Wielerjaar 2021 markeert de terugkeer van de succesvolle allrounder

Wielrennen De beste wielrenners van 2021 blonken uit in uiteenlopende koersen. „Als ze aan de start staan, komen ze niet om te trainen.”

De finish van Parijs-Roubaix (links) en een afdaling tijdens de Ronde van Lombardije.
De finish van Parijs-Roubaix (links) en een afdaling tijdens de Ronde van Lombardije. Foto’s AP, AFP

Hij weet het al, op meer dan twintig meter van de streep. Tadej Pogacar is op de trappers gaan staan, heeft zijn sprint ingezet en kijkt dan over zijn schouder om te zien dat medevluchter Fausto Masnada hem niet meer in gaat halen. De handen kunnen in de lucht, de winst in ‘de koers van de vallende bladeren’, de Ronde van Lombardije, is binnen.

De zege van Pogacar van afgelopen zaterdag is indrukwekkend, en niet alleen vanwege zijn beslissende demarrage op 35 kilometer van de streep. Qua statistieken is het bijzonder dat de Sloveen bij zijn debuut de klassieker wint, nadat hij eerder dit jaar al Luik-Bastenaken-Luik had gewonnen. Het is zijn dertiende zege van het seizoen, en na Fausto Coppi en Eddy Merckx is Pogacar pas de derde renner die de Tour de France en twee ‘monumenten’ in hetzelfde jaar wint. En hij is pas 23 jaar.

De dominantie van Pogacar staat niet op zichzelf. Werp een snelle blik op het wielerjaar 2021 en het lijkt alsof de koers is gedomineerd door een handjevol renners. Vijf van hen – Pogacar, Primoz Roglic, Wout van Aert, Mathieu van der Poel en Julian Alaphilippe – wonnen volgens ProCyclingStats dit jaar liefst 51 koersen, etappes en klassementen. Wat opvalt zijn de uiteenlopende wedstrijden die zij hebben gewonnen: van monumentale klassiekers tot grote rondes en van de olympische tijdrit tot het WK op de weg, bergetappes en massasprints.

Ook in de categorie net onder deze uitzonderlijke veelwinnaars zijn voorbeelden te vinden van renners die dit jaar in verschillende wedstrijden goed waren. Neem de Italiaanse sprinter Sonny Colbrelli, die Parijs-Roubaix wint en derde wordt in een loodzware bergetappe in de Tour. Of Thomas Pidcock die de Brabantse Pijl pakt, met een paar millimeter verschil tweede wordt in de Amstel Gold Race en zich in Japan tot olympisch kampioen mountainbike laat kronen.

Na een lange periode waarin renners zich specialiseerden in het tijdrijden, in het sprinten, in kasseien rijden of in het klimmen om te kunnen winnen, lijkt het afgelopen wielerseizoen de terugkeer van de succesvolle allrounder te markeren.

„Nog maar enkele jaren geleden leek het wielrennen de kant op te gaan van specialismes, maar het is helemaal de andere kant op geslagen”, zegt Peter Zijerveld, oud-renner en gepensioneerd talentcoach van wielerbond KNWU. „Als je vijftien jaar geleden had gezegd dat een voetballer [de Belg Remco Evenepoel] op zijn negentiende zou gaan winnen bij de wielerprofs en een schansspringer [Roglic] de beste zou zijn in de Vuelta, dan hadden ze je voor gek verklaard. Maar dat is het mooie van deze sport, het blijft onvoorspelbaar.”

Meer trainen, minder koersen

Toch berust de verschuiving in het wielrennen niet helemaal op toeval of op de opkomst van een aantal renners met zeer veel talent. Er is wel degelijk iets veranderd in het wielrennen zelf, zegt Grischa Niermann, ploegleider van Jumbo-Visma en oud-renner. „Je ziet dat er een shift gaande is. In mijn tijd werden veel meer koersen gereden: soms zaten renners wel honderd dagen per jaar op de fiets. Dat is nu veel minder.”

Geen van de grote namen van het huidige wielrennen staat in de top-200 van meest koersende renners van 2021, waarin de Italiaan Cesare Benedetti met negentig koersdagen bovenaan staat. Nederlandse renners als Danny van Poppel (84) en Bauke Mollema (81) staan ook hoog in de lijst, die wordt afgesloten door een groepje renners met 66 koersdagen.

Wout van Aert en Mathieu van der Poel hebben minder dan vijftig wedstrijddagen achter de rug, zegt Niermann. „Daardoor hebben ze meer ruimte om zich op uiteenlopende koersen voor te bereiden. En als ze dan aan de start staan, komen ze niet om te trainen. Dan willen ze goed zijn. Met hun talent kunnen ze alles winnen.”

Het peloton tijdens een afdaling in de Ronde van Lombardije. Foto Marco Bertorello/AFP

Wedstrijden rijden was lang de manier om in topvorm te geraken voor veel renners. Tegenwoordig nemen toppers als Roglic en Pogacar weken vrij en bereiden ze zich louter via hoogtestages voor op bijvoorbeeld een grote ronde. Door de nog altijd toenemende professionalisering van de sport kunnen renners hun vormpeil ook opkrikken door goed en gericht te trainen, zegt Steve Benton, trainer bij Team DSM. Het grote voordeel daarvan is dat je controle hebt over de omstandigheden. Wedstrijdrisico’s als valpartijen kunnen dan voorkomen worden.

Bij het trainen spelen data een belangrijke rol, zegt Benton „Doordat we veel data verzamelen, kunnen we betere beslissingen nemen over hoe we renners moeten laten trainen.” Trainingsuitslagen kunnen onvermoede kwaliteiten van renners aantonen, zoals dat een renner niet alleen goed kan klimmen maar ook kan tijdrijden. Dan wordt hij gestimuleerd daarop te gaan trainen, zegt Benton. „En omdat wij veel beter weten waar hun limieten liggen, weten we ook precies hoe diep we renners kunnen laten gaan. Dat is vaak dieper dan ze denken.”

Langlaufkampioen

Begin deze eeuw begon de KNWU een multidisciplinaire aanpak bij de opleiding van wielertalenten. De jonge renners krijgen sindsdien de kans op de baan, op de weg en in het veld te fietsen. Doel is zo hun talenten te ontdekken, zegt oud-talentcoach Peter Zijerveld. „Als je ze vroeg in een keurslijf drukt, kunnen ze zich niet volledig ontplooien. Juist door die kruisbestuiving krijg je betere renners die meer allround zijn.”

Nederland is in die manier van opleiden uniek, volgens Zijerveld. Maar het beoefenen van verschillende disciplines en zelfs verschillende sporten is ook door de opkomst van veldrijders als Van der Poel en Van Aert en schansspringer Roglic populairder geworden, ziet Niermann van Jumbo-Visma. „Vroeger was dat echt not done. Het werd gezien als bedreiging voor het wegwielrennen. Nu hebben we met Johannes Staune-Mittet een voormalige Noorse juniorenkampioen langlaufen in ons team zitten.”

Een nieuwe generatie renners neemt dus die veelzijdigheid mee in het huidige profpeloton. En daarin jutten ze elkaar op, zegt Zijerveld. „Ze kijken naar elkaar, nemen dingen van elkaar over en stuwen elkaar naar een hoger niveau. Het is een soort groepsgedrag waarin ze één ding met elkaar gemeen hebben: ze willen de allerbeste zijn.”