Opinie

Maar was die Kaag-cartoon nu eigenlijk een geslaagde spotprent?

We leven in een beeldcultuur, hoor je vaak, van top tot teen, 24/7 en wieg tot graf zijn we ondergedompeld in foto’s, filmpjes, cartoons, GIF’s en smileys. Hoor het enthousiasme in tv-journaals na een handvol zinnen: „We gaan naar de beelden!”

Maar hoe kan het dan dat we beelden vaak zo slecht begrijpen, of onze kritiek erop alleen in de meest morele termen, of in woedende banvloeken, onder woorden kunnen brengen?

Je vraagt het je af, na de inmiddels gelukkig wat afgekoelde reacties op een recente NRC-cartoon – ja, die – van Ruben L. Oppenheimer. Hij had, op 11 september, een lachende Rutte afgebeeld op de Twin Towers van New York, en D66-leider Kaag op een bezemsteel die op het punt staat de torens in de as te leggen. Walging en verontwaardiging waren het gevolg – vooral over de verbeelding van Kaag als heks of terrorist – zelfs tot op ministersniveau.

Voor het eerst is dat natuurlijk niet. Oppenheimer zelf werd al eens aangeklaagd door advocaat Theo Hiddema – en vrijgesproken. The New York Times stopte met dagelijkse politieke cartoons in de internationale editie, na een karikatuur van de Israëlische premier Netanyahu. Ook de Deense ‘cartoonoorlogen’ en de jihadistische slachtpartij bij Charlie Hebdo laten nog steeds sporen na.

Ook in NRC. In deze rubriek kwam al eens de ‘kannibaal’ langs (een minder geslaagd commentaar op twee gecombineerde nieuwsfeiten: ophef rond een racistische figuur in een pretpark én de dood van George Floyd in de VS). Een cartoon van activist Abou Jahjah, als een wolf in schaapskleren, werd fluks offline gehaald toen er bedenkingen rezen.

Mij staat ook het bezoek bij van een Iraanse delegatie die protest aantekende tegen de cartoon (door Oppenheimer) van een ayatollah met bebloede baard (het was kort na het gewelddadig neerslaan van demonstraties in Teheran). De tegenwerping dat meer landen ervan langs kregen in cartoons, zoals Israël, maakte geen indruk: dát was terecht. Ja, relativeren is ook een kunst.

Langer geleden: in Slijpen aan de geest, John Kroons fraaie kroniek van vijftig jaar NRC Handelsblad, staat te lezen dat tekenaar Frits Müller zich in 1983 de gram van lezers op de hals haalde met een portret van Henry Kissinger. Niet zozeer diens portret was mis, maar het onderschrift van de tekenaar: „Gefrustreerde joodse jongen, verantwoordelijk voor het Midden-Amerika-beleid van de VS” (Latijns-Amerika, met zijn doodseskaders en vuile oorlogen, lag toen vooraan in de Nederlandse publieke belangstelling en morele verontwaardiging).

Een lezer wees me erop dat NRC met die Kissinger-cartoon recidivist was. In 1980 stond op de opiniepagina een afschuwelijk portret van de Amerikaanse oud-diplomaat: een grijnzende en kwijlende Kissinger, die met een blaasbalg de Koude Oorlog aanjoeg. „Jammer dat der Stürmer niet langer uitkomt”, noteerde oud-RIOD-directeur prof. dr. L. de Jong droogjes in een ingezonden brief. De tekening had er een „ereplaats” in verdiend. De tekenaar verdween, voor zover ik kon nagaan, uit de kolommen.

Terug naar de beginvraag. Het blijft opmerkelijk dat journalistieke tekst wél ambachtelijk te bekritiseren valt – op wederhoor, bronnen, stijl, compositie – maar dat controverses over tekeningen pijlsnel escaleren naar morele oordelen of smoren in de dooddoener dat smaken nu eenmaal verschillen. Dat gebeurt ook als er geen evident racistische stereotypen in het spel zijn zoals bij die tekening uit 1980.

Hoe komt dat? Ongetwijfeld deels doordat cartoons opinies zijn en geen verslaggeving. Maar ook over de kwaliteit van opiniestukken valt te twisten. Bovendien, ook tekenen is een ambacht. Dan is de ‘technische’ vraag: was dit nu een geslaagde tekening?

Over de Kaag-cartoon zou je dan kunnen zeggen dat de combinatie van losse elementen – het samplen dat Oppenheimer graag doet – dit keer te ver gezocht was. Een analogie tussen de Twin Towers en Rutte als symbolen van „onaantastbare macht” – zoals de tekenaar het, met enige tegenzin, uitlegde op televisie – is rijkelijk gewrongen. En hoezo een torenhoog jolige Rutte? Het lachen was de belaagde premier toen net vergaan. Het was eerder Kaag, in de tekening klein en alleen, die zichzelf na haar electorale tafeldans onaantastbaar waande.

Er speelt natuurlijk meer. Ook de tijdgeest, die niet veel geduld heeft met dubbelzinnigheid, het handelsmerk van humoristen. Satire is dan niet vrijblijvend meer, maar een statement, elke knipoog een klap in je gezicht. Inmiddels zijn we ook allemaal gespitst op framing en stereotypering – nu net technieken waar cartoonisten zich vaak van bedienen; een spotprent die niet vervormt prent misschien, maar spot niet.

Dat geldt zeker voor de combinaties van Oppenheimer die, zei hij op tv, „gelaagd” werk maakt: je kunt er van alles in zien. Dat is riskant, bij uitstek als de associaties gewaagd zijn of bizar – zoals die tussen Rutte en 9/11 ofwel tussen Haags gedoe en een terreurdaad met drieduizend doden. Die combinatie pakte dus onbedoeld veel te hatelijk uit. En ja, dan geef je de bespotte partij – het toch al beeldbewuste D66 – ruimte om er met gestrekt been in te gaan.

Oppenheimer, die zich in NRC verweerde, zegt te beseffen dat het voor lezers lastig is om inhoudelijk te reageren op een cartoon. Hoe moet dat, met een tegen-tekening? Dat kunnen we niet, dus eindigt verontwaardiging al snel in gespierde woordkunst.

Toch zou kritiek op cartoons ook ambachtelijk moeten kunnen zijn, zonder direct naar de morele noodrem te grijpen. Want hopelijk is de tijd voor ‘gelaagde’ cartoons niet voorbij – als je ze tenminste kunt onderscheiden van de minder geslaagde.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.