Recensie

Recensie Boeken

Deze biografie van Nescio dringt door tot zijn intiemste zielenroerselen

Nescio In haar overweldigende biografie van deze grote schrijver dringt Lieneke Frerichs door tot zowel de kern van zijn bitterzoete leven als van zijn nog altijd zeer leesbare werk.

J.H.F. Grönloh op het terras van het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis in Amsterdam, op 23 september 1941
J.H.F. Grönloh op het terras van het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis in Amsterdam, op 23 september 1941 Foto B.C.N. van Vliet

Een bitterzoete melange van idealisme en teleurstelling. Zo noemt Lieneke Frerichs het fundament van bijna al het werk van Nescio in haar biografie Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh. Je herkent de schrijver volgens haar dan ook moeiteloos in Janus, de kantoorklerk uit het verhaal ‘Najaar’ (1922). Janus wil boeken schrijven, maar komt er niet toe. In plaats daarvan zit hij te mijmeren op kantoor, dat hij als een gevangenis beschouwt. Ook wil hij iets te melden hebben, maar hij weet niet wat. En dan is hij nog op zoek naar een betekenisvol leven, dat hij maar niet vindt.

Zelf vatte J.H.F. – Frits – Grönloh (1881-1961), zoals de mens achter het pseudoniem heet, zijn leven in 1936 kort samen als dat van iemand die zeer tevreden was om een Amsterdammer te zijn. Ook zou hij bepaald zijn door zijn eenvoudige afkomst, zijn gebrek aan een universitaire scholing, zijn werkzaamheden in de handel, zijn overtuiging dat hij geen ‘letterkundige’ was, zijn weinig heroïsche levensinstelling, zijn twijfel aan zekerheden, zijn neiging tot zwaarmoedigheid en zijn verlangen naar privacy.

Prestigieuze opleiding

Dat leven speelt zich hoofdzakelijk af in Amsterdam-Oost, waar Grönlohs vader een blikslagerij heeft. Als hij het tot een bescheiden welstand brengt, laat hij zijn oudste zoon doorleren. Frits gaat naar de driejarige hbs. Nadat hij die opleiding met succes heeft afgerond, mag hij nog twee jaar naar de Openbare Handelsschool, een prestigieuze opleiding waar telgen uit de hoofdstedelijke zakenelite klaargestoomd worden om in de voetsporen van hun vaders te treden.

Na baantjes als handelscorrespondent belandt Grönloh in 1904 bij het Amsterdamse handelshuis de Holland-Bombay Trading Company, waar hij 1926 directeur wordt. Vanaf dat moment behoort hij zelf tot de door hem verfoeide elite, al zal hij er altijd een buitenstaander blijven.

Frerichs benadrukt voortdurend Grönlohs weerzin tegen het monotone kantoorbestaan en zijn verlangen om bohémien te zijn. Maar van dat laatste zal het nooit komen, want in plaats van in bohémienkringen en kunstenaarsociëteiten rond te hangen, zit hij gewoon op kantoor.

Debatingclub

Wel wordt Grönloh rond de eeuwwisseling lid van de debatingclub GOHV (Gedachtenwisseling Ontwikkelt Het Verstand), waar de schrijnende sociale kwesties van die dagen worden behandeld, maar waar het ook over God versus Darwin gaat. De eloquente Grönloh wordt er algauw een van de leiders. Frerichs zet dat milieu van het opkomend socialisme en anarchisme, van wereldverbeteraars die zich verzetten tegen de vanzelfsprekendheden van de heersende elite, heel beeldend neer, waaruit Grönloh als een potentiële revolutionair naar voren komt. Dat beeld wordt nog eens versterkt door zijn activiteiten binnen een idealistisch-anarchistische landkolonisatiebeweging in het Gooi, waar hij naar analogie van Frederik van Eedens Walden met enkele vrienden (die model zouden staan voor zijn personages uit Titaantjes) een stuk land koopt. Maar die kolonie komt door geruzie niet van de grond, met het verdampen van Grönlohs idealen als gevolg. Vanaf dat moment richt hij zich op het schrijven, alsof hij zich daarmee wil verzoenen met het leven zoals het komt.

Inmiddels heeft hij op de zangvereniging Agathe (‘Ossie’) Tiket leren kennen. Zij zal zijn levenslange geliefde en kameraad worden. Volgens Frerichs is haar rol in Grönlohs leven groot geweest, omdat ze met haar optimistische aard een tegenwicht vormde voor het almaar groter wordende pessimisme van haar man.

In 1907 voltooide Grönloh zijn eerste verhaal: ‘Venloër grensbode’. Het verschijnt in De Pionier, het blad van de Vereeniging van Gemeenschappelijk Grondbezit, waar hij in het bestuur zit. De eerste zin ervan luidt: ‘’t Was een rare kerel.’ En als die rare kerel tot slot ook nog eens de balans van zijn leven opmaakt en in Nijmegen van een spoorbrug springt om zich te verdrinken, moet je sterk aan Japi uit ‘De uitvreter’ denken. Delen van dat verhaal zal Grönloh later in ‘De uitvreter’ opnemen.

In 1910 wordt ‘De uitvreter’ in De Gids gepubliceerd, nadat het eerst gekuist is van scheldwoorden als ‘Godverdomme’ en ‘Jezus’, en verwijzingen naar de geslachtsdaad. Alleen zoiets al laat zien hoe ver Grönloh zijn tijd vooruit was. Ook verandert hij zijn pseudoniem Koekebakker, waarschijnlijk op advies van De Gids-redacteur J.N. van Hall, in Nescio (Ik Weet Niet). Een schrijver is geboren. De belangrijke recensenten zijn laaiend enthousiast.

Met het vervolg ‘Titaantjes’ heeft Grönloh in 1914 minder succes. De redactie stoort zich aan zijn tirades over God (waarmee Grönloh overigens niet de Heer, maar het leven zelf bedoelt). Diezelfde Van Hall vervangt dat ‘God’ nu door ‘Zeus’. Maar als ook de passage is veranderd waarin Grönloh de arrogantie en het zelfingenomen gedrag van de ‘nette heeren’ beschrijft, verzet hij zich, waarop het verhaal wordt afgewezen.

Zenuwinzinking

Grönloh krijgt nu een zenuwinzinking en belandt in een herstellingsoord. Het is de eerste van een reeks mentale crises. Frerichs behandelt die geestelijke ineenstortingen uitvoerig en komt tot de conclusie dat Grönloh aan neurastenie leed, een zenuwziekte die tegenwoordig met valium of librium gemakkelijk te bestrijden is.

Grönlohs bundel Dichtertje-De uitvreter-Titaantjes verschijnt in 1918 voor het eerst in boekvorm, in een oplage van 500 exemplaren. Opnieuw is het literaire wereldje vol lof. Iedereen probeert te raden wie er achter het pseudoniem Nescio schuilt. Maar de lezers laten het afweten. Pas in 1933 volgt een tweede druk.

Frerichs beschrijft Grönlohs leven in al zijn aspecten, wat knap is omdat er helemaal niet zoveel van hem bekend is. Zijn carrière bij de Holland-Bombay staat daarbij voorop. Een mooi hoofdstuk is gewijd aan Grönlohs zakenreis naar Brits-Indië in 1925-’26. Als een heuse expat geeft hij zich er aan het koloniale leven over. Vanuit een hedendaags perspectief is het opvallend dat hij, als strijder voor sociale rechtvaardigheid, het koloniale systeem omhelst. Soms laat hij zich zelfs in onsmakelijk racistische termen uit, zelfs over Joden, die in Amsterdam tot zijn beste vrienden en later tot zijn familie behoren.

Frerichs dringt in haar biografie tot Grönlohs intiemste zielenroerselen door, voor zover dat mogelijk is bij iemand met een gesloten karakter. Dat lukt vooral dankzij de vele brieven, die haar door Grönlohs nazaten ter beschikking zijn gesteld. Voor het eerst krijg je daardoor ook een beeld van Grönlohs leven tijdens de Duitse bezetting. Daarnaast is zijn correspondentie met zijn bewonderaarster Agnes Maas de moeite waard. Vooral wanneer hij haar in een brief de bruuske vraag stelt of ze eigenlijk wel weet wie ze is, alsof hij op deze schrijfster uit de hogere kringen zijn aversie tegen de ‘nette heeren’ afreageert.

Pas halverwege de jaren vijftig krijgt Grönloh het succes dat hij verdient, onder meer dankzij Geert van Oorschot, Simon Carmiggelt en Gerard Reve. Of dat succes hem dan nog iets kan schelen blijft, gezien zijn berusting in het niet-weten en zijn toenemende zwijgzaamheid, de grote vraag. Zelfs de prachtige biografie van Lieneke Frerichs heeft er geen antwoord op.