Dankzij de toen heersende wind konden de Vikingen de Azoren bereiken

Vroege Middeleeuwen Alleen poepmoleculen, roetdeeltjes en muizen-dna getuigen nog van de vroege bewoning van de Azoren, vanaf de achtste eeuw.

Noormannen kwamen eerder dan Portugezen
Noormannen kwamen eerder dan Portugezen

Wie bracht al rond het jaar 800 vee naar de Azoren? Wie stak daar rond 850 grote vuren aan? En welke mensen lieten in een meertje op de Azoren menselijke poepmoleculen achter die stammen uit de elfde eeuw?

Al deze vragen worden opgeworpen in een bijzonder uitvoerig onderzoek van het sediment in vijf zoetwatermeren op vijf eilanden van de Azoren. Deze archipel ligt midden in de Atlantische Oceaan, 1.500 km ten westen van Portugal en 2.000 km ten zuidoosten van het Canadese Newfoundland, het meest oostelijke puntje van Noord-Amerika.

In de vijftiende eeuw werden de eilanden gekoloniseerd door Portugese ontdekkingsreizigers en nog altijd vormen ze onderdeel van dat land. Volgens de Portugese geschriften uit de vijftiende eeuw waren de Azoren toen onbewoond en bedekt met een dicht bos, maar het sedimentonderzoek dat deze week door een groot internationaal team gepubliceerd wordt in de PNAS komt nu dus tot heel andere conclusies. Mede op grond van analyse van de heersende Atlantische winden in de vroege Middeleeuwen komen de onderzoekers, onder leiding van Pedro Raposeiro (Universiteit van de Azoren), tot het zeer sterke vermoeden dat die vroege bewoners van de Azoren Noormannen moeten zijn geweest, de enige zeevaarders uit het Atlantische gebied die toen in staat waren tot verre oceaanvaarten.

IJslandse literatuur

In de IJslandse literatuur is veel terug te vinden over vikingreizen naar IJsland in de negende eeuw en naar Groenland en Newfoundland in de tiende en elfde eeuw, maar over kolonisatie van zuidelijkere Atlantische gebieden als de Azoren is voor zo ver bekend nooit iets opgeschreven.

Toch is er sinds 2014 een directe middeleeuwse link bekend tussen Scandinavië en de Azoren, ook al betreft die in principe slechts het dna van muizen – een soort die niet oorspronkelijk op het eiland voorkomt en er dus met schepen moet zijn beland. In het dna van de muizen die nu op de Azoren leven is namelijk duidelijk te zien dat hun oorsprong in Zuid-Europa ligt, maar óók is er onmiskenbaar een signaal in het muizen-dna te vinden dat erop wijst dat ze ook voorouders uit Scandinavië hebben die volgens mutatieberekeningen ergens rond 1100 op de Azoren moeten zijn aangekomen.

Dat er voor de Portugezen al bewoning op de Atlantische eilanden moet zijn geweest, werd al eerder afgeleid uit de vondst van ongeveer duizend jaar oude muizenbotjes op het eiland Madeira (dat geen onderdeel van de Azoren is, maar wel ‘in de buurt’ ligt, op 500 km ten zuidoosten, richting Afrikaanse kust). Ook was er altijd al het intrigerende feit dat de Azoren al voor hun ‘officiële ontdekking’ door Portugese zeevaarders tussen 1425 en 1452, te vinden waren op tal van kaarten uit het einde van de veertiende eeuw. Zelfs wordt er wel eens een verband gelegd tussen de naam van Madeira (Portugees voor hout) en het Markland (‘bosland’) uit de Noorse literatuur over de exploratie van Noord-Amerika. Zonder twijfel lag dat Markland ergens in Amerika, maar mogelijk heeft de naam in de veertiende eeuw invloed gehad op de Italiaanse naamgevers van het eiland. De oudste vermelding uit 1351, in een Italiaanse atlas, is Isola de lo legname (houteiland). Voor ontmoetingen met mogelijk Noors sprekende eilandbewoners op Madeira is overigens geen enkele bron.

Gelaagdheid

Met al deze vermoedens en speculaties vormt de zeer gedetailleerde moleculaire analyse van sedimenten in meertjes op de Azoren een welkome versterking van de ideeën over pre-Portugese bewoning van de Azoren. Door de gelaagdheid van de sedimenten zijn de vondsten van organische moleculen, roetdeeltjes en pollen vrij goed te dateren.

Het eerste teken van menselijke betreding is de verschijning van het organische poepmolecuul 5B-stigmastanol rond het jaar 700 in het Peixinho-meertje op het eiland Pico en rond 850 in het Caldeirão-meer op Corvo – een direct bewijs voor de aanwezigheid van rundvee, schapen of geiten. Het is niet duidelijk of de aanwezigheid van vee – en de mensen die het naar de eilanden brachten – direct continu was, maar in ieder geval vanaf de tiende eeuw vormt dit veepoepmolecuul een permanente aanwezigheid in het meersediment.

In die tijd verschijnen er in het sediment ook duidelijke aanwijzingen dat de bewoners bosbranden stichten om weides te creëren: sterke toename van roetdeeltjes en graspollen, bij een afname van boom-pollen. In de elfde eeuw duikt dan in het sediment van het Peixinho-meer en later ook van het Azul-meer op São Michel het coprostanol-molecuul op: een stof die heel veel voorkomt in menselijke poep, en daarom volgens de onderzoekers een zeer duidelijke aanwijzing vormt voor menselijke aanwezigheid. Ze geven overigens toe dat coprostanol ook voorkomt in de poep van andere alleseters. In de vijftiende eeuw is de komst van de Portugezen ook goed af te lezen in het sediment: nog meer bosbranden, nog meer gras en nog meer poepmoleculen.