Recensie

Recensie Boeken

De nieuwe roman van Jonathan Franzen (●●●●●) doet verlangen naar meer, meer, meer

Jonathan Franzen Zijn nieuwe roman Kruispunt speelt zich af in het gezin van een predikant in een Amerikaanse suburb. Het resulteert in een verslavende, aangrijpende en ook confronterende roman.

Illustratie Paul van der Steen

‘Na nog maar twee dagen’ vraagt een van de personages in Jonathan Franzens nieuwe roman Kruispunt zich al af ‘hoe iemand die ook maar zijdelings met cocaïne bekend was, nog momenten kon hebben waarin hij zich níet afvroeg of er ergens cocaïne viel te krijgen. Hoe had Bears vriendin daar met haar drankje kunnen zitten alsof er geen cocaïne op de wereld bestond?’

Verslaving – dat doet het met je. Maar ja: als iets zo goed vóélt, hoe zou het dan in hemelsnaam niet goed kunnen zíjn? Dat is de vraag die alle personages op een of andere manier voor hun kiezen krijgen, en je stelt hem je ook als lezer, peinzend over hoe je je gewone leven even kunt opschorten om maar verder te kunnen lezen in deze roman. Kruispunt is ongetwijfeld minder schadelijk dan cocaïne, de lichamelijke bijeffecten blijven beperkt tot enig uitstel van slaap en lichte afkickverschijnselen, maar je kunt toch een zekere overeenkomst voelen in de euforie, energie en opwinding die deze verslavende, aangrijpende, vaak grappige en bij vlagen confronterende roman biedt.

En het komt door de personages: vijf leden van het gezin Hildebrandt, in de suburb New Prospect, buiten Chicago, die we afwisselend volgen. Het zijn personages waar Franzen binnen de kortste keren mensen van weet te maken: volstrekt overtuigende karakters, met hun eigen redeneringen, taalgebruik en blik op de wereld, hun eigen verledens en karakterzwaktes – die ze tot o zo begrijpelijk aanklooiende menselijke wezens maakt.

Jonge weduwe

De belangrijkste is vader Russ, een hulppredikant van de progressieve First Reformed Church, die de controle over zijn parochie uit zijn handen voelt glippen en een affaire met een jonge weduwe probeert aan te knopen om zich weer levend te voelen; en te midden van dat alles vurig probeert het goede te doen. Vervolgens is er middelste zoon Perry, een hoogst intelligente adolescent die zich soms lekker voelt (‘de pulserende nuheid van alles, de volmaakte synchronie van lichaam en ziel’), maar vooral piekert over de vraag of het betrachten van naastenliefde niet áltijd voor eigen gewin gebeurt – over de vraag hoe het goede te doen. Dochter Becky, op school populair en onaantastbaar, wier leven ‘opeens heel serieus was geworden’ na de avond waarop ze haar eerste zoen beleefde, maar die zich ook gecompromitteerd voelt door een exclusieve, persoonlijke erfenis van haar rijke tante, en die zich nu stort op de jongerengroep van de kerk, Crossroads, waar ze eerlijk naar zichzelf leert kijken – en zich voor het eerst afvraagt hoe het goede te doen.

En Clem, de uithuizige, studerende oudste zoon, die het genot van seks heeft ontdekt en zodoende ‘verzuimde zijn tentamen celbiologie voor te bereiden omdat hij het een stuk leuker vond om zijn penis in Sharons mond te zien verdwijnen’, terwijl zijn leeftijdsgenoten nota bene hun land dienen in de Vietnamoorlog – zij doen wél iets goeds. Tenslotte: Marion, de vrouw des huizes, chagrijnig want te dik en te moederkloek, te buigzaam, te toegeeflijk – als het leven zo bitter is gaan tegenvallen, doet ze dan wel het goede?

Huiselijk realisme, domestic realism, zou je het kunnen noemen – al is dat een genrebenaming die vooral vrouwelijke negentiende-eeuwse auteurs aankleeft (lees: sentimenteel, romantisch). Bij een schrijver als Jonathan Franzen (1959) wordt zoiets algauw een Great American Novel genoemd, waarmee het huiselijke drama ook geacht wordt een tijdsbeeld te weerspiegelen, de tijdgeest te vangen. Weliswaar speelt Kruispunt zich nadrukkelijk af op 23 december 1971 en maakt de nieuwe tijd – in de gedaantes van de hippies en marihuana, Martin Luther King, de Vietnamoorlog en ‘Eleanor Rigby’ – inderdaad dat de Hildebrandts zich óók op een kruispunt in de maatschappij bevinden, of zelfs de geschiedenis, maar het interessantste van de roman is toch dat binnenskamerse gewoel. Belangrijker dan dat het 1971 is, is dat het de vooravond van Kerst is: Kruispunt hengelt niet naar een status als metafoor of tijdgeestverhaal. Daarin verschilt deze zesde roman van Franzen misschien wel het meest van zijn hitboeken De correcties (2001), roman van het Bush-tijdperk, en Vrijheid (2010), over een familie van losgezongen jarennulindividualisten, en zeker van Zuiverheid (2015), dat toch een beetje uit zijn voegen barstte van de internetondernemers en Stasi-trauma’s.

Nu zoomt Franzen in, op de personages, op de ménsen – en dat doet hij geweldig. Kruispunt is in de eerste plaats een psychologische roman, zonder plot, maar over levens. Langzaam en zorgvuldig worden de personages opgebouwd, hoofdstukken lang, en tegelijk heeft Franzen het lef om plotse wendingen en schijnbare karakterveranderingen te laten plaatsvinden, die verbluffen en volledig overtuigen. Zonder veel stilistisch vertoon (ook een verschil met eerdere romans: hier geen zinnen die bladzijdenlang voortgaan) zet hij de ene na de andere rake scène neer, die uitblinken om hun treffende alledaagse huiselijkheid. Waarin het bijvoorbeeld draait om verliefdheid, onzekerheid, onhandigheid. Het soapgehalte wordt verhoogd door de veelvuldig ingezette dramatische ironie: de lezer, die meerdere perspectieven te zien krijgt, weet vaak meer dan de personages. De lezer weet vooral: de Hildebrandts hebben geen idee van wat er in de ander omgaat.

Liefdevol

Zo zet Franzen zijn personages in hun hemd, maar eerder liefdevol dan minzaam. Met scherp oog voor het menselijk gebrek, maar zonder af te rekenen, zoals wanneer hij over vreemdganger Russ schrijft: ‘Het was al slecht genoeg een vrouw te begeren die niet de zijne was, maar hij was ook nog slecht in slecht zijn.’ Op andere momenten bedient hij zich van de snelle pennenstreek, zoals hier over moeder Marion: ‘In plaats van vriendinnen had ze, stiekem, een psychiater – en ze was te laat voor de afspraak die ze daar vanochtend mee had.’ (De hartverscheurende tragiek, in dat ‘stiekem’, en dat veelzeggend onpersoonlijke ‘daarmee’, alsof de psychiater toch maar een ding is.)

In zijn weergave van gevoelens durft Franzen verrassend expliciet te zijn – soms voor een komisch effect, zoals wanneer de verteller geestig melodramatisch opmerkt over Russ: ‘Hij maakte zwaar water door de gaten in zijn geestelijke romp’. Maar, krijg je de indruk, soms ook uit drieste eerlijkheid, omdat het gevoel zich domweg zonder omwegen aandiende (‘Russ kaatste heen en weer tussen vertwijfeling en hoop’), zoals verliefdheid de mens nu eenmaal reduceert tot een sentimentele tiener (‘ze had als een wesp door zijn voorheen zo kuise ziel gezoemd’), of een verblinde junk.

Zo laat Franzen de gebeurtenissen spreken, de personages het verhaal voortstuwen, en cijfert hij zichzelf als schrijver bijna weg – waar hij voorbeeldig in slaagt. (Op één moment, in bijna zeshonderd bladzijden, pronkt Franzen met zijn schrijverslef: als hij een versnelling in de verteltijd inzet. Eén flashbackpassage is wat saaiig; maar soit: het zijn beide inhoudelijk verdedigbare keuzes, die uiteindelijk spanningsverhogend werken.)

Franzens zelfwegcijfering betekent niet dat hij de regie loslaat of dat Kruispunt een chaotische soap is waarin géén groter verhaal verteld wordt, integendeel. Want personages zijn uiteindelijk natuurlijk geen mensen, ze zijn aspecten van een dilemma of conflict – en hoe vloeiend het verhaal zich ook ontvouwt, Jonathan Franzen brengt alles samen tot een schitterende eenheid.

Die zit ‘m in het uiteenvallen van het kerngezin Hildebrandt (waar je, oké, weer een metafoor voor de ingezette individualisering kunt lezen; zeg maar een voorbode van het leven in De correcties), maar vooral in een grote vraag die uitstekend klein te maken is: hoe je het goede doet – en wat daarvoor je richtsnoer is. Het is 1971, het is een predikantengezin, dus ja: God? In Zijn kompasfunctie is voor aanvang van de roman al iets verschoven: de Engelse titel Crossroads is de naam van de jongerenclub van de First Reformed Church, waar een charismatische, langharige jeugddiaken jongeren op een andere manier tot goede christenen opvoedt, namelijk door zelfonderzoek te stimuleren. Indringende gesprekken, diepgravende vragen: bij Crossroads worden wezenlijke gesprekken opgetuigd, om de jongeren emotionele risico’s te laten nemen en hen zo dichter bij zichzelf te laten komen. ‘Ik bedoel, moeten we daar niet over praten? Of is dat te Crossroads?’, zegt op een gegeven moment een van de personages, met een knipoog.

Eigenbelang

Al is God nog niet uit het zicht verdwenen; de christelijke waarden van naastenliefde en vergeving staan als piketpaaltjes in de hoofden van de Hildebrandts geslagen. Maar zij ontwikkelen zich, mede onder invloed van Crossroads, steeds meer tot individuen, die zelf voelen en nadenken, en die vragen stellen. Zoals schrandere Perry, die tegen een paradox aanloopt: ‘Kunnen we een daad “goed” noemen als deze ook verricht had kunnen worden uit niets dan weloverwogen en vernuftig eigenbelang?’ En Marion vraagt om Zijn toegeeflijkheid: ‘Ze hoopt dat Hij begrijpt dat zondigen onlosmakelijk is verbonden met het gevoel dat je leeft.’ Russ biecht in gebed op dat hij zijn goedertierenheid misschien misbruikt om in het gevlij te komen bij zijn minnares-in-spe: ‘Nu vrees ik dat het niet de liefde van Uw zoon was die in mij sprak, maar mijn eigen begeerte naar Frances’. Daar is Kruispunt confronterend, in het opportunisme dat zo zondig en tegelijk zo menselijk (en herkenbaar) voelt.

God doet ertoe, maar het eigen gevoel net iets meer – en de Hildebrandts zijn toch op zichzelf aangewezen om te beoordelen wat goed is en wat zondig. Het gezin is niet meer de hoeksteen van Franzens samenleving; het individu wint terrein, het gevoel rukt op, en daarmee het egoïsme. Niet zonder slag of stoot: de Hildebrandts staan nog steeds open voor de zalvende kracht van rituelen, voor de mystieke ervaring die ze tóch in verbinding stelt met iets hogers. Hoewel: je zou het veelzeggend kunnen vinden dat degenen die in Franzens verhaal religieuze ervaringen hebben – gelukzalige, reddende ervaringen – wel telkens in een roes verkeren. Met drank in de man, in paniek, onder invloed van drugs.

Climax

Hoe verder? Franzen is meer van de vragen dan van de antwoorden; ook daarin stelt hij zich bescheiden op. Crossroads, de jongerenclub dus, laat ook zien dat gemeenschapszin werkt, dat die de individuen een richting en een gevoel van verbondenheid geeft. Maar wie een club vormt, sluit onherroepelijk ook anderen buiten – wat dan weer ongemakkelijk onchristelijk is. Het mooist en pijnlijkst komt dat naar voren in de houding van de barmhartige Russ tegenover het Navajo-volk in Arizona, voor wie hij zich graag inzet. De vraag dringt zich op hoe gelijkwaardig die verhouding eigenlijk is, hoe altruïstisch is zijn hulp? Het zijn scènes van een grote empathie en emotionele intelligentie, waarmee Franzen ook scherpzinnig schampt langs de discussie over culturele toe-eigening in de kunsten. Maar vooral van belang is dat hij de roman ermee van een daverende climax voorziet. En, niet onbelangrijk, dat hij het zo tot een afgeronde, complete roman maakt.

Lezers die al wisten dat Kruispunt het eerste deel is van een trilogie, hebben dan al even in spanning gezeten over de vraag of Franzen zijn roman niet middenin het verhaal (op z’n Tolkiens of Buwalda’s) zou afbreken. Maar ook die kunst beheerst hij: een reeks beginnen met een perfecte roman, die uitstekend op zichzelf kan staan én de verslaafde lezer doet uitzien naar meer, meer, meer.