Bickerseiland in Zondagsgeld

Literaire plekken | Amsterdam Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Zondagsgeld (2007), het debuut van Philip Snijder, speelt op Bickerseiland, in 1967. Wat op Bickerseiland een heel ander 1967 was dan in de rest van Amsterdam, waar onze ouders hun recent verworven auto’s, ijskasten, televisies en wasmachines koesterden, terwijl wij het druk hadden met ‘sex and drugs and rock ’n roll’. Geld speelde geen rol in die dagen, er was genoeg voor iedereen en niet alleen daarom leefden we alsof het niet op kon.

Maar op Bickerseiland hadden ze niets in de gaten en dachten ze dat ze nog in de crisisjaren zaten: ‘In de tijd waarin dit speelt was het Bickerseiland een vergeten, slordig stuk Amsterdam, volgestouwd met verkrotte huizen, bouwvallige loodsjes en autowrakken.’ De bewoners zaten vastgeklonken aan hun eiland, verder dan de Mof op de Haarlemmerdijk voor ‘een „mesjèsterse” werkbroek’ kwamen ze niet, waarbij je je kunt afvragen waar ze die manchesterbroek voor nodig hadden, want werken deden ze niet; liever stonden op de hoek tussen de Bickersgracht en Kleine Bickersstraat met hun handen in hun zakken ‘sjekkies te roken, of, met het hoofd in de nek, gein te maken met de tantes die uit de ramen hingen.’ Op de wc in de keuken had de deur een ‘barbiertje, want anders paste je er niet in’, het is allemaal even verschrikkelijk daar op Bickerseiland.

Temidden van deze arbeiders folklore moet de elfjarige en naamloze hoofdpersoon, die net als vader Jopie ‘anders is als ons’, proberen het hoofd boven water te houden. Dat zal niet meevallen, want hij is niet alleen ‘anders’ dan die ‘ons’, maar hij gaat ook nog eens ‘doorleren’ zoals zijn moeder overal rondbazuint. Het drama dat zich aftekent, wordt verteld in acht min of meer op zichzelf staande hoofdstukken, waarin de jeugdige hoofdpersoon onder meer zijn zondagsgeld ophaalt bij tante Trudie en oom Bert, een dartpijl in zijn hoofd krijgt waardoor hij net zo ‘hei’ wordt als de man van de televisie die zelf een gat in zijn voorhoofd heeft geboord, en de angstaanjagende koperen bruiloft bijwoont van oom Rikus en tante Gerda.

Het hoogtepunt van de verschrikkingen komt in het aangrijpende hoofdstuk ‘De kano’ waarin de vader de zoon vergezelt op een kanotochtje naar het Stenen Hoofd met de bedoeling hem in te lichten over de veranderingen die in het gezin op komst zijn: ‘Een gemeen sissend woord was het, dat als een gifslang door mijn hoofd was gaan kronkelen.’ Eenmaal op het Stenen Hoofd blijkt de gifslang zich ook van de vader meester te hebben gemaakt, zijn lichaam schokt, zijn pupillen draaien weg, ‘in zijn mondhoeken zag ik vlokken rood verkleurd speeksel.’ Als hij ook nog in tongen gaat praten, is de nachtmerrie compleet. Je vraagt je af hoe het in godsnaam goed moet komen.

Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.