Karl Ove Knausgård in Londen, september dit jaar.

Foto Manuel Vazquez

Interview

Knausgård: ‘We hebben het lichaam verlaten, alles is scherm’

Karl Ove Knausgård Hij zou nooit meer een roman schrijven, en hield die belofte negen jaar in stand. Nu is er een nieuwe roman, waarin hij streefde naar een balans tussen essayistiek en verhaal. „Ik ben niet tegen fictie, ik ben tegen versimpeling.”

Hij zou nooit meer een roman schrijven. Fictie is alleen maar een verhaaltje, vond hij, en de wereld is al bedolven onder de verhalen. De Noorse schrijver Karl Ove Knausgård was na twee romans van zijn geloof gevallen. De desillusie zette hem aan tot het manisch neerpennen van wat de wereldberoemde Mijn strijd-reeks zou worden, zijn grote literaire project dat duizenden pagina’s en zes forse volumes beslaat, waarin hij zichzelf volledig binnenstebuiten keert, elk banaal detail uit zijn eigen leven op papier zet.

‘Alleen al bij de gedachte aan fictie, alleen al bij de gedachte aan een fictief karakter in een fictieve handeling werd ik misselijk’, schreef hij in Liefde, het tweede deel. Hij verlangde om bij het leven zelf te komen, door de vervreemding heen te breken waartoe we als hedendaagse mens veroordeeld zijn. In Vader, het eerste deel, lezen we: ‘Schrijven houdt in wat bestaat uit de schaduw te halen van wat we weten. Daar draait het om bij het schrijven. Niet om wat daar gebeurt, niet om wat voor handelingen zich daar ontvouwen, maar om het dáár op zich.’

Het laatste deel van Mijn strijd schreef hij in 2011, de Nederlandse vertaling van Vrouw verscheen in 2015. Tien jaar later ligt er toch weer een nieuwe roman. Een dikke pil, want haast alles wat Knausgård schrijft neemt ruimte in: De morgenster beslaat een omineuze 666 pagina’s. Vorig najaar in Noorwegen verschenen, deze maand in het Nederlands en Engels. En er zal geen misverstand over bestaan, De morgenster is een echte roman-roman, ontsproten aan de fantasie, met een veelheid aan personages, monsters, demonen en een vreemde grote ster die opeens aan de hemel staat. De publicatie is geen eenmalig uitstapje, geen guilty pleasure in de genreliteratuur. Wanneer Knausgård op een zonnige herfstdag op de terrasstoel ploft van de pub in de buurt van zijn huis in Zuidoost-Londen, vertelt hij dat de opvolger bijna af is. Om precies te zijn is zijn deadline vandaag. Of eigenlijk gisteren. Na het interview heeft hij nog twee uur nodig, rekent hij voor, hij heeft nog acht pagina’s te gaan. Van de achthonderd.

Lees ook: De recensie van Knausgårds debuut (●●●●●), het relaas over een onmogelijke liefde, vol gretigheid en angst én al vol literaire overgave.

Ik heb een theorie: na ‘Mijn strijd’ kon u alleen nog een boek schrijven als het thema héél ver van u afstond. De zuigende werking van het genre van de autobiografie was zo sterk, dat enkel een groot gebaar u daarvan kon bevrijden. Dat zou verklaren waarom u zich nu met magisch realisme bezighoudt, iets heel anders dan waar we u van kennen.

„Ja, ja, zo zit het ongeveer wel. Met Mijn strijd heb ik een manier gevonden om over mezelf te schrijven. Die stijl heb ik tot het bittere einde gevolgd, geloof ik; als ik verder zou gaan zou ik mezelf alleen maar herhalen, het zou mechanisch worden. Ik wilde ervan af, ik wilde iets nieuws doen, iets waarvan ik niet wist hoe het moest. De Vier seizoenen die daarop volgden [met korte beschouwende vignetten, red.] waren daarvan een voorbeeld. Ik stelde regels op voor mezelf – dat het kort moest, dat de stukjes over objecten zouden gaan en niet over het innerlijk leven. Dat was de eerste stap. Maar een roman is toch veel bevredigender om te schrijven en om te lezen. Het kostte me negen jaar om daar te komen. Vanaf nu ga ik elk jaar weer een roman schrijven.”

Waarom vindt u een roman bevredigender?

„Een essay lees en schrijf je met je intellect. Er zit een gedachte in, een idee of een mening, en dat kun je goed vinden, het kan je beïnvloeden, maar het raakt niet je hele wezen. Zodra je er een verhaal van maakt verandert dat, je gevoelens, emoties en zintuigen raken betrokken. De ideeën in een roman komen daardoor veel sterker aan.

„Ik las Tolstojs Oorlog en vrede ooit in een Noorse vertaling uit de jaren vijftig, en ik vond het mooi, maar de roman nam me pas echt in beslag toen ik een nieuwe vertaling kocht in de jaren negentig. Wat bleek: in de oude editie waren alle passages geschrapt die niet bijdroegen aan de plot, zoals de essays, en ook de jacht-scène, een van de hoogtepunten. Het boek bleek in zijn geheel veel rijker, ik kreeg nu de gedachten mee van de schrijver over zijn tijd, al zijn emoties stroomden het boek uit. Die balans tussen essayistiek en verhaal streef ik ook na in deze roman. Een roman is uiteindelijk zo veel vervullender, zo veel meer zoals het leven zelf dan een geïsoleerde theorie die niet aan je eigen ervaring is gekoppeld.”

Had u niet het geloof in de roman verloren? Wat is er veranderd?

Mijn strijd schreef ik met het gevoel dat alles een verhaal was geworden, terwijl het leven zelf geen verhaal kon zijn. Toen ik over de dood van mijn vader wilde schrijven – het kernverhaal van mijn leven – werkte dat niet als roman, want dat was een verhaal en zijn dood was dat niet. Dus ik schreef een boek zonder plot, ik schreef over alles wat me inviel, zonder te weten waar het zou eindigen. Alles mocht, alles had betekenis.

„Nu schrijf ik vanuit personages, waardoor niet alles in het verhaal past. Ik moet keuzes maken. Maar ik kan nu wel vanuit andere stemmen schrijven, bijvoorbeeld, en dat geeft me een compleet andere blik op de wereld. Eerst ging het om wat er in mij omging, in mijn binnenste. Nu gaat het om de relaties tussen mensen.”

Dus dat beeld dat u nooit meer iets met romans te maken wilde hebben klopt niet?

„De standaard romanvorm, daar had ik moeite mee. Die is zo vaak herhaald, hij beweegt niet, en daarom heeft hij zijn contact met de werkelijkheid verloren, want het leven beweegt wel. Maar ik ben altijd romans blijven lezen. Ik ben niet tegen fictie, ik ben tegen versimpeling. Ik voel me sterk aangetrokken tot complexiteit.”

Lees ook: Een interview uit 2015, waarin Knausgård zijn afscheid van de romanvorm aankondigde.

In het hedendaagse Noorse landschap dat beschreven wordt in De morgenster – deel één van een reeks, van hoeveel wil de schrijver nog niet zeggen – verschijnt er opeens een ster aan de hemel, een fenomeen dat niemand had voorspeld. De dieren gaan zich raar gedragen, insectenplagen teisteren de stad, honderden krabben trekken het land over, er gebeuren steeds meer mysterieuze dingen. Melancholia van Lars von Trier meets Stephen King. De spanning wordt heel langzaam opgebouwd, omdat Knausgård een groot aantal personages ten tonele brengt waartussen de focalisatie wisselt.

Hoewel de ster vreemde dingen in gang zet speelt het verschijnsel eigenlijk niet eens zo’n grote rol. Iedereen probeert zijn eigen leven zo goed mogelijk te leiden, alle mensen zijn vooral in de ban van hun eigen kleine problemen. Arne, het eerste personage dat we leren kennen, lijkt nog het meest op Knausgård zelf: een man met een jong gezin en een vrouw die in een psychose raakt (Knausgårds ex-vrouw, Linda Boström Knausgård, kampt met een bipolaire stoornis). Maar er zijn ook vrouwelijke personages, zoals een predikant en een zestienjarig meisje; niet eerder verplaatste de schrijver zich zo diepgaand in een vrouw.

De plotopbouw is verrassend. Het Stephen King-sfeertje schept verwachtingen die niet worden ingelost, het eindigt zónder een klap, en juist die keuze plaatst het boek in een ander daglicht. De schrijver toont een wereld waaruit de dood is verdwenen, en wat dat voor gevolgen heeft voor het leven. En voor de verhaalkunst.

De ster is een ambivalent symbool. Het staat voor het onbekende, voor verandering; voor de een is dat dreiging, voor de ander goed nieuws, vertelt de schrijver, terwijl hij kettingrookt. ‘Morgenster’ is de naam van Lucifer, de duivel, hoewel Jezus in sommige teksten ook Lucifer, ‘lichtbrenger’ wordt genoemd, ontdekte Knausgård. Gaat het boek over de onzekere wereld van het afgelopen jaar? „Zeker. Al was de ster al op toen de pandemie begon, ik was al aan het boek begonnen. Maar het ging een relatie aan met wat er in de wereld gebeurde.”

Een ambivalent symbool, zegt u, en toch vond ik De morgenster vooral duister en beklemmend. U lijkt een stap verder te gaan dan met Mijn strijd. In die reeks had de werkelijkheid haar betovering verloren omdat alles al bekend was en beschreven, u zocht naar nieuwe verbinding. Dat was een daad van hoop, van optimisme. Nu is zelfs de dood verdwenen.

„Alleen in een roman kan de dood verdwijnen. Maar ik geloof dat we daar steeds meer naartoe gaan. Mijn strijd begon met het verbergen van de dood, het niet willen zien ervan. De volgende stap is dat de dood verlaten wordt. De dingen hebben hun lichamelijkheid verloren, alles is scherm, alles is beeld. We hebben het lichaam verlaten. Als we het lichaam verlaten, verlaten we ook de dood. We ontkennen de natuur. We ontkennen veroudering, we ontkennen de dieren, ontkennen het bos. Nu worden we geconfronteerd met een crisis van het klimaat. Want we zijn nog deel van de wereld, we zijn nog steeds natuur, we zijn nog steeds dieren. In die zin geeft het boek een realistische kijk op de wereld.”

Is een roman een manier om die verbinding terug te brengen?

„Ik probeer het te begrijpen, betekenis te geven. Daarin schuilt natuurlijk een paradox, net als in Mijn strijd: ik verlang naar aanwezigheid, terwijl schrijven afzondering van de wereld betekent. Een roman is een manier om het kleine leven aan het grote plaatje te verbinden.”

Kunnen romans de wereld veranderen?

„Dat is niet waar ik per se naar streef. Het begint bij bewustzijn. We vinden wel een manier, we moéten wel. We hebben tijdens de pandemie ook het luchtverkeer volledig stilgelegd. Dat is al iets. Ik weet dat ik in mijn boeken een donker, somber persoon ben, maar in het echt ben ik eigenlijk best optimistisch.”