Opinie

De zondvloedmens was een salamander

Gemma Venhuizen

In het biologielokaal van mijn middelbare school hing het afgietsel van een fossiel. Een schedel met een kronkelige ruggengraat eronder: Homo diluvii testis et theoskopos. „Hij die getuige is geweest van de zondvloed en God heeft gezien”, vertaalde mijn biologieleraar. Niet dat hij dat geloofde. Integendeel: de zondvloedmens hing aan de muur om ons over evolutie te onderwijzen.

In 1726 had de Zwitserse arts Johann Jakob Scheuchzer faam verworven met het fossiel. Hij zag er het gelijk in van de Bijbel. Maar niet iedereen was overtuigd. In 1811 kreeg de Franse bioloog Georges Cuvier toestemming van het Haarlemse Teylers Museum om de zondvloedmens, deel van de collectie, nader te bestuderen. Bij de preparatie kwamen er twee kleine voorpootjes tevoorschijn. Homo diluvii bleek een uitgestorven reuzensalamander van ruim 5 miljoen jaar oud.

Die anekdote wekte mijn interesse in de paleontologie, en daarmee in de evolutieleer en biodiversiteit. Zo zorgde de zondvloedmens ervoor dat ik aardwetenschappen ging studeren en biologieredacteur werd. Hoe was dat gegaan zonder bevlogen leraar, in een kaler lokaal? Dat ons Malmberg-lesboek voor dezelfde inspiratie zou hebben gezorgd, betwijfel ik. Dit weekend stond in NRC een onthullend stuk over censuur door schoolboekuitgeverijen. Daarin werd ook een richtlijnenlijst afgedrukt van Malmberg, met ‘discutabele theorieën’: evolutie, astrologie, horoscopen, waarzeggen, toveren, new age.

Die censuur is shockerend op zichzelf. Maar even zorgwekkend zijn de gevolgen voor onze maatschappij, en onze planeet. Deze week vindt in het Chinese Kunming de digitale aftrap van de VN-top over biodiversiteit plaats. Een overleg waar afgezanten vanuit de hele wereld samenkomen om de toekomst van de natuur te bespreken: hoe kunnen we de soortenrijkdom behouden en het uitsterven een halt toeroepen?

Aan de basis van geslaagd biodiversiteitsoverleg ligt goed biologieonderwijs. Lessen én boeken die tot doorleren uitnodigen. Als mijn loopbaan anders was gelopen, had dat de wereld weinig uitgemaakt. Maar zonder bevlogen ecologen zou niemand het belang kennen van soortenrijkdom of weten van de grootschalige extinctie die gaande is.

Wat de evolutieleer daarmee te maken heeft? Het was Georges Cuvier die in 1796 als eerste vaststelde dát soorten überhaupt kunnen uitsterven. Dat deed hij aan de hand van de schedel van een mosasaurus, een prehistorisch zeereptiel. Het fossiel was gevonden in de Limburgse mergelgroeven, maar door de Fransen buitgemaakt in ruil voor wat flessen wijn. Nu prijkt het in het natuurhistorisch museum van Parijs.

Een andere mosasaurus is wél te zien in het Teylers Museum, net als de Homo diluvii testis. Het is te hopen dat de mens zich doorontwikkelt tot een variant daarvan, die ik in potjeslatijn Homo diversitatis testis et photoskopos doop. Hij die getuige is geweest van de diversiteit en het licht heeft gezien.

Gemma Venhuizen is biologieredacteur bij NRC en schrijft elke woensdag een column op deze plek.