin zou hebben verborgen. Deze uit Constantinopel afkomstige bibliotheek bestond uit onbekende, in gouden banden gevatte werken van onder meer Pindarus en Tacitus. Eeuwenlang is ernaar gezocht, zonder resultaat. Eind 19de, begin 20ste eeuw begonnen ook historici en archeologen naar de papieren schat te zoeken. Hun expedities inspireerden Aleksejev tot zijn verhaal.

Het ondergrondse Moskou leest als een schelmenroman in de trant van De twaalf stoelen van schrijversduo Ilf en Petrov. Het verhaal is simpel. Twee elkaar beconcurrerende expedities dalen af in de catacomben van het Kremlin. Een van die expedities wordt gefinancierd door de Kroatische miljardair Glavic, die een concessie binnensleept om met Duitse ingenieurs de Moskouse metro te mogen aanleggen. De andere partij bestaat uit een stelletje Moskouse sukkels van het type Laurel & Hardy, die met touwladders en kaarsen op pad gaan. Ondergronds bereikt ieders hebzucht een vermakelijk hoogtepunt, waarbij een verdovende stok een grote rol speelt.

Nu dateert Het ondergrondse Moskou uit 1924 en zou het nog vier jaar duren voordat Stalin oppermachtig werd. Maar het boek bevat alles waarvoor je een Sovjet-schrijver in 1938 kon arresteren en ter dood veroordelen.

Als ik naar State Funeral kijk, vraag ik me opnieuw af hoe het kan dat er onder Stalin zulke grote kunst werd gemaakt. Een Russische schrijfster die ik onlangs sprak, gaf me het antwoord: „De Sovjet-Unie was een surrealistisch land, waar net zoals in het Rusland van Poetin velen de kop in het zand staken. Maar ze leefden niet. Want dat kon je alleen door te scheppen, ook al was het voor de bureaula.” Na die woorden nam mijn bewondering voor regisseur Loznitsa alleen maar toe.