Opinie

‘Bikini’ is niet de kern van de democratische rechtsstaat

Onderwijs De overheid kan weinig doen tegen zelfcensuur van uitgeverijen, aldus . Geef de docent meer zeggenschap over lesmethodes.
Schoolboeken bij Van Dijk Educatie in Kampen
Schoolboeken bij Van Dijk Educatie in Kampen Foto Remko de Waal/ANP

Geen bikini’s, geen kermissen, geen vrouwelijke predikanten. NRC beschreef afgelopen week hoe de reformatorische lobby invloed uitoefent op de grote educatieve uitgeverijen. En hoe educatieve uitgeverijen hun best doen om tegemoet te komen aan die kritiek en zelfcensuur toepassen. Het artikel leidde tot veel verontwaardiging en her en der een pleidooi om de methodemakers ook onder staatstoezicht te brengen. Maar wat zou de rol van de overheid dan moeten zijn? Moet er een bikinipolitie komen, die er voor zorgt dat in elke methode vijf bikini’s te zien zijn?

Vorige week publiceerde de Onderwijsraad een advies over botsende grondrechten en de vrijheid van onderwijs. Zij hielden een pleidooi waarin de democratische rechtstaat tot de kern van al het onderwijs – zowel openbaar als bijzonder – moet worden gezien. Buiten die kern zouden scholen hun eigen identiteitsvruchtvlees mogen vormen beperkt door de schil van het strafrecht. Het is in een oogopslag helder dat dit het ‘bikiniprobleem’ niet oplost. Ik wil de bikinikwestie niet onderschatten maar de bikini is geen kern van de democratische rechtsstaat en ook geen strafrechtelijke kwestie. Met de voorstellen van de Onderwijsraad heeft de overheid dus te weinig in handen om tegen de zelfcensuur van uitgeverijen op te treden.

Botsende opvattingen

Wat dan? Als eerste verdient artikel 23 natuurlijk wel een moderniseringsslag. Er zit in ieder geval één weeffoutje in art. 23, namelijk dat het openbaar onderwijs verplicht wordt om religies en (seculiere ) levensbeschouwingen te eerbiedigen, en het bijzonder onderwijs niet. Voor het openbaar onderwijs is het bij elkaar brengen van verschillende ideeën – van boerka tot bikini – de kern van de onderwijsopdracht. Kinderen en jongeren worden binnen een veilige school geleerd om te gaan met botsende opvattingen. Het mag en moet daar knetteren. De grondwet geeft het bijzonder onderwijs geen opdracht om andere opvattingen en levensbeschouwingen te eerbiedigen.

Als dat rechtgetrokken wordt, is het beroep op zelfcensuur bij methodemakers wellicht al minder effectief. Tegelijkertijd is het ook van belang dat de overheid optreedt tegen de huidige marktmacht van methodemakers.

Deze markt heeft alle kenmerken van een oligopolie. De grote commerciële uitgeverijen maken in samenwerking met de onderwijsbestuurders de docent steeds meer tot een ‘methodeslaaf’. Dat terwijl de professionele autonomie van docenten juist de kern is van goed onderwijs. De zeggenschap van docenten over het te geven onderwijs moet het uitgangspunt zijn. Methoden moeten die autonomie bevorderen, bijvoorbeeld door minder allesomvattend te zijn. Laat ze minder dicteren hoe van augustus tot en met juni het vak gegeven moet worden. Docenten die zelf materiaal willen maken moeten daar publiek geld en tijd voor kunnen krijgen.

Voor de overheid is er dus meer dan genoeg te doen. Maak het bij elkaar brengen van verschillende ideeën via de Grondwet voor álle scholen het uitgangspunt en perk de marktmacht van methodenmakers in. Daar zijn kinderen, het onderwijs en de samenleving beter mee gediend dan met een nationale bikinipolitie.