Dino’s en korte rokjes worden uit de schoolboeken geweerd

Censuur Makers van lesboeken moeten van veel uitgevers thema’s mijden die gevoelig liggen bij reformatorische scholen. Geen bikini’s, geen evolutie en niet te veel kermis.

Beeld Peter Lipton

Auteurs en illustratoren die aan de slag gaan bij educatieve uitgeverijen, krijgen er haast onherroepelijk mee te maken: dwingende richtlijnen. Zaken die van de uitgeverijen niet in de lesmethodes mogen belanden. „Je wordt geacht je ernaar te richten.” De richtlijnen zijn bedoeld om scholen in het religieus bijzonder onderwijs en de ouders van hun leerlingen niet voor het hoofd te stoten – en op die manier zoveel mogelijk leermiddelen te kunnen slijten.

Er is niet één standaardinstructie, maar bijna elke educatieve uitgeverij hanteert gedetailleerde richtlijnen, en veel regels komen telkens terug. Dat het niet de bedoeling is God of Allah negatief neer te zetten in woord of beeld. Dat vloekwoorden taboe zijn en soms ook het gebruik van ‘ruwe’ termen als ‘stom’ en ‘kop’. Makers krijgen ook opgelegd ‘wereldse’ zaken als kermis, carnaval, make-up, korte rokjes en tatoeages te negeren of in elk geval niet positief te belichten. Ook zijn bij grote en kleinere uitgeverijen regenbooggezinnen, sporten op zondag en vrouwelijke predikanten taboe. En de evolutieleer is dikwijls een verboden thema, dus ook beschrijven of afbeelden van dino’s mag niet.

Het betreft leermiddelen die gecensureerd zijn onder druk van met name reformatorische scholen. Honderdduizenden kinderen in het gehele basisonderwijs gebruiken dit lesmateriaal.

Als gevolg van de richtlijnen schetsen uitgeverijen in lesboeken, methodische leesboeken en digitale leermiddelen een vertekend en verarmd beeld van de realiteit, zeggen acht freelance makers in gesprek met NRC. Het zijn auteurs en illustratoren die werken of werkten aan lesmethodes voor gerenommeerde uitgeverijen als Malmberg (bekend van bijvoorbeeld De wereld in getallen en Taal actief) en Zwijsen (onder meer Veilig leren lezen en Taal in beeld). Zeven andere makers, die een online vragenlijst van NRC invulden en wier namen bij de redactie bekend zijn, bevestigen de censuur. Noordhoff (onder meer Getal & Ruimte Junior) en ThiemeMeulenhoff (onder meer Alles telt Q) worden door makers eveneens aangemerkt als uitgeverijen die aan censuur doen.

Richtlijnen van educatieve uitgeverij Malmberg uit 2019 aan illustratoren van schoolboeken voor het basisonderwijs. De uitgeverij vraagt hen o.a. het volgende te mijden:

Ver doorgevoerde vormen van emancipatie. Een vrouwelijke predikant ligt erg gevoelig. Politica, vrouwelijke burgemeester en een buschauffeur kunnen weer wel.

Veelkleurigheid

Dat in sommige gevallen wetenschappelijk onbetwiste feiten worden genegeerd, „is gewoon wetenschap opzij zetten”, zegt auteur Annemarie Bon. „Ik vind het niet kunnen dat een educatieve uitgeverij dat doet.” Door onderwerpen als evolutie te negeren, zegt collega Marc ter Horst, „laten uitgeverijen kansen liggen om kinderen enthousiast te maken voor geschiedenis of biologie. Daarmee doen ze het kind tekort.”

„Sommige kinderen krijgen op school exact hetzelfde te horen als thuis en in de kerk of moskee”, zegt schrijver Janneke Schotveld. „Dat kan dus in Nederland.” Juist omdat de samenleving „behoorlijk gepolariseerd” is, is het belangrijk dat lesmethodes de veelkleurigheid van de maatschappij tonen, vindt Schotveld. „Beseffen uitgeverijen dat ze hun economisch belang zwaarder laten wegen dan het belang van wat ze kinderen meegeven?”

Auteur Sanne Terlouw deed in 2012 in een opinieartikel in de Volkskrant al haar beklag over aanpassingen in een geschiedenismethode omdat het „voor de christelijke scholen ook een beetje aantrekkelijk moest blijven”. Ze heeft „helemaal niet” de indruk dat uitgeverijen zich iets van haar kritiek aantrokken. Ze werd erna niet meer gevraagd mee te schrijven aan methodes.

Allemaal vinden de makers dat het eigenlijk niet langer zo kan, maar ze voelen zich ook machteloos. „Ik heb maar een paar opdrachtgevers”, zegt een schrijver. „Ik kan me voorstellen dat als je het nest bevuilt, ze je niet meer willen.” Het schrijven of illustreren van een ‘gewoon’ kinderboek levert doorgaans (veel) minder op. Sommige makers moeten van uitgeverijen tekenen voor geheimhouding. Uit vrees werk en inkomen te verliezen, wil een aantal makers in dit artikel anoniem blijven. Hun namen zijn bekend bij de redactie.

Hoe komen de richtlijnen van educatieve uitgeverijen nu precies tot stand? In hoeverre zijn scholen zich hiervan bewust? En wat zijn de gevolgen voor de ontwikkeling van het kind?

Gevoelige onderwerpen

Op de website van uitgeverij Malmberg staat een foto van een opengeslagen boek; twee vellen raken elkaar en vormen samen een hart. „We hechten er waarde aan dat leerlingen werken met lesmaterialen die individuen of groepen op geen enkele manier kan (sic) kwetsen”, schrijft Malmberg bij de foto. Daarom stelde de uitgeverij in het najaar van 2020 het ‘Meldpunt gevoelige onderwerpen’ in. „We willen je vragen te melden wanneer je een gevoelig onderwerp tegenkomt dat onverhoopt aanstoot kan geven”, schrijft Malmberg op zijn site. De teller staat inmiddels op ruim dertig meldingen, aldus een woordvoerder; óók afkomstig uit progressieve hoek, over bijvoorbeeld genderdiscriminatie. „Leerlingen moeten zich goed voelen bij de teksten en zich hierin herkennen,” staat op de Malmberg-site, „zo zijn ze gemotiveerder en leren ze beter”.

„Betrokkenheid zorgt voor extra motivatie”, bevestigt Hendrianne Wilkens, directeur van CLU Leermiddelen Adviescentrum. „Maar dan moet je wél de wereld laten zien zoals die is.” Samen met onderwijskundige Arno Reints adviseert Wilkens scholen en ontwikkelaars over effectiviteit van leermiddelen. „De wereld is één grote context”, zegt zij. „Dus leerstof moet ook contextrijk zijn. Het wordt wel heel magertjes als je zoveel dingen verbiedt. Ik wist niet dat het zo erg was.”

Wees niet bang voor een beetje schuring, zegt Reints: „Als je alleen maar aansluit bij de belevingswereld van de kinderen, komen ze niet verder.” Kinderen moeten ontdekken, zegt hij, zo bereid je hen voor op het volwassen leven.


Bikini

Volgens de makers die NRC sprak, hebben de meeste basisscholen er „géén idee” van dat lesmethodes een gekuiste versie van de werkelijkheid tonen. „Lesmethodes kiezen moet altijd even tussendoor, en docenten denken dan echt niet: o, er is nergens een bikini te zien”, zegt één van hen. Een collega: „Ik snap het als scholen zich belazerd voelen als ze horen over de gang van zaken.”

Een rondgang langs basisscholen en koepelorganisaties bevestigt dat het overgrote deel van de onderwijswereld zich niet bewust is van het expres weglaten van onderwerpen door educatieve uitgeverijen. „Wat je niet weet, dat zie je niet”, zegt Linda Morssinkhof, directeur van de Openbare Montessorischool Zwolle en afnemer van voornamelijk Malmberg-methodes. Volgens haar creëren uitgeverijen een onwaarachtig beeld door allerlei verschijnselen te negeren. „Ik denk dat de politiek hier iets van zou moeten vinden.”

De Vereniging Openbaar Onderwijs noemt de handelwijze van uitgeverijen „een beetje vreemd” en vindt dat ze transparanter moeten zijn. Verus, de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs, steunt de oproep tot openheid. Volgens VOS/ABB, de landelijke belangenorganisatie voor bestuur en management van openbare scholen, moeten lesmethodes staan voor „gelijkwaardigheid, vrijheid en ontmoeting”.

In het voortgezet en beroepsonderwijs lijkt censuur overigens minder voor te komen. Die lesstof wordt dan ook minder ‘opgeleukt’ met verhaaltjes en plaatjes, zegt een maker.

Richtlijnen van educatieve uitgeverij Zwijsen uit 2020 aan auteurs van schoolboeken voor het basisonderwijs. De uitgeverij meldt hen o.a.:

Vermijd Harry Potter. Vermijd weerwolven, geesten, spoken, duivels en zombies. Vermijd buitenaardse figuren. Laat geen speelgoed tot leven komen. Vermijd sprookjes met heksen en magie.

Gumcultuur

Terwijl veel onderwijsprofessionals nu pas bekend raken met de ‘gumcultuur’ bij educatieve uitgeverijen, is de christelijke lobby richting diezelfde uitgeverijen recent juist verder geprofessionaliseerd. Twee gereformeerde schoolverenigingen richtten in het najaar van 2020 de Stichting voor Leermiddelenontwikkeling Reformatorisch Onderwijs (SLRO) op. Deze spant zich namens de ongeveer tweehonderd reformatorische basisscholen in Nederland in voor de ontwikkeling van christelijke leermiddelen, maar oefent ook invloed uit op uitgeverijen bij de ontwikkeling van reguliere lesmethoden – die didactisch soms beter zijn. Het komt voor dat uitgeverijen samen met streng-christelijke scholen een aangepaste versie van een veelgebruikte methode maken, die volledig voldoet aan de eigen normen en waarden. Maar meestal kiezen die scholen uit kostenoverwegingen voor de aanschaf van ‘standaardmethodes’, die dus ook worden gebruikt in het openbaar onderwijs.

Jan Vreeken, projectleider bij de gereformeerde SLRO, merkt dat uitgeverijen „openstaan voor signalen” vanuit reformatorische hoek: „Ook al zijn het misschien maar tweehonderd scholen [die Vreeken vertegenwoordigt], het zijn toch tweehonderd klanten.” Hij doet zijn werk vanuit groot „urgentiebesef”, omdat de kloof tussen de reformatorische identiteit en maatschappelijke denkbeelden volgens hem steeds groter wordt.

Als je uitgevers vraagt wat de visie is achter hun methodes, zegt Vreeken, dan krijg je te horen: ze zijn voor iedereen. „En dat klinkt mooi, je moet ook niemand uitsluiten, maar je zegt er tegelijkertijd wel heel veel mee. Want vanuit Bijbels oogpunt zijn er bepaalde onderwerpen waar je toch een andere visie op hebt. Vaak wordt ‘iedereen’ als heel inclusief gezien, maar dat is het niet. In de praktijk is dat: iedereen met hetzelfde denkbeeld.”

En dus scant de SLRO (pilotversies van) lesmethodes op zaken die niet in overeenstemming zijn met het reformatorische wereldbeeld. Niet dat je kinderen wereldvreemd moet opvoeden, benadrukt Vreeken. Doe bijvoorbeeld niet alsof kermissen niet bestaan. Maar een héél hoofdstuk rekenen met de kermis als decor? Niet oké. Dan kan een kind gaan denken „dat het vanzelfsprekend zou zijn om daar naartoe te gaan.” Een middag vol suikerspinnen, achtbaan en botsauto’s is in de ogen van reformatorische christenen ‘ik-gericht’ genot, dat afleidt van het geloof en van het omkijken naar je naaste. In zo’n geval volgt een klacht richting uitgever, vertelt Vreeken. „Dat wordt door veel mensen misschien als negatief gezien, maar met een klacht zeggen we eigenlijk: ‘ik vind je methode zo mooi, maar ik loop hier tegenaan en we hopen ook in de toekomst nog van je methode gebruik te kunnen maken’. Die houding werkt.”

Richtlijnen van educatieve uitgeverij Zwijsen uit 2020 aan auteurs van schoolboeken voor het basisonderwijs. De uitgeverij meldt hen o.a.:

Gebruik in verhalen ook niet-traditionele samenleefvormen en homoseksualiteit. Hou er wel rekening mee dat dit gevoelig ligt bij sommige PC [protestants-christelijke]-scholen en Islamitische scholen; overdrijf het niet en hou het herkenbaar voor kinderen.

‘Noem het kuisen’

Dat merkt ook Gerdien Lassche, leerkracht op een reformatorische basisschool in Kootwijkerbroek en beleidsmedewerker bij de Reformatorische Oudervereniging (ROV). Het refo-onderwijs neemt leerlingen en ouders gewoon serieus, zegt zij, door lesmethodes consequent stringent tegen het licht te houden. „Zonder op te scheppen, er wordt gewoon heel goed en hard gewerkt in de reformatorische scholen”, zegt Lassche. „Wij noemen dat intern ook wel de calvinistische werkhouding.” Wat vindt zij van het feit dat uitgevers onder druk van het reformatorisch onderwijs censuur plegen? Lassche, die al dertig jaar voor de klas staat: „Iedereen zou kritisch mogen zijn op methodes. Wat wij doen, zou ik anderen ook aanraden – het kan zeker lonen, zeker wanneer uitgeverijen bemerken dat er een significant aantal boeken verkocht kan worden.”

Hou je kinderen niet voor de gek door bepaalde kwesties weg te stoppen of kleiner te maken? „Je mag het kuisen noemen,” zegt Gerdien Lassche, „maar je sluit ermee aan op de werkelijkheid waarin onze kinderen zitten.” Lassche vindt dat je op deze manier „kinderen vanuit een veilige basis opvoedt”. Vreeken: „Je bent als christen verplicht om kinderen op een goede manier voor te bereiden op hun leven in de maatschappij.”

Gökhan Çoban, directeur van islamitische scholenkoepel ISBO, zegt niet bekend te zijn met richtlijnen die educatieve uitgeverijen hanteren. De ISBO zou ook niet lobbyen om invloed uit te oefenen op de totstandkoming van lesmethodes. „Ik zet vraagtekens bij richtlijnen die heel erg sturend zijn in het bevoordelen van een bepaalde groep.” De ISBO is wel betrokken bij de ontwikkeling van islamitische methodes op het gebied van levensbeschouwing, geschiedenis en seksuele diversiteit, net zoals het reformatorisch onderwijs op deze terreinen eigen methodes heeft.

Terwijl het volgens reformatorische lobbyisten geen punt is wanneer af en toe iets ‘werelds’ als een kermis of voetbalwedstrijd voorkomt in een lesmethode, mits niet nadrukkelijk, laten uitgeverijen dit soort ‘wereldse’ zaken soms toch liever helemaal weg, stelt illustrator Margot Westermann. Voor de zekerheid. Uitgeverijen zijn soms „roomser dan de paus”.

Spaarolifant

Margot Westermann werkt aan de taalmethode Taal actief voor Malmberg; haar eerste methodeklus. „Toen ik de richtlijnen kreeg toegestuurd, viel ik van mijn stoel van verbazing. Ik dacht: dit ga ik niet doen, dit voelt niet goed.” In deze richtlijnen, in bezit van deze krant, staat expliciet dat de regels zijn opgesteld om rekening te houden met „een groep protestants-christelijke scholen in Nederland”, en onderscheidt Malmberg drie soorten gevoeligheden: „strijdigheid met hun Bijbelse waarden en normen; het ontbreken van een zeker werkelijkheidsgehalte [en] te veel nadruk op consumptief leefgedrag.”

Enkele voorbeelden van verboden en gevoeligheden, letterlijk overgenomen uit de Malmberg-richtlijnen:

  • Discutabele theorieën: evolutie, astrologie, horoscopen, waarzeggen, toveren, new age.
  • Ver doorgevoerde vormen van emancipatie. Een vrouwelijke predikant ligt erg gevoelig.
  • Spoken, geesten en draken (Pokémon).
  • Geen bloot, naveltruitjes, blote schouders, geen korte rokjes, geen tatoeage.
  • Sport en amusement, met name de vormen waarbij veel geld wordt verdiend, sportverdwazing, huldigingsceremonies.
  • ‘Decadente’ kunstuitingen zoals dans, toneel en film.

 

Na kritiek van Westermann zegde de uitgever in een mailwisseling – ingezien door NRC – toe de betreffende richtlijnen voor de Taal actief-methode volledig te schrappen. „Ze gaven aan dat ik gelijk had, dat de richtlijnen overdreven en niet meer van deze tijd waren.”

Toch moest Westermann later een bikinitopje aan een waslijn inwisselen voor een sok, en een heks veranderen in „een ‘gewone’ gemene vrouw”, aldus de uitgever in zijn feedback, want „sprookjesfiguren liggen gevoelig bij gereformeerde scholen”. Ook moest Westermann een spaarvarken ombouwen tot spaarolifant (want volgens moslims zijn varkens onrein).

Kennelijk schrapte Malmberg de richtlijnen toch niet, of in ieder geval niet álle. De uitgever stelt dat Westermanns kritiek wel degelijk is „meegenomen”.

„Er werken welwillende mensen, die mooie methodes willen maken”, zegt de illustrator over haar opdrachtgever. „Ik vind het alleen niet goed dat zij onderwerpen uit de weg gaan, zoals dans en emancipatie, die voor mij en anderen juist belangrijk en inspirerend zijn.” Misschien dat Westermann haar opdracht bij Malmberg nu wel verliest, denkt ze, „maar dat is dan maar zo.” Nederland moet gewoon weten hoe methodes tot stand komen, vindt ze.

„Ik deel de zorgen van de ontwikkelaars”, schrijft hoogleraar educatie en pedagogiek Paul Leseman (Universiteit Utrecht) desgevraagd. „Het onderwijs moet bijdragen aan een gedeelde basis van kennis, vaardigheden en waarden. Dat is de grondslag van de democratische rechtsstaat. Leerlingen stelselmatig informatie onthouden is strijdig met de collectieve verantwoordelijkheid die methodenuitgevers en scholen hebben. Het is belangrijker dan ooit verbinding te zoeken en respect voor andere perspectieven te bevorderen in plaats van onwerkelijke wereldbeelden te schetsen en selectieve informatiebubbels te creëren. De vrijheid van onderwijs is een groot goed, maar niet onbeperkt. Methodenuitgevers verdienen aan de collectieve investering in onderwijs. Het schept verplichtingen waaraan commerciële belangen ondergeschikt zouden moeten zijn.”

Richtlijnen van educatieve uitgeverij Noordhoff uit 2021 aan auteurs van schoolboeken voor het basisonderwijs. De uitgeverij draagt hen o.a. op:

Geen vloekwoorden of afleidingen daarvan (‘op zijn donder geven’, ‘Jeetje!’).

Twee pagina’s toneel

Soms maakt het uit met wie je binnen de uitgeverij te maken krijgt, zeggen verschillende makers. Zo ervoer een schrijfster die zich eerder moest houden aan strenge richtlijnen, bij de ontwikkeling van een biologiemethode voor dezelfde uitgeverij „helemaal geen censuur”. „In het hoofdstuk over voortplanting werd gewoon uitgebreid aandacht besteed aan seksuele diversiteit”, zegt zij. De kleine uitgeverij Blink in Den Bosch wordt door makers meermaals als positieve uitzondering genoemd; ze krijgen daar meer vrijheid.

Dat educatieve uitgeverijen soms wel degelijk ‘wereldse’ zaken belichten, blijkt ook uit een scan door NRC van actuele lesmethodes in de pabobibliotheek van de Hogeschool Utrecht. Zo schrijft Zwijsen in een Schatkist-prentenboek over geluiden op de kermis en besteedt Malmberg in een Staal-taalboek op twee pagina’s aandacht aan toneel. Ook valt op dat in verhaaltjes veel aandacht is voor etnische diversiteit.

Maar wat deze boeken níét heeft gehaald, staat nergens. Censuur door uitgeverijen kan maken „dat je minder snel openstaat voor ander gedachtengoed”, meent auteur Annemarie Bon. Collega Sanne Terlouw: „Je zou toch denken dat uitgevers niet de enige baas moeten zijn over wat er voor onze kinderen in lesmethodes komt te staan?”

In België riep onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) afgelopen voorjaar een werkgroep in het leven die leermiddelen moet gaan onderzoeken op kwaliteit. Bedoeling is niet dat de staat met rode pen door lesmethodes gaat, maar dat betrokkenen en deskundigen samen een oordeel vormen over lesmiddelen, in de hoop dat de kwaliteit verbetert. Wat onderwijskundige Arno Reints betreft, moet zo’n initiatief er ook „absoluut” komen in Nederland.

Hoogleraar educatie en pedagogiek Paul Leseman sluit zich daarbij aan: „Het zou goed zijn actief consensus te organiseren over de invulling van de collectieve pedagogische verantwoordelijkheid van het onderwijs rond de vraagstukken van een pluriforme samenleving. Aan dit gesprek met open vizier, in het belang van leerlingen en de samenleving, kunnen ook leiders van religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen deelnemen, en vertegenwoordigers van ouders. De minister van Onderwijs kan dit gesprek bevorderen als hoeder van het maatschappelijke belang van een common ground.”

Beelden: Getty Images.
Reageren? schoolboeken@nrc.nl