Vier eeuwen dood, en toch zal Sweelinck, de grootste componist van Nederland, ook ons overleven

De mens Jan Pieterszoon Sweelinck hult zich in nevels. Als katholiek componist moest hij zich zien te redden in protestants Amsterdam. Hij werd de grootste componist die Nederland voortbracht.

Portret naar een ets van de componist en organist Jan Pieterszoon Sweelinck. Zonder plaats en datum
Portret naar een ets van de componist en organist Jan Pieterszoon Sweelinck. Zonder plaats en datum Collectie Rijksmuseum

Welke man schuilt er achter de grootste Nederlands componist, Jan Pieterszoon Sweelinck? Vierhonderd jaar na zijn dood gingen klavecinist en organist Tineke Steenbrink (44) en journalist Botte Jellema op zoek voor hun podcast Sweelinck Nu voor Radio4. „Het mondde uit in een speurtocht naar iets wat er niet is, het najagen van een schim,” verzuchtte Tineke Steenbrink.

Haar vakgenoot – en Sweelinck-biograaf – Pieter Dirksen (60) en zanger Harry van der Kamp (74) probeerden hetzelfde. Hun studies naar het raadselachtige genie beslaan inmiddels bijna een halve eeuw. En soms ontdekken ze weer iets, een snipper over de componist, in wiens leven de Tachtigjarige Oorlog tussen het katholieke Spanje en het ontluikende Nederlandse calvinisme diepe voren trok. In die tijd vonden velen het beter om onzichtbaar te blijven. Een raad die Sweelinck ter harte lijkt te hebben genomen.

„Er bestaat geen enkel document waarin hij wordt berispt”, vertelt Dirksen. „Dat blijft opmerkelijk voor een man, die vermoedelijk katholiek bleef in een periode dat protestanten hun macht probeerden te bestendigen. Kennelijk bewonderde iedereen hem en laveerde Sweelinck slim tussen alle religieuze ruzies door.” „Sterker nog, ik denk dat hij die tegengestelde krachten wilde verzoenen”, zegt Jacob Lekkerkerker (46).

Mild en vastberaden

Jan Pieterszoon Sweelinck werd geboren in Deventer. Over zijn geboortejaar wordt nog steeds getwist, al denkt Dirksen inmiddels zeker te weten dat het 1561 is. Drie jaar later verhuisde het gezin naar Amsterdam, waar zijn vader de baan kreeg als organist van de belangrijkste stadskerk, de katholieke Sint Nicolaas.

Als vijfjarige kleuter was Sweelinck getuige van de beeldenstorm. Zijn vader stierf zes jaar daarna, en rond zijn zestiende kreeg de jonge organist een vaste aanstelling in de kerk van zijn vader; toen nog een katholiek bastion. Maar de religieuze wisselkoersen schommelden voortdurend. Vijf jaar later moest het geïsoleerde Amsterdam de macht overdragen aan de protestanten. Die wilden aanvankelijk de kerkorgels afbreken, maar het stadsbestuur voorkwam dit. Amsterdam besloot Sweelinck te betalen, want de nieuwe religie stond geen instrumenten toe tijdens de dienst. Alleen vooraf moest het orgel even de psalmmelodieën in de oren van de gelovigen masseren en na afloop mocht Sweelinck de gemeente met zijn improvisaties uitgeleide doen.

„Dat onbegeleid eenstemmig psalmzingen heeft er hier wel ingehakt”, vindt Steenbrink. „Het moet niet om aan te horen zijn geweest: die paar duizend mensen die op de toppen van hun longen het geloof ‘uitzongen’.”

„Ik vermoed dat zodra de zang begon Sweelinck de kerk ontvluchtte om het gekrijs niet te hoeven horen”, grijnst Dirksen.

„Wanneer buitenlandse musici zondags een Nederlandse kerk binnenlopen, zijn ze verbijsterd over dat stemmengeweld, daar is nog niet veel veranderd”, zegt Lekkerkerker.

Een paar ruimtes verderop hangt het portret van Sweelinck, geschilderd door zijn jongere broer Gerrit in 1606, het geboortejaar van Rembrandt. „Daarop zie ik een zachtmoedige maar vastbesloten man die heeft gedaan wat hij wilde doen, door al het religieuze geweld van zijn tijd heen”, zegt Van der Kamp.

Lekkerkerker beaamt dit vermoeden: „Ik probeerde op basis van zo’n schilderij een beeld te vormen. Dan zag ik op de kansel de jonge en briljante theoloog Arminius die betoogde dat de vrije wil een rol speelt in het zielenheil van de mens. Sweelinck kwam hier elke dag, hij was getuige van die debatten. Wie toont dat schilderij me? Iemand die hier veertig jaar lang elke dag was.”

„Sweelinck bewoog mee met het religieuze en politieke tij”, zegt Steenbrink. „Wat dat betreft is er niet veel veranderd. Wij, musici, polariseren niet, maar zoeken verbinding. Dat verlangen zit ook in dat portret.”

„Dat schilderij is heel bijzonder”, vindt Dirksen. „Zo levend. Ik heb het gevoel dat ik hem echt kan zien. Ik zie een humane man met een grote uitstraling. Het beeld weerspiegelt zijn muziek, die menselijk en allesomvattend is.”

Tineke Steenbrink
Jacob Lekkerkerker
Pieter Dirksen
Harry van der Kamp

Sweelinck zweeg

Sweelincks levenswerk was de verklanking van alle honderdvijftig psalmen uit het Geneefse psalter. Van der Kamp legde ze allemaal vast met zijn Gesualdo Consort Amsterdam in het indrukwekkende Sweelinck Monument. In zijn ogen probeerde de componist hiermee religieuze scherpslijpers te verzoenen tijdens het twaalfjarige bestand met de Spanjaarden, toen de buitenlandse vijand even achter de horizon verdween, maar binnenlandse godsdienststrijd des te hoger opliep.

„Hij wilde boven het gekrakeel staan”, denkt Van der Kamp. „Zijn psalmen moesten een leidraad zijn voor iedereen, een brug slaan tussen de gezworen tegenstanders. Maar zoveel macht bezat de muziek niet tot zijn verdriet en frustratie. Zijn laatste psalmboeken en cantiones zijn nog verschenen, maar zonder het gebruikelijke voorwoord van de componist. Sweelinck zweeg. Tekenend, vind ik.”

Dirksen: „Nederland kookte toen over. Die pech had Sweelinck. Het geraas bleek tijdelijk, maar dat kon hij niet weten. Pas een jaar na zijn dood koelde Amsterdam weer af.”

Alle vier kenden ze vroeg of laat hun eigen Sweelinck-moment, het tijdstip dat diens muziek zich voorgoed in hen nestelde. Steenbrink overkwam het op haar elfde bij orgelles met de variaties over Onder een linde groen. „De muziek liet me niet meer los.”

Ook Dirksen was nog een jonge tiener toen hij Sweelinck hoorde op een van de eerste platen van klavecinist Ton Koopman. „Die stukken waren overdonderend anders dan alles wat ik kende. De magie ervan. Ik ben meteen bij mijn ouders gaan zeuren om die blauwe Sweelinck-banden met zijn klavierwerken. En daarna ging ik als een gek zijn klavierwerken studeren.”

Lekkerkerker had er wat langer voor nodig. „Ik wist niet goed wat ik ermee moest, totdat de Sweelinck Cantorij op een goede dag hier in een kerkdienst zong met een trombonist die de melodie speelde. Plots begon de klank te leven, die golfde door de ruimte als een oneindige zee van inspiratie.”

Bij Van der Kamp kwam Sweelincks werk „binnendruppelen”. Hij zong het voor het eerst vijftig jaar geleden bij kerkmusicus en dirigent Jan Boeke. „We deden Psalm 42, ’t Hijgend hert, der jacht ontkomen. Prachtig. Boeke was van de verkondiging, die vond dat je zo’n tekst moest zingen alsof je leven ervan afhing.”

In de jaarlijkse Top400 van Radio4, die komende week weer te horen is, was Sweelinck vorig jaar – als grootste Nederlandse componist – terug te vinden op plek 196 met zijn honderdvijftig psalmen. Hoogst genoteerde landgenoot bleek Simeon ten Holt op tien met zijn culthit Canto ostinato.

Welk afzonderlijke stuk van Sweelinck bezit ook die potentie?

Mein junges Leben hat ein End”, zegt Dirksen meteen. „Een wereldmelodie, een meesterwerk van eenvoud. Waar hij die vandaan heeft, weten we niet. Sweelinck varieerde meestal op bestaande thema’s. In de Renaissance was uitwerking belangrijker dan uitvinding. Pas zo’n twee, drie eeuwen later in de Romantiek kwam de nadruk op originaliteit te liggen.”

„Grappig, ook mijn keus”, knikt Lekkerkerker.

„Geweldig stuk”, zegt Steenbrink. „Ik speel het vaak op bruiloften, als een ironische knipoog naar het huwelijk.”

Van der Kamp kiest voor het lied Susanne un jour. „Veel componisten maakten van dat stuk een bewerking, maar de zijne is de beste. Onlangs zongen we het in Vilnius, waar ze Sweelinck amper kennen. Veel mensen zaten te huilen. En dan denk ik: er is iets met dat stuk.”

„Datzelfde valt me hier in de Oude Kerk op: musici en publiek lopen nog altijd warm voor hem”, beaamt Lekkerkerker. „Zijn muziek kan moeiteloos mee in de traditionele context, maar evengoed in de experimentele. Sweelinck zal ook ons dus wel overleven.”