Vrouwelijke ontwerpers kregen in de designgeschiedenis niet de plek die ze verdienen

Design Vrouwelijke ontwerpers kregen in de designgeschiedenis niet de plek die ze verdienen, schrijft . In het Vitra Museum bij Basel is er nu aandacht voor hun werk, leven en strijd.

Advertentie voor Karelia, loungestoel van Liisi Beckmann (1969).
Advertentie voor Karelia, loungestoel van Liisi Beckmann (1969). Foto Zanotta SpA

De ogen van de bejaarde architecte Galina Balasjova fonkelen als ze terugdenkt aan de gloriejaren van de Russische ruimtevaart. Het waren immers ook háár gloriejaren: veertig jaar lang ontwierp zij de interieurs van de Sovjet-ruimtecapsules en ruimtestations. Ze had een grote vrijheid, vertelt ze in een video-interview – de (mannelijke) ingenieurs dachten dat ze zich alleen maar met de stoffen en de kleurtjes bezighield. Wisten zij veel dat zij het was geweest die in die krappe paar vierkante meter allerhande apparatuur, opslag en zelfs een slaapbankje wist te proppen. Zij zag de capsule niet alleen als een technische ruimte, maar ook als een tijdelijke leefomgeving, die praktisch én esthetisch moest zijn. Ze maakte klittenband op de pakken van de astronauten én op het bankje, zodat ze in hun slaap niet door de capsule zouden gaan zweven en hun hoofd zouden stoten. Zo bedacht ze ook dat de vloer van de capsule donkerder moest zijn dan de rest, zodat ze zich konden oriënteren.

Balasjova is een van de tachtig ontwerpers die onder de aandacht worden gebracht in de geweldige tentoonstelling Here We Are! Women in Design 1900-Today in het Vitra Design Museum in het Duitse Weil am Rhein, net over de grens boven het Zwitserse Basel. Van veel van die ontwerpers heb ik nooit gehoord. Maar ik vergeef het mezelf als ik zie hoe wijd de samenstellers het net hebben uitgegooid. Van Brazilië tot Polen, van het Verenigd Koninkrijk tot de Verenigde Staten, van Rusland tot Nederland, Frankijk, Duitsland, Italië – het aandeel van vrouwen in onze materiële cultuur blijkt veel groter dan de meesten van ons zich zullen hebben gerealiseerd.

Als je door de tentoonstelling loopt, besef je dat het een wonder is dat zoveel vrouwen in dit vakgebied willen werken. Je moet je positie bevechten, je werk wordt niet altijd erkend, je moet meestal harder werken dan mannen om privé en werk te combineren, en als je met mannelijke collega’s samenwerkt, zijn zij vaker degenen die de roem claimen. Zo heeft het lang geduurd voordat de Franse ontwerper Charlotte Perriand uit de schaduw kwam van Le Corbusier, met wie ze tussen 1927 en 1937 had samengewerkt. Alles wat ze voor zijn studio ontwierp, kreeg een productcode met zijn initialen en een nummer – LC1, LC2, LC3. Haar naam werd niet genoemd. Nu is de erkenning er wel: twee jaar geleden stelde de Fondation Louis Vuitton in Parijs een grote tentoonstelling samen over haar werk en verscheen er een documentaire over haar leven. Meubelfabrikant Cassina brengt nu drie van haar ontwerpen opnieuw in productie.

Clara Porset, stoel Butaque (circa 1948). Foto Vitra Design Museum, Jürgen Hans

Damsels of design

Niet alle mannen wilden met de eer gaan strijken. Toen de Amerikaanse architect Robert Venturi in 1991 de prestigieuze Pritzkerprijs kreeg, wilde hij die delen met zijn vrouw Denise Scott Brown. De Pritzkers wilden dat niet (en Venturi nam de prijs toch in ontvangst). De Italiaanse grafisch ontwerper Massimo Vignelli en zijn vrouw Lella werkten vijftig jaar nauw samen, maar tot zijn woede negeerden de media en mannelijke opdrachtgevers haar rol in hun werk. „Alleen de dappere vrouwen konden over die openlijke discriminatie heenkomen”, zei hij ooit. „Lella was een van hen.”

Vrouwen werden, behalve als ontwerpers, soms ook gezien als nuttige marketingtools. In de naoorlogse jaren zette de Amerikaanse autofabrikant General Motors vrouwelijke ontwerpers in – de ‘damsels of design’– om vrouwelijke klanten te lokken. In de naoorlogse jaren wilde iedere Amerikaan wel naar de suburbs verhuizen en een auto kopen. Welke consument zou niet de begeerte voelen opborrelen bij het zien van zo’n slagschip met vinnen en champagnewitte bekleding met parels in de naden? En stoelen bekleed met leer, zodat je geen halen krijgt in je kostbare nylonkousen? Al helemaal als de ontwerpers zelf in de promovideo hun waar aanprijzen.

Loheland Photo Workshop: Jump (circa 1930)
Foto Loheland-Archiv
Christien Meindertsma, stoel van vlas (2015)
Foto Studio Aandacht
Schets van Galina Balasjova voor het interieur van ruimtevaartuig Sojoez, 1963
Foto The Museum of Cosmonautic

Veel vrouwen leverden op een andere manier hun bijdrage. Sommigen maakten naam als entrepreneur, zoals Florence Knoll, architect, interieur- en meubelontwerper, die met haar man het gelijknamige bedrijf opzette dat meubels produceerde en de inrichting deed van grote kantoren. Toen haar man onverwacht vroeg overleed, zette Florence het bedrijf met succes voort. In 1960 stond ze zelfs op de cover van Der Spiegel. En veel vrouwen waren actief in het onderwijs, waarbij ze in diverse gevallen academische erkenning wisten af te dwingen voor ‘vrouwelijke’ disciplines als textiel en interieurontwerp. De Oostenrijkse architecte en meubelontwerpster Herta-Maria Witzemann bijvoorbeeld, kreeg het als lid van de State Academy of Fine Arts in Stuttgart voor elkaar dat interieurontwerpers vanaf 1976 de academische titel kregen die voorheen aan ingenieurs was voorbehouden.

Activisme loopt als een rode draad door de 120 jaar van de tentoonstelling: van de strijd om het vrouwenkiesrecht aan het begin van de twintigste eeuw, tot en met de vrouwenbeweging van de jaren zeventig en daarna. De Guerrilla Girls, een actiegroep die seksisme en racisme in de kunstwereld bestrijdt, somde in 1988 op sarcastische wijze de voordelen op van het vrouwelijk kunstenaarschap. Dat je kunt werken zonder de druk van succes bijvoorbeeld, en dat je je ideeën ziet voortleven in het werk van anderen. Het affiche ‘The Advantages of Being a Woman Artist’ is te zien op de tentoonstelling.

Vrouwelijke ontwerpers bij Bauhaus-workshop weven (1928). Foto Bauhaus-Archiv

Nieuwe technieken

Als het gaat over het raakvlak van design en onderzoek naar nieuwe technieken en materialen, staat Nederland in de tentoonstelling voorop. Als ‘solar-designer’ werkt Marjan van Aubel met zonne-energie, Christien Meindertsma laat haar stoel van vlas zien. Van Hella Jongerius is er, naast haar voorwerpen, ook het designmanifesto dat ze in 2015 publiceerde, samen met critica Louise Schouwenberg. Daarin pleiten ze er onder andere voor ‘onze obsessie met het nieuwe af te schudden’. Het vrouwelijke ontwerpersduo Atelier NL, dat van Vitra de opdracht kreeg om een nieuwe versie van een oud servies te vervaardigen, sluit daar mooi op aan. Helemaal omdat het is gemaakt van klei die lokaal werd opgegraven, in het Duitse dorp Kandern, op zo’n vijftien kilometer van het museum.

Is er bij al deze stoere vrouwen die zich in een mannenwereld staande moesten houden nog ruimte voor zachtheid? Voor zoiets als de feminine touch? Soms wel, tegen wil en dank, zoals bij de opleiding van Bauhaus, waar vrouwen zogenaamd gelijkwaardig werden behandeld maar in de praktijk vooral naar de ‘vrouwelijke’ vakken als weven werden doorgeschoven. Maar daar hebben we Balasjova weer! In een YouTube-video (niet op de tentoonstelling te zien) vertelt een kenner van haar werk dat ze de enige was die na de ruimtereizen met de astronauten sprak over de ruimtecapsule en hoe die van binnen beter kon. En ze gaf hen kleine, zelfgeschilderde aquarellen mee van vertrouwde Russische taferelen als een besneeuwd landschap, of een gezicht op Moskou. Dan hadden ze daar, in die onmetelijke leegte boven ons, nog iets wat hen verbond met thuis.

Here We Are! Women in Design 1900 - Today, t/m 6 maart in het Vitra Design Museum, Weil am Rhein (bij Basel).