Recensie

Recensie Muziek

Tugan Sokhiev dirigeert Concertgebouworkest met ijzeren hand

Concertgebouworkest De jonge pianist Alexandre Kantorow (24) speelt deze week een verrukkelijk woeste Prokofjev bij een door dirigent Tugan Sokhiev strak beteugeld Concertgebouworkest.

Dirigent Tugan Sokhiev leidt deze week het Concertgebouworkest.
Dirigent Tugan Sokhiev leidt deze week het Concertgebouworkest. Foto Sebastien Grubille

Het is een lekkere binnenkomer van de avond: Chase van componist Joey Roukens. Hij schreef het stuk in 2013 voor een filmmuziekavond van het orkest als begeleiding van een (nu onzichtbare) achtervolgingsscene. Het is een lekker ritmisch, gejaagd stuk en duidelijk een kolfje naar dirigent Tugan Sokhievs ijzeren hand; onder zijn hoekige dirigeerstijl speelt het orkest ongelofelijk strak. Vooral het slagwerk maakt indruk door perfect te mengen met de rest.

De jonge pianist Alexandre Kantorow (24) blijkt in het Tweede pianoconcert van Sergej Prokofjev een traktatie. Hij speelt springerig en scherp. Van de cadens (solo) in het eerste deel, toch al zo hondsmoeilijk virtuoos, maakt Kantorow er een van verrukkelijke, glasheldere woestheid. Zijn vingers vliegen zo snel over elkaar dat je ogen het niet bijhouden. Alleen je oren kunnen het volgen. Kantorow speelt niet foutloos, maar het zijn dan ook zoveel noten dat het geen kwestie meer is van de goede raken, maar van de verkeerde missen. Aan de intensiteit doet het niets af.

De ritmische nauwgezetheid van het orkest blijft de hele avond de rode draad. In het derde deel marcheert het orkest bijna met militaire precisie. Links.. links.. links.. doen de strijkers. Rechts springt Kantorow losjes mee.

Lees ook deze recensie van pianist Alexandre Kantarow op het Gergiev Festival

Uitbraak van de contrabassen

In Dvoráks bekende Negende symfonie mag het koper, dat voor de pauze onbevredigend weinig mocht knerpen, eindelijk voluit. Maar hier zorgt Sokhievs fixatie op ritmische precisie voor wat ongeoliede overgangen tussen instrumentgroepen, vooral in zachte stukken. Nog het meest onvrij klinken de soms bijna potsierlijke vertragingen waarmee hij Slavische melodieën wil uitlichten. Dat zou misschien werken als het orkest er ook in gelooft, maar dat doet het hoorbaar niet. Het mooie tweede deel wordt pas echt muziek als de bassen zich in een pizzicato-passage uit de ketenen besluiten los te wurmen. Meteen ontspannen ook de schouders van de andere orkestleden.