‘Schuld hebben is het ergste dat je kan gebeuren, had ik geleerd’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week Lizetta Scholte-Kloos (70), die uitjes organiseert voor de bewoners van een Rotterdamse arbeiderswijk.

Foto Walter Herfst

‘Ik ben er een van Noordereiland. Dat was onze wijk, een Rotterdamse arbeiderswijk. Rijke mensen woonden hier niet. Er waren wel veel kleine ondernemingen: slagers, bakkers, groentewinkels. Een snackfabriek, een koekjesfabriek, een lompenfabriek. Op elke hoek zat wel een café. Bij Mientjes kon je een theelepeltje kopen, of een tv. Ik kocht er ooit een snelkookpan. Die was duur. Ik bracht elke week wat ik kon missen. Tot ze zei: ‘Je bent er, hoor.’ Ik ging wel eens uit, in de stad, of in Rotterdam-Zuid. En dan snel weer terug.

„Mijn vader zat in oud ijzer. Hij ging met een soort bakfiets langs de schepen in de haven. In de vakanties ging ik mee, dan zat ik op een juten zak. Later kocht hij een vrachtwagentje.

„De kinderen van het eiland gingen naar de school met de Bijbel of naar de openbare school. Ik ging naar de school met de Bijbel. En daarna werken. Alleen de kinderen van de winkeliers niet, die leerden verder. Ik vond werken leuk. Ik deed het sinds mijn twaalfde. Kocht ik cadeautjes voor mijn moeder en mijn zus. Ik zag een leren tas van 29 gulden in de stad. Ik heb net zolang gespaard tot ik die kon kopen voor mijn moeder.

„We gingen eigenlijk nooit weg. Dat kon ook moeilijk want mijn vader had duiven. We gingen wel eens een dagje uit. Naar de Efteling. Of naar Scheveningen. Mijn moeder kwam uit Den Haag.

„Mijn ouders gingen regelmatig samen een citroenjenevertje drinken in het café. En ik ging dan mee naar café De Blauwe Duif en kreeg chocolademelk. De duivenvereniging vergaderde daar ook. Op Koninginnedag kwam ik daar Bob tegen, een havenarbeider. Ik was vijftien, hij negentien. We zijn nooit meer bij elkaar weggegaan. Het was soms pittig want hij was snel jaloers, maar de liefde overwon altijd. Na een jaartje kwam hij bij ons wonen. We moesten wel apart slapen, natuurlijk.

‘Toen ik negentien was, kwam het huis naast ons vrij. Mijn ouders vonden het tijd dat we op onszelf gingen. Mijn vader heeft helpen schilderen. We hadden weinig geld maar zo voelde het niet. Ik werkte in snackfabriek Roos, ik vouwde loempia’s. Als we krap zaten, nam ik bami of nasi mee. Eitje erbij, goedkope maaltijd. Schuld hadden we nooit. Schuld hebben is het ergste dat je kan gebeuren, had ik geleerd.

„We kregen drie kinderen, een dochter, een zoon en een nakomertje, onze jongste dochter. Een cadeautje. Ik had me aangemeld voor vrijwilligerswerk in het buurthuis. We organiseerden allerlei activiteiten voor de kinderen van het eiland. Elk jaar een groots sinterklaasfeest bijvoorbeeld. Daarvoor mochten we de boot van de Havendienst lenen.

„De moeders van het eiland gunden de kinderen vakantie. Ze kwamen nooit buiten de wijk. Elke zomer gingen we een week ergens heen, naar een plek met een groot kamphuis, vaak naar Oosterhout of Haamstede. De zee, die hadden ze nog nooit gezien. De kinderen wisten niet wat eb en vloed was.

De yuppen hebben geen eilandgevoel. En ze zijn nooit thuis

„Toen de kinderen groot werden, ben ik vakanties voor senioren van het Noordereiland gaan organiseren. Uit Rotterdam-Zuid gingen er ook mee. Zeven nachten weg met de bus, elke dag wat doen, en het mocht niet te veel kosten. Ik zocht altijd naar hotels in een dorp. We zijn in elke provincie wel geweest.

„Kwamen we bij een dorp dan zei ik: ‘er staat een kaaskraam en een viskraam en dat is het wel zo ongeveer. Het is niet zoals bij ons.’ Geweldige tijd hadden ze.

„We gingen altijd een keer naar een museum. Een voorbeeld? Naar het museum voor Valse Kunst in Vledder. Of het museum van Ton Schulten in Ootmarsum. Ze vonden alles mooi. Ik maakte van elke dag een kort reisverslag. Konden ze thuis vertellen wat ze hadden gedaan.

‘We organiseerden het hele jaar door activiteiten. Schilderen, computerles, bingo. Ook een keer een erotische bingo. Niet met dildo’s of zo, hoor. Je kon handboeien met bont winnen.

„Mijn moeder heeft zeventig jaar op het Noordereiland gewoond. De laatste twee jaar was ze er slecht aan toe, maar ze wilde niet weg. Ik heb haar thuis verzorgd. Niemand wil hier weg. Iedereen wil blijven en de kinderen willen hier ook weer een huis als ze volwassen zijn. Mijn kinderen ook.

„Het eiland was van ons, maar nieuwe bewoners werden verwelkomd. Er kwamen veel Portugezen in de jaren zestig. Ook wat Turkse gezinnen. Nooit een probleem. Die mensen leken best op ons. Die kwamen ook gewoon naar het buurthuis.

„De laatste twintig jaar is het eiland veryupt. De yuppen hebben geen eilandgevoel. En ze zijn nooit thuis. Papa én mama moeten de hele week werken voor die hypotheek. De huren zijn nu boven de 1.000 euro per maand. Dat is niet meer voor gewone mensen. Het is wel jammer dat de kinderen van de eilanders hier nu geen huis meer kunnen betalen.”

Aanmeldingen: ditbenik@nrc.nl