Foto Frank Ruiter

Interview

‘Dwangstoornissen zijn hartstikke hip geworden. Een freakshow’

Lunchinterview Erwin Roebroeks (51), muziekonderzoeker, schreef een boek over zijn dwangstoornis en hoe hij daarvanaf kwam. „Het lastigst van het leven ná de dwang, was misschien wel de teleurstelling over het normale leven.”

Klein maar vol zaaltje in Amsterdam. Ferme handdruk. Applaus. Op het podium: een ex-dwangneuroticus en een expert in de behandeling van dwangstoornissen. Erwin Roebroeks (51) schreef het boek Ik dwang, over hoe hij tien jaar lang zijn handen stuk waste, acht uur per dag onder de douche stond en ingezeept bleef wachten tot er weer warm water was, zeepsop dronk en zijn huid opensneed om zichzelf ook daaronder schoon te schrobben. En nu geeft hij dat boek aan psychiater Damiaan Denys, hoofd psychiatrie van het AMC in Amsterdam. Hij is onder de indruk, zegt hij. Niet van de ernst of de buitenissigheid van Roebroeks dwang, maar dat hij ervanaf kwam. Obsessief-compulsieve stoornissen – 1 procent van de bevolking lijdt eraan – worden meestal met de tijd érger. Volledig genezen is „zeer zeldzaam”.

Erwin Roebroeks is een gewaardeerd onderzoeker en curator van klassieke muziek en opera. Zojuist heeft hij het publiek in het zaaltje verteld over de verdwenen opera die hij al járen zoekt: Arianna van Claudio Monteverdi uit 1608. Het libretto is bewaard gebleven, één fragment en verder niks. Hij heeft zich voorgenomen de partituur te vinden en ontving daartoe een Duitse staatsbeurs „voor nerds die dingen zoeken”. Sinds 2012 kamt hij privé-archieven en palazzo’s in Italië uit, en al zou hij maar één maat muziek vinden, het zou zijn zoektocht zinvol maken. Natuurlijk heeft dat gezoek dwangmatige trekjes, dat weet hij zelf ook wel, maar het is een „vrolijke obsessie”, een gezonde drang die hem voortstuwt en niet de ziekelijke, zelfopgelegde dwang die hem jarenlang opsloot in een „innerlijke gevangenis”. Toen hij op zijn 22ste was „gereset naar de fabrieksinstellingen”, en niet meer voortdurend hoefde te controleren, poetsen, tellen en herhalen, had hij ineens „zeeën van tijd”. Hij haalde twee masters in één keer, schreef voor vijf muziektijdschriften, organiseerde minstens zoveel muziekfestivals, en luisterde dag en vooral nacht muziek – Bach én house. Want: „Muziek is verklankte vrijheid.” Muziek, ooit de „luchtplaats in zijn innerlijke gevangenis”, vult nu zijn leven.

Twee weken eerder. Op het terras van Château Neercanne net buiten Maastricht. Tafels gedekt met wit damast, uitzicht over groene heuvels. Erwin Roebroeks is in de buurt geboren – in het dorpje Sint Geertruid. Jongste van zes kinderen, een nakomertje. „Te klein en te slim.” Tienen op school, tienen op muziekles. Na jaren wonen in de Randstad is hij terug verhuisd naar het Zuiden. De voertaal spreekt hij met verve. „Maastrichts is een toontaal, met eigen accenten en dictionaire.” Met twee duimen omhoog begroet hij het aperitief van bramensiroop met champagne. „Fantástisch.” Hij scant de menukaart, en zijn losse opmerking dat hij vegetariër is sinds zijn zesde levert gespreksstof op voor zeker een kwartier. Hij vertelt over de familie van jagers en carnivoren waaruit hij stamt, dat hij een klein en bleek jongetje bleef, dat ervan uitgegaan werd dat er met hém iets mis was, dat hij ervoor naar de dokter werd gestuurd, maar bleef weigeren een dood dier op te eten. Later, als volwassene, ging hij vakantiewerk doen als schoonmaker in het slachthuis om te zien wat hem als kind al een misstand leek. Ten slotte kiest hij de tomatensalade en venkelrisotto, en vraagt de maître of de geitenkaascrème voor bij de broodjes stremsel bevat (ja).

Ik ben geen dwangneuroot meer, maar nog steeds getikt

Hij vindt het geen punt om in gezelschap terloops te laten vallen dat hij drie jaar in het gekkenhuis heeft gezeten. Of te grappen dat hij „geen dwangneuroot meer is, maar nog steeds getikt”. De schaamte is hij ver voorbij sinds hij genezen is, en wat er nog aan schaamte over was, is hem in therapeutische sessies rigoureus afgeleerd. (Hij moest, met de therapeut in zijn kielzog, terug naar zijn geboortedorp om iedere voorbijganger op straat persoonlijk te vertellen over zijn stoornis). Toch vraag ik me af waarom hij ruim 25 jaar na dato zijn ziektegeschiedenis oprakelt, opschrijft en openbaar maakt? Hij vond het zijn morele plicht, zegt hij. „Dwang is hartstikke hip geworden. Een freakshow. In televisieprogramma’s worden dwangers geholpen door nepdeskundigen, op sociale media zijn mensen voortdurend over hun dwang aan het praten.” Als je iets niet moet doen, zegt hij, dan is het voortdurend over je dwanggedrag praten. Want? „Want dan richt je je op de symptomen en niet op de oorzaak van de dwang.” Hij denkt dat dwang een psychische reactie is op onderliggend lijden. „De dwanghandeling zelf heeft hooguit een symbolische betekenis.”

Tien over half tien naar bed

Sperma, plas en poep – in die volgorde – waren de triggers die zijn dwanggedrag uitlokten. Zijn lichaam en zijn omgeving moest daarvan verschoond blijven, vandaar het wassen en schrobben. Hij weet nog precies wanneer het begon, in de eerste klas van de middelbare school, hij was twaalf. Het manifesteerde zich eerst als iets dat niet meteen gestoord leek. Hij moest van zichzelf elke avond om tien over half tien naar bed. Dan moest hij wel eerst moe zijn, dus moest hij wandelen. Elke avond precies dat rondje, en altijd exact even lang. Zijn kamer moest opgeruimd. Geodriehoek erbij om alles in en op de kast recht te leggen. „Mijn moeder liet de buurvrouw mijn kasten zien. Kijk hoe netjes.” Het werd problematisch, zegt hij, toen zijn badkamerbezoek uren in beslag ging nemen en hij thuis chirurgische pakken begon te dragen. „Ik wist dat het niet normaal was, maar stoppen ging niet meer.” Hij voelde een ‘klik’ in zijn hoofd en dicht was de gevangenis, en zijn ouders werden zijn cipier én celgenoot. „Binnenskamers zijn dwangers tirannen. Ik dwong mijn ouders mee te poetsen.” Psychiater Damiaan Denys noemt dat ‘de normalisering van het abnormale’. „Ze stonden ten dienste van mij, precies waar ik ze hebben wilde. In die zin was de dwang een geschenk.” Hij had professionele hulp nodig, dat wist hij zelf, maar hij werd naar een gebedsgenezeres gestuurd. „En daarna heb ik vijf jaar lang wekelijks zitten praten met iemand die er niks van begreep.” Tegen de tijd dat hij werd opgenomen, was hij twintig.

Mijn casus komt ook voor in wetenschappelijke literatuur, dan heet ik meestal ‘Harry’

De sommelier komt wijn inschenken bij het hoofdgerecht en vertelt dat die „hier en daar wat maakfoutjes” heeft, maar dat juist „complexiteit” geeft. Haha, lacht Erwin Roebroeks met me mee. „Maakfoutjes.” Zo zien sommige psychiaters dwang- en angststoornissen ook, als een defect ergens in het brein dat misschien verholpen kan worden met medicatie of diepe breinstimulatie. Erwin Roebroeks is voor zijn boek teruggegaan naar de instellingen waar hij 25 jaar geleden is behandeld, een kliniek voor angst- en dwangstoornissen in Nijmegen en een groepstherapeutische gemeenschap in Assen. Hij heeft zijn medisch dossier, de verslagen en behandelplannen van toen voorgelegd aan deskundigen van toen en nu. „Mijn casus komt ook voor in wetenschappelijke literatuur, dan heet ik meestal ‘Harry’.” Hij stelt iedereen drie vragen: Wat is dwang? Waarom noemt u het een stoornis? En waarom zegt iedereen dat het ongeneeslijk is, terwijl hij er toch vanaf is? Zonder pillen en zonder de hersenoperatie waarvoor hij „absoluut” een kandidaat was. „Over hoe ik hersteld ben, daar wilde ik wel een boek over schrijven.”

Mijn lichaamssappen moest ik vermengen met water in een plantenspuit en daarmee álles onderspuiten

Zijn behandeling was onorthodox en nogal ruig. Zoiets zou tegenwoordig niet eens meer mogen, zegt psychiater Damiaan Denys bij de boekpresentatie. Erwin Roebroeks werd onderworpen aan flooding, een extreme blootstelling aan waar hij bang voor was. „Mijn lichaamssappen moest ik vermengen met water in een plantenspuit en daarmee álles onderspuiten. Mijn kamer, mijn huid, mijn handen, tot aan het netvlies in mijn ogen. Met de trein naar mijn ouderlijk huis om ook daar de boel te besmetten. Geen genade. En báts, weg was het, in één klap het hele dwangsysteem afgebroken.” Een ernstige stoornis vraagt om een radicale therapie, zo ziet hij het. „Echte angst is beter dan nep-angst.”

We zijn toe aan het toetje. Napolitaanse baba, een cakeje dat een week of drie gedrenkt is in een weckfles gevuld met een mengsel van suikerwater en limoncello. Hij neemt, zoals bij elke gang, een foto van zijn bord. „Fantástisch.” Hij vertelt, nu en in zijn boek, over wanneer zijn dwang is begonnen, en hoe de vicieuze cirkel van scheef of recht, schoon of vuil, op tijd of te laat steeds ingenieuzer en ongezonder werd en hij schreef over hij hoe herstelde. Maar waarom hij „dwang had”, en wat dan het „onderliggend lijden” was, dat is, zegt hij telkens, niet voor in NRC. In zijn boek heeft hij het over zijn „negatieve zelfbeeld”. Klinkt vaag zeg ik, en als iets waar iedereen weleens last van heeft. Waarop hij het aanscherpt: „Ik was ervan overtuigd dat ik mezelf op de meest milieuvriendelijke wijze moest opruimen.” Eenzaamheid, noemt hij ook als onderliggende oorzaak. Hij weet nog precies de eerste keer dat hij zich alleen en verlaten voelde. Een sleutelmoment, noemt hij het. Hij was anderhalf, twee jaar oud en zijn oudste broer ging het huis uit. En dat weet hij nog? „Exact. Ik herinner me hoe de tomatensoep smaakte, en waar we die onderweg aten toen we hem naar zijn studentenkamer brachten. Traumatisch.” Dwang, zegt hij, vulde de leegte, verving de veiligheid die ontbrak en werkte als suïcidepreventie.”

Lees ook: Lunchinterview met psychiater Menno Oosterhoff die zelf lijdt aan een dwangstoornis

Hij is genezen. Helemaal? „Helemaal.” Hij is nog steeds heel netjes, zegt hij. „Maar ik heb er geen last van.” En ja, hij is vasthoudend in zijn speurtochten en mateloos in zijn werkdrift, maar wat is daar ongezond aan? Het lastigst van het leven ná de dwang, zegt hij, was misschien wel de teleurstelling over het normale leven. „Ik dacht altijd dat iedereen die vrij rondliep in de wereld wel precies zou weten hoe alles zat. Die mensen waren in orde. Kon ik eindelijk meedoen aan het normale leven, bleek dat iederéén ermee worstelt.”