Recensie

Recensie Boeken

Friso’s moedige maar roekeloze acties

Geschiedenis De Friese stadhouder Johan Willem Friso was de stamhouder van de Oranjes. Onder internationale militair-historici heeft hij geen beste pers. Nu heeft hij wel een biografie.

Friso valt uit de boot in 1711. Atlas Schoemaker
Friso valt uit de boot in 1711. Atlas Schoemaker

Het zag er uit als een zomers onweertje. Een gezelschap onderweg van Antwerpen naar Den Haag had zich bij Moerdijk net ingescheept voor het oversteken van het Hollands Diep naar Strijensas. Het was 14 juli 1711. Als je de verslagen leest van die dag, denk je: wacht toch even tot de bui overdrijft, maar het gezelschap besloot de trossen los te gooien. Op een van de schuiten stond de koets van de Friese stadhouder Johan Willem Friso, kortweg Friso. Die had zich tegen de bui in zijn koets teruggetrokken. Het begon te spoken, de wind draaide steeds, zeilen werd onmogelijk, juist de boot met de stadhouder aan boord maakte slagzij. Friso kon niet zwemmen en ging ten onder. Hij werd pas ruim een week later uit het water gevist.

De stadhouder stierf kort voor zijn 24ste verjaardag. Hij had een paar jaar als officier in het leger meegelopen, daarin onder meer aan de beroemde veldslag bij Malplaquet meegedaan, maar zijn historische betekenis werd en wordt vooral bepaald doordat hij de universele erfgenaam was van zijn verre neef, de koning-stadhouder Willem III, die in 1702 kinderloos was gestorven. Nu Friso dood was hing voortzetting van de Oranje-dynastie aan een zijden draad. Friso’s weduwe was zwanger en baarde zes weken na de dood van de vader een zoon, de latere stadhouder Willem IV.

Het korte leven van Friso is nu gedetailleerd beschreven door Ronald de Graaf in een lijvige biografie, die als ondertitel draagt ‘Het tragische leven van Johan Willem Friso 1687-1711’. Wat er precies tragisch was aan het leven van Friso blijft in het midden. Hij groeide vrij beschermd op onder de hoede van zijn nogal heerszuchtige moeder Henriette Amalia. Hij studeerde als tiener in Franeker en Utrecht en rolde al op zijn zestiende soepel de hogere officiersrangen van het Staatse leger in. De Republiek was al jaren in oorlog met Frankrijk, een strijd die vooral in de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk werd uitgevochten. Friso wilde laten zien wat hij waard was; hij joeg nogal onstuimig op krijgsmansroem. Mogelijk was dat ook de reden dat hij voorlopig niet geschikt werd bevonden voor het opperbevelhebberschap.

In de Slag bij Malplaquet in 1709 voerde Friso de infanterie aan, de Fransen werden op de terugtocht gedwongen, maar de verliezen aan geallieerde zijde liepen door de wel heel drieste aanvalsacties van Friso in de duizenden. Onder internationale militair-historici heeft Friso geen beste pers, Nederlandse historici zwijgen liever over zijn aandeel. De Graaf probeert Friso nog enigszins het voordeel van de twijfel te gunnen, maar levert daar weinig argumenten voor.

De biograaf zet in zijn inleiding uiteen dat hij vooral het ‘privéleven’ van de stadhouder heeft willen weergeven, en alleen over politiek en oorlogen te zullen uitweiden ‘waar het nodig is om het verhaal te volgen’. Dit is bij iemand die militair én politicus is uiteraard niet vol te houden. De beschrijving van de Slag bij Malplaquet beloopt alleen al meer dan 45 pagina’s. Het bevat veel details, ook over Friso’s moedige maar roekeloze acties. Heldere conclusies over de betekenis van zijn inbreng blijven achterwege. Dat Friso meteen na de slag ziek werd, lijkt erop te wijzen dat hij er zelf ook niet al te gunstig over dacht.

Kostbare mislukkingen hoorden bij de harde leerschool van de Europese politiek. Daar kom je normaal gesproken wel weer overheen. Een andere rode draad in het leven van Friso was het eindeloze gesteggel over de erfenis van Willem III. Die was Friso bij testament toegekend, maar koning Frederik van Pruisen, de coming man in Noordelijk Europa, en kleinzoon van stadhouder Frederik Hendrik, meende ook aanspraak te maken op ten minste delen van de nalatenschap. Niet alleen vanwege de afstamming, maar ook vanwege de stellige beloften die Willem III hem, in ruil voor militaire steun, had gedaan.

Friso was aangewezen op steun van de regenten in de verschillende Statencolleges. En dat liep niet soepel. Het anti-Oranjesentiment dat zich in de loop van de zeventiende eeuw vooral in Holland had ontwikkeld, kreeg na de dood van Willem III weer alle ruimte. Angst voor overheersing door de Oranjes, voor hun monarchale aspiraties, zat diep. In Friesland, waar Friso’s directe voorvaderen stadhouder waren geweest en de functie inmiddels erfelijk was verklaard, kon hij zich thuis voelen. Hoewel ook daar de ruiten van het paleis in Leeuwarden wel eens werden ingegooid. Elders in de Republiek smeulde vijandschap. Friso zou normaal gesproken vele jaren nodig hebben om zijn machtsbasis te versterken met het vergeven van baantjes. Op het moment van zijn dood had hij nog niet bewezen daarin erg doortastend te werk te gaan.

Rechtvaardigt een zo kort en weinig opwindend leven zo’n uitgebreide biografie? De Graaf heeft uitgebreid archiefonderzoek gedaan, en citeert rijkelijk uit de verschillende bronnen, maar dit zijn niet zelden erg plichtmatig geformuleerde teksten, die weinig informatie bevatten. Daartegenover staat dat krachtige conclusies uitblijven. Het betoog van De Graaf doet regelmatig aan als een voorlopige versie. Friso zou aan kracht en aan belang hebben gewonnen wanneer het nog stevig was ingekort. Dan hadden ook de onnauwkeurigheden en stijlbloempjes weggewerkt kunnen worden. Er wordt beweerd dat er van Friso tussen 12 november 1707 en 18 mei daaropvolgend ‘ieder spoor’ ontbreekt, maar vier bladzijden later wordt er uit een brief van hem van 2 januari 1708 geciteerd. Over Friso’s uitgaven wordt het sommetje gemaakt dat ze 600 à 700 gulden per week beliepen, maar dat zijn jaarlijkse inkomsten van 150.000 gulden maar ‘amper de helft’ daarvan dekten. En over het openen van Willem III’s testament op een bovenverdieping van het Haagse Binnenhof staat er: ‘ze hadden de trap genomen’; was er een lift dan? In een citaat uit begin achttiende eeuw is het woord ‘broedmachine’ vermeld voor een mannelijk persoon, dat maakt nieuwsgierig naar de originele tekst.