Femke Heemskerk ziet zichzelf wel als begeleider van jonge sporters of als coach in het bedrijfsleven.

Foto Olivier Middendorp

Interview

Femke Heemskerk stopt met zwemmen: ‘Ik wilde af van dat stemmetje in mijn hoofd’

Femke Heemskerk, zwemster Nog één zwemwedstrijd en dan is de carrière van Femke Heemskerk voorbij. „Ik heb afgelopen jaar echt een doorbraak bereikt.”

Het was een opvallend moment in Tokio, afgelopen zomer. Femke Heemskerk (34) had voor het eerst in jaren een individuele olympische finale gezwommen – op de 100 meter vrij – en was als zesde geëindigd. Waar ze eerder teleurgesteld gereageerd zou hebben, was ze nu „supertrots”. „Ik zwem mijn allerbeste race in jaren”, zei ze voor de NOS-camera. „Het was leuk geweest als ik brons had gewonnen, maar dat is vooral voor de buitenwereld. Dit was een overwinning op mezelf.”

Daar, in Tokio, zag je de contouren van de nieuwe Heemskerk. Een ontspannen sportvrouw die voor zichzelf opkomt en luistert naar haar lichaam. De aankondiging, vorige week, dat zij stopt met professioneel zwemmen, moet je in dat licht zien. Het „voelde af”, zei ze. Dan kun je wel doorgaan, maar je kunt jezelf ook serieus nemen. En dus is de International Swimming League (11-28 november) het sluitstuk van haar twintig jaar lange loopbaan.

Van de ‘golden girls’ – Ranomi Kromowidjojo, Inge Dekker, Marleen Veldhuis en Heemskerk – zal straks alleen de eerste nog actief zijn. Vier jaar lang bleef het kwartet mondiaal ongeslagen op de 4x100 meter vrije slag. In die periode werden ze olympisch, wereld- en Europees kampioen. In 2008 zwommen ze een wereldrecord dat zes jaar lang bleef staan.

Wanneer dacht je: het is mooi geweest?

„Dat besef kwam geleidelijk. Ik heb meerdere keren gedacht: ik stop met zwemmen. In 2012 en 2016 was ik heel dicht bij dat punt. Maar steeds kwam de twijfel: doe ik er wel goed aan? Ook tijdens de coronaperiode heb ik gedacht: laat de Spelen alsjeblieft niet doorgaan. Ik vond het zwaar alles op eigen kracht te moeten doen. Tokio ging door, maar ik nam mij wel voor na mijn terugkomst te verhuizen van Eindhoven naar Amsterdam. Dat verlangen had ik al veel langer – mijn familie en vrienden wonen daar – maar ik trainde nu eenmaal met Marcel Wouda in het Nationaal Trainingscentrum in Eindhoven.”

Hakte je met het besluit te verhuizen niet eigenlijk al de knoop door om een punt achter je carrière te zetten?

„Ik zei tegen mezelf: wat er ook gebeurt, ik ga wonen waar ik wil en daarna kijk ik wat ik met zwemmen wil doen. Toch heb ik het nog heel lang laten sudderen, hoor. Eind augustus had ik een oriënterend gesprek met Mark Faber [bondscoach van de topzwemmers]. Voor het geval we zouden gaan samenwerken, wilde ik hem een paar directe vragen stellen. Geloofde hij nog in mij als zwemster? Vond hij me niet te oud? ‘Ik geloof zeker in je’, zei Mark. ‘Maar je moet goed voor jezelf bepalen wat je nog wil.’ Vervolgens ben ik naar Napels gegaan voor twee wedstrijden. Ik besefte dat ik het niet heel erg zou gaan missen als het de laatste keer was. Zwemmen is twintig jaar leidend geweest in mijn leven. Het zat in mijn voor- en achterhoofd. Om op hoog niveau te blijven zwemmen moest de sport leidend blijven, en dat wilde ik niet meer. Ik wilde af van dat stemmetje in mijn hoofd: je mag dit niet en dat niet, want morgen moet je trainen.”

Kun je je een leven zonder zwemmen voorstellen?

„Ja, toch wel. Als de Nederlandse ploeg naar een WK gaat, ga ik het vast weleens moeilijk krijgen. Zwemmen is zó lang deel van mijn leven geweest. Maar het komt vast goed, want ik sta volledig achter mijn besluit. Het enige wat het spannend maakt: vind ik iets wat ik net zo leuk of leuker vind dan het zwemmen? Want zwemmen heeft wel heel erg mijn leven verrijkt.

„Typerend vind ik trouwens dat andere mensen vaak bezorgd reageren op mijn besluit. Er zijn heus wel mensen die blij voor me zijn, maar ik heb de afgelopen week ook geregeld het woord ‘sterkte’ voorbij horen komen. Vanmorgen in het zwembad stapte er voor het eerst iemand op me af die me feliciteerde met mijn besluit. Dat vond ik heel fijn en het voelde ook passend.”

Vlak voor de pandemie heb je de opleiding Master in Coaching aan het Johan Cruyff Institute afgerond. Zien we je terug als coach?

„Ik zou dat heel erg leuk vinden. Niet elke dag langs de badrand – want dan voelt het weer alsof ik een korset draag – maar het begeleiden van jonge sporters trekt mij wel. Of coaching in het bedrijfsleven. Zolang ik maar verbinding kan maken. Tijdens de opleiding heb ik geoefend met luisteren, open vragen stellen en niet altijd mijn eigen ervaringen ter sprake te brengen als coach.”

Ze noemt de tien maanden lange opleiding „life changing”. Ze zat in een klas met sportcoaches, politieagenten, scheidsrechters en ondernemers en leerde er dingen over zichzelf waar ze anders niet zo snel achter was gekomen. „Dat ik bang was voor confrontaties, en dat ik het moeilijk vond mensen teleur te stellen. Ik heb daar echt geleerd om me uit te spreken.” Wat ze in de opleiding ook ontdekte is dat ze erg streng is voor zichzelf, en dat ze het leven lichter kan maken door zich te richten op uitdagingen in plaats van uitkomsten. Die manier van denken heeft haar erg geholpen.

Het hielp haar ook in haar contact met coach Marcel Wouda. Ze zaten dit jaar op vaste momenten in de week samen om te bespreken waar zij moeite mee had en waar ze over piekerde. „Dat gaf lucht. Ik ben gewend alles zelf op te lossen. Nu stel ik zaken eerder aan de kaak en ga ik confrontaties minder uit de weg. Al ben ik nog steeds van het harmoniemodel, hoor, dat zit nu eenmaal in mijn karakter.”

Heb je de lessen uit je opleiding ook in het zwemmen kunnen incorporeren?

„Ik ben een gever, die denkt en handelt in het teambelang. Daarom ben ik waarschijnlijk ook zo goed in de estafette. Maar kon ik wat ik gaf ook aan mezelf geven? Kon ik een teamplayer zijn naar mezelf? Dat is een ingewikkeld psychologisch proces, maar ik denk dat ik daar door mijn opleiding wel beter in ben geworden, ook als zwemster. Ik maak mij niet meer kleiner dan mijn concurrenten. Dat Sarah Sjöström bijvoorbeeld een sterk eindschot heeft, weet ik al langer. Vroeger zou ik bijna wachten tot ze me kwam inhalen, nu geloof ik dat ik zelf ook goed genoeg ben om te winnen.”

Afgelopen zomer vertelde je in een interview dat je privé door een turbulente periode bent gegaan, zonder daar verder over uit te weiden.

„Mijn man en ik zijn in april uit elkaar gegaan. Dat was heel verdrietig. Een vriendin zei laatst: ‘Jij hebt straks niet één scheiding achter de rug, maar drie: je partner, je huis en je baan. Dat is niet mis natuurlijk, maar ik ben blij te melden dat ik inmiddels een nieuwe partner heb, met wie ik heel gelukkig ben. Het klinkt wat overdreven, maar ik heb afgelopen jaar echt een doorbraak bereikt. Alles komt meer samen, ik begrijp mezelf beter.”

Verklaart dat ook waarom je die zesde plek in Tokio als een overwinning op jezelf zag? Je was niet alleen trots op je race, maar ook trots op je innerlijke zoektocht?

„Ik zie dat als twee verschillende dingen. Ik wilde me vrij voelen achter het startblok. Daar heb ik heel lang aan gewerkt. Ik ben perfectionistisch, daarmee legde ik veel druk op mezelf. Ik was te veel met de uitkomst bezig. In Tokio viel dat van me af. En dát op het allerhoogste niveau waar de druk het grootst is.”

Waar zie je het meest naar uit als je straks zwemmer-af bent?

„Ik zie uit naar verdieping. Ik wil mijn nichtjes en neefjes vaker zien. Ik wil het kindje van mijn beste vriendin zien opgroeien. Ik heb zó veel dingen voor het zwemmen moeten laten. Geen glaasje wijn bij het eten, vroeg naar bed, geen feestjes.”

En straks heb je vast meer tijd voor je nieuwe liefde.

„Ook dat. Absoluut. Vanzelfsprekend.”