Recensie

Recensie Boeken

Het paradijs van de kindertijd is ook wreed en hard

Korte verhalen De Franse schrijver Larbaud beschouwde zijn kindertijd als zijn verloren paradijs. In Kinderscènes zijn negen verhalen gebundeld over kinderen, voor volwassenen.

Foto Carol Yepes

‘Laat mij mijn kindertijd weer oppakken, daar waar ik was gebleven’, zei Valery Larbaud. Hoewel hij als kind ziekelijk was en zijn moeder hem regelmatig meenam naar kuuroorden, beschouwde hij zijn kindertijd als zijn verloren paradijs, een tijd ook die hij in zijn werk nooit helemaal achter zich heeft gelaten.

Larbaud werd in 1881 geboren in Vichy, in de ‘gouden driehoek’ in het hart van Frankrijk. Zijn vader was apotheker; hij ontdekte de heilzame werking van het water uit de bronnen van St. Yorre en werd schatrijk. Valery heeft dan ook nooit hoeven werken. Wel hield zijn moeder hem, na de dood van haar man, financieel kort; ze was bang dat hij zijn erfenis over de balk zou smijten.

Voor het voortzetten van de zakelijke belangen van de familie bleek Valery niet geschikt. Als jongen was hij een verlegen dromer, die zich terugtrok in zijn fantasiewereld. Als volwassen man was hij een lezer, schrijver, reiziger en kosmopoliet, die de kwaliteiten van Europa bezong. Als passeur bracht hij vooral de Engelse literatuur in Frankrijk onder de aandacht. Bekend werd Larbaud met A.O. Barnabooth (1913), een ironisch getoonzet fictief dagboek van een rijke Zuid-Amerikaanse wereldreiziger die een luxe leventje leidt (in het Nederlands vertaald als Dagboek van een miljardair). Net als zijn alter ego Barnabooth reisde Larbaud graag door Europa; hij installeerde zich in Engeland, Spanje of Portugal en zette zich aan een vertaling. Ook ondersteunde hij schrijvers die hij bewonderde, zoals James Joyce en Beckett.

Verliefd op een herderinnetje

Ondanks zijn blik naar buiten is Larbaud steeds bezig gebleven met de tuin van zijn kindertijd. In Kinderscènes bundelde vertaalster Katrien Vandenberghe negen mooie korte verhalen die allemaal een kind tot onderwerp hebben. Acht ervan verschenen in 1918 bij Gallimard, het negende wilde Larbaud pas later publiceren.

Verhalen voor kinderen zijn het niet, Larbaud droeg ze op aan zijn volwassen vrienden. ‘Het hakmes’ bijvoorbeeld, is opgedragen aan André Gide, de man die hem binnenhaalde bij de Nouvelle Revue Française, het toonaangevende literaire tijdschrift dat aan het begin van de twintigste eeuw werd opgericht. ‘Het hakmes’ gaat over een achtjarige jongen uit een aristocratisch milieu die tijdens zijn vakantie verliefd wordt op een herderinnetje dat voor zijn ouders werkt. Omdat zij zich bij het houthakken aan haar hand heeft verwond, doet hij hetzelfde – met opzet. Niemand die zijn verliefdheid opvalt, behalve het jonge, jaloerse twaalfjarige meisje dat op hem moet letten. Wreed is de kindertijd, hard zijn de anderen – ook op die leeftijd. Larbaud geeft de jongen een paar onzichtbare vrienden die zijn kant kiezen bij zijn confrontaties met de volwassenen die alleen maar spreken over ‘veepacht, vruchtgebruik, contract, hypotheken’. Met opzet schopt hij tegen de heilige huisjes van de familie, de vereerde politicus Gambetta of de grootvader in wiens voetstappen hij geacht wordt te treden. In de tussentijd denkt hij aan zijn herderinnetje en zorgt hij onopvallend voor haar – totdat de vakantie voorbij is.

Weggestuurd om ‘smeerlapperij’

Fijngevoelig schrijft Larbaud, beeldend en poëtisch. Steeds blijft hij heel dicht bij de gedachtewereld van zijn jeugdige hoofdpersonen. Ook als de verteller een volwassene is die terugdenkt aan zijn of haar jeugd. Dat is bijvoorbeeld het geval in het openingsverhaal ‘Rose Lourdin’, een door de ogen van een beroemde artieste verteld verhaal. Ze denkt terug aan haar verliefdheid op een meisje uit een klas hoger; ‘ik hield van haar leven, elke druppel van haar bloed was me lief’. Het betreffende meisje werd, tegelijk met een juf, vanwege ‘smeerlapperij’ van school gestuurd. Geheimen wegen zwaar in de kindertijd en ze maken diep ongelukkig.

Mooi is ook ‘Het uur met het gelaat’. Een jongen wacht op de komst van zijn muziekdocent, die te laat is. Terwijl de tijd verstrijkt en hij steeds meer hoopt dat hij niet zal komen opdagen, verliest hij zich in het marmer van de schouw, waarin hij een gezicht ziet. Samen maken ze een wandeling door een imaginair bos, op een ‘pad van duizend geheimen’. Zo weet Larbaud in zijn poëtisch proza steeds ‘de bekoring van de primitieve opwelling’ te bewaren, zoals bewonderaar en Larbaud-vertaler E. du Perron schreef.

In 1935 werd Larbaud door een beroerte getroffen, waarna hij zich nauwelijks meer kon bewegen en slechts met de grootste moeite kon spreken. ‘Jeunesse’ en ‘merveilleux’, ‘kindertijd’ en ‘buitengewoon’, behoorden tot de geringe woordenschat die hij gedurende de resterende twintig jaar van zijn leven nog bezat.