Opinie

De herontdekking van een bijzondere schrijver

Michel Krielaars

Mijn favoriet voor de Nobelprijs voor Literatuur is al jaren de Italiaanse schrijver Claudio Magris. Niet alleen vanwege zijn filosofische romans en essays waarin de geschiedenis van zijn geboortestad Triëst een grote rol speelt, maar ook door zijn Il mito absburgico nella letteratura austriaca moderna (De Habsburgse mythe in de moderne Oostenrijkse literatuur) en het literair-historische reisverslag Donau, waarmee hij internationale roem verwierf. Dankzij hem heb ik allerlei grote Duitse, Oostenrijkse, Hongaarse en Italiaanse schrijvers leren kennen. Ik herlees Magris dan ook regelmatig om nieuwe ontdekkingen te doen.

De schrijver Martin Michael Driessen, die een grote liefde voor Midden-Europa koestert, deelt mijn voorkeur voor die literatuur. Zo nu en dan vertaalt hij met zijn elegante pen een werk van zo’n verdwenen grootheid. Deze keer heeft hij Baron Bagge en Mona Lisa onder handen genomen, twee novellen van Alexander Lernet-Holenia (1897-1976), een schrijver verwant aan Sándor Márai, Robert Musil en Joseph Roth.

Ik sla Magris’ Habsburgse mythe in een Duitse vertaling op om iets over deze Alexander Lernet-Holenia te weten te komen. En dan lees ik dat hij voornamelijk en in een lichte, modern-barokke stijl over de ondergang van het Habsburgse keizerrijk heeft geschreven. Zijn belangrijkste werk over dat thema is de roman Die Standarte (Het vaandel) uit 1934.

Anders dan in Die Standarte speelt Baron Bagge (1936), de eerste van de door Driessen vertaalde en door uitgeverij Van Oorschot gebundelde novellen, zich af aan de vooravond van de ineenstorting van die Europese grootmacht. En misschien is dat ook wel wat het verhaal zo intrigerend maakt, omdat je aan de hand van de hoofdpersonages aanvoelt wat er veel later te gebeuren staat.

Het is 1915, de Eerste Wereldoorlog is nog geen half jaar bezig. Een eskadron dragonders rijdt door de uitlopers van de Karpaten op zoek naar de vijand, die ineens nergens meer te bekennen is. Hun aanvoerder is de opvliegende en onberekenbare ritmeester Semler, de personificatie van zowel de wanhoop in die dagen als van het verlangen naar overwinningen, die almaar uitblijven. Uiteindelijk zal hij zijn 120 cavaleristen in een bui van frustraties en paranoïa de dood in jagen.

Op een dag belanden de dragonders in een Hongaars stadje, waar de inmiddels overleden moeder van baron Bagge een paar jaar heeft gewoond. Ze was er bevriend met een adellijk echtpaar, dat een dochter had van wie ze hoopte dat die ooit met haar zoon zou trouwen. Maar de jonge baron was altijd op reis en het kwam er niet van.

Nu hij voor het eerst in het stadje is, stort hij zich in het feestgedruis. Elke avond is er een bal, alsof de oorlog voorbij is, alsof het nooit oorlog is geweest. Die bals verbeelden de naderende ondergang van een verrot rijk dat zich op een hoogmoedige manier blind houdt voor alles wat er mis is.

De eerste avond ontmoet Bagge de mooie jonge vrouw die voorbestemd voor hem was. Ze biedt zich nog diezelfde nacht aan en wil met hem trouwen voor het te laat is. Je begint te vermoeden dat er iets aan de hand is, vooral als ze zegt: ‘Want eenieder heeft uiteindelijk alleen met zich zelf te maken, niemand kan een ander helpen en ik denk dat iedereen alleen is, zeer alleen, volkomen alleen zelfs.’ Wat dat vreemde is, verklap ik niet, maar alleen al om die zinnen wil je deze novelle lezen.