De derde Nederlandse winnaar van de Nobelprijs voor de Economie gebruikt de geschiedenis als experiment

Nobelprijs Economie Als derde Nederlander ooit won Guido Imbens maandag samen met twee collega’s de hoogste onderscheiding voor economen. Hun ‘natuurlijke experimenten’ laten onder meer zien hoe de arbeidsmarkt écht werkt.

De Nederlandse Amerikaan Guido Imbens kreeg maandag samen met de Canadees-Amerikaan David Card en de Amerikaan Joshua Angrist de Nobelpijs voor de Economie.
De Nederlandse Amerikaan Guido Imbens kreeg maandag samen met de Canadees-Amerikaan David Card en de Amerikaan Joshua Angrist de Nobelpijs voor de Economie. Foto Stanford University

Loopt de werkloosheid op als je het minimumloon verhoogt? Wat is het effect op de werkloosheid en op de lonen als er opeens veel immigranten een land binnenkomen? Verdienen mensen die een jaar langer op school hebben gezeten dan anderen, later meer geld?

Aan maatschappelijke relevantie ontbreekt het niet in het onderzoek waarvoor drie economen, onder wie een Nederlandse Amerikaan, maandag de Nobelprijs voor de Economie kregen. De Zweedse Koninklijke Academie van Wetenschappen verleende de hoogste onderscheiding voor economisch onderzoek aan de Canadees-Amerikaan David Card, hoogleraar aan de Universiteit van Californië in Berkeley, en aan een duo dat samen onderzoek deed: de Amerikaan Joshua Angrist (Massachusetts Institute of Technology in Cambridge) en de in Eindhoven geboren Guido Imbens (Universiteit van Stanford). Imbens heeft zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit. Hij studeerde economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en promoveerde in de Verenigde Staten. Twee keer eerder wonnen Nederlandse economen de Nobelprijs: in 1969 ging de allereerste Nobelprijs voor de Economie naar Jan Tinbergen, in 1975 werd Tjalling Koopmans onderscheiden.

Centraal in het onderzoek van de winnaars van 2021 staat de zoektocht naar causale verbanden in de ‘echte’ economie: niet de economische theorie, maar de feiten zijn voor hen leidend. Voor economen is het lastig om empirisch onderzoek uit te voeren zoals bijvoorbeeld medische wetenschappers dat doen, met klinisch patiëntenonderzoek. Er bestaan wel vooropgezette experimenten in ontwikkelingseconomie - daarvoor kregen de economen Esther Duflo, Abhijit Banerjee en Michael Kremer in 2019 de Nobelprijs - maar die lenen zich niet voor alle situaties. Card, Angrist en Imbens werken met ‘natuurlijke experimenten’ - ontwikkelingen die gaande zijn of zijn gebeurd, en veel kunnen vertellen over de werking van bijvoorbeeld de arbeidsmarkt.

Cubaanse migranten

Een beroemd voorbeeld: David Card onderzocht het effect op de werkloosheid van verhoging van het minimumloon in fastfoodrestaurants in de staat New Jersey. In de buurstaat Pennsylvania werd dat minimumloon niet verhoogd. Economische modellen zeiden tot dan toe dat een verhoging van het minimumloon een negatief effect had op de werkgelegenheid, omdat werkgevers minder mensen zouden aannemen als die duurder waren. Het is een argument dat door politici in de VS en elders werd - en nog steeds wordt - gebruikt tegen een hoger minimumloon. Card en zijn inmiddels overleden collega Allen Krueger zijn de twee staten gaan vergelijken, in het grensgebied, waar de twee het meest op elkaar lijken. Wat bleek? Het maakt niets uit. Sindsdien hoor je, ook in Nederland, vaker dat het minimumloon best wat omhoog kan zonder dat de werkloosheid meteen omhoog hoeft te schieten.

Ander voorbeeld: Card ontdekte een natuurlijk experiment voor het migrantenvraagstuk. Hij onderzocht de plotselinge toevloed van Cubaanse migranten naar Miami, begin jaren tachtig. Zij ontvluchtten hun vaderland en streken massaal neer in Miami, een gebeurtenis die bekend staat als de Mariel Boatlift. Card ging na wat er de jaren daarna gebeurde met de lonen, met de werkgelegenheid. Anders dan de economische modellen claimden, had de lokale arbeidsmarkt de toevloed prima geabsorbeerd, het leidde niet tot verdringing van banen van de inwoners van Miami.

Ben Vollaard, universitair hoofddocent economie aan de Tilburg University, geeft veel colleges over het werk van de drie laureaten. „Het leuke aan hun werk is dat het empirisch, creatief en beeldend is. Je gaat kijken hoe de wereld eruitziet als je iets heel wezenlijks verandert.” Vollaard legt uit dat je als econoom vaak moeilijk een grootschalig experiment kunt doen in de samenleving om een theorie te toetsen. „Je kunt niet voor de grap 100.000 migranten je land inhalen en kijken wat er gebeurt met de arbeidsmarkt, de inkomens, de huizenprijzen. Dat is vaak onethisch, praktisch onhaalbaar.”

Treinstoring

Het werk van de drie laureaten baseert zich op niet-experimentele gegevens: er zijn in de geschiedenis dingen gebeurd die een experiment dicht benaderen. Vollaard: „Je gebruikt de geschiedenis als laboratorium. Je gaat op zoek naar gebeurtenissen die een experiment benaderen.”

Lees ook dit interview met de Nobelprijswinnaar van 2019, Esther Duflo

Vollaard noemt het „tegendraads” wat de drie doen. „En dat past bij ze. Ze ontkrachten theorieën en ideologieën met geloofwaardige empirische toetsen. Dat leidt tot intense discussies en het er weer bijpakken van de theorie. Het brengt de economische wetenschap verder.”

De ‘natuurlijke experimenten’ roepen wel vragen op. Samenhang (correlatie) tussen gegevens duidt niet per se op een causaal verband, temeer daar de economen de mensen in hun empirische toetsen helemaal niet kennen. Hun motieven bij bepaalde keuzes kennen ze daarom ook niet.

Angrist en Imbens kregen de Nobelprijs omdat ze een raamwerk ontwierpen voor verantwoord gebruik van ‘natuurlijke experimenten’. Daarin bepaalden ze onder meer welke groepen je wel en niet moet meetellen. Vollaard: „Als je het effect wilt onderzoeken van het volgen van colleges op de studieresultaten van studenten, kun je kijken naar wat een treinstoring teweeg brengt. Maar dan moet je niet per ongeluk diegenen meerekenen die toch al niet met de trein naar college gingen.”

Volgens het Nobelcomité wordt het door Angrist en Imbens gebouwde raamwerk breed ingezet door onderzoekers. Ze hebben de „transparantie” en de „geloofwaardigheid” van empirisch onderzoek verhoogd.