Necrologie

Theatermaker Jan Ritsema overleden: ‘half mecenas, half wijze uit het oosten’

Theatermaker Schrijver haalt herinneringen op aan de afgelopen zondag overleden theatermaker, uitgever, agent en zijn vriend Jan Ritsema. „Hij was een van de weinige mensen die veel van mijn geheimen kende.”

Theatermaker Jan Ritsema stond aan de basis van onder meer de International Theatre Bookshop en het Franse PerformingArtsForum (PAF).
Theatermaker Jan Ritsema stond aan de basis van onder meer de International Theatre Bookshop en het Franse PerformingArtsForum (PAF). Foto Maurice Boyer

De eerste brief die ik aan Jan Ritsema (1945-2021) schreef, dateert van 25 februari 1991. De eerste regels van die brief luidden: ‘Ons gesprek van verleden week in Scheltema heeft mij met de neus op de feiten gedrukt, of was althans de katalysator daarvoor. Dat mijn tekstjes emotionele interrupties zouden zijn gaat nog niet ver genoeg, afscheidingen van een zieke zijn het. En was die ziekte nog maar iets verhevens…’

Ritsema was toen net weg bij Toneelgroep Amsterdam, waar hij korte tijd samen met Gerardjan Rijnders artistiek leider was geweest – na wat minder positief ontvangen voorstellingen, waaronder Edward II van Christopher Marlowe, moest hij vertrekken.

Hij hield niet op met regisseren, bijvoorbeeld bij het Kaaitheater in Brussel, maar ook begon hij een uitgeverij, Rothschild & Bach. Hij had al de theaterboekwinkel in de Amsterdamse Stadsschouwburg, een boekhandel die tevens uitgeverij was gespecialiseerd in theaterteksten, nu wilde hij ook andersoortige literatuur uitgeven.

Eind jaren tachtig had Jan me een rol gegeven in een toneelstuk voor kinderen, geproduceerd door Huis aan de Amstel, de eerste keer dat ik betaald zou worden voor toneelwerk. Begin jaren negentig stelde hij me aan als zetter en manusje-van-alles in zijn theaterboekuitgeverij. Zo heb ik de verzamelde toneelteksten van Judith Herzberg helpen zetten.

Toen ik Ritsema mijn eerste eigen teksten liet lezen reageerde hij kritisch – bijna niemand nam mijn teksten serieus in die tijd, hij wel – maar over het toneelstuk De dagen van Leopold Mangelmann was hij enthousiast, het verscheen in 1993 bij Rothschild & Bach.

Vlak voor mijn debuutroman, Blauwe maandagen (1994) zou uitkomen, kwam ik hem tegen in de buurt van het Stedelijk. Hij zei: ‘Het zou aardig zijn als dat boek goed werd en niet alleen over hoeren ging.’

Onderste uit de kan

Vanaf het verschijnen van die roman was hij niet alleen een vriend, maar ook mijn agent. Daarbij stelde hij zich op het standpunt dat schrijvers en kunstenaars op charmante wijze het onderste uit de kan moesten halen, omdat ze nooit wisten wanneer ‘het’ ophield.

In 2005 kocht hij in Noord-Frankrijk een opvanghuis voor ongehuwde zwangere vrouwen en transformeerde dat tot licht anarchistisch verblijf voor kunstenaars, wetenschappers en alles daartussenin. Hij noemde het PAF, (Performing Arts Forum). Zelf waarde hij bij voorkeur in ochtendjas rond in de gangen en knoopte her en der een gesprek aan met de jeugd. Half mecenas, half wijze uit het oosten.

In 2019 noemde hij zichzelf in een e-mail aan mij een jager die van het jagen was genezen. Jan was vrijwel voortdurend verliefd en kon daar zeer lyrisch over spreken, waardoor we weleens ruzie hadden. Ik betwijfelde, met name als jongeman, of de liefde zoveel lyriek verdiende.

Hij was een van de weinige mensen die veel van mijn geheimen kende.

Als de mensen sterven die je geheimen kennen begint een geheel nieuw soort eenzaamheid.