De Rotterdamse wethouder Arjan van Gils (Financiën en Majeure Projecten, D66).

Foto Jan de Groen

Interview

Wethouder Rotterdam: ‘Er is met een grote boog om het Warmtebedrijf heengelopen’

Energietransitie Private partijen wilden niet echt investeren in de warmteleiding van Rotterdam naar Leiden, zegt wethouder Arjan van Gils: „Het kan niet zo zijn dat één partij er eindeloos geld in blijft steken en alle risico’s op zich neemt.”

Na vijftien jaar is Rotterdam klaar met het reanimeren van een megaproject dat nooit levensvatbaar werd. Het college van burgemeester en wethouders wil definitief stoppen met het plan voor een duurzame warmteleiding van de Rotterdamse haven naar Leiden. Het betekent het einde voor het Warmtebedrijf Rotterdam, waar de gemeente door de jaren heen ongeveer 300 miljoen euro in heeft gestoken.

In 2006 was het een buitengewoon ambitieus en duurzaam plan: met industriële warmte uit de Rotterdamse haven zou het nieuwe Warmtebedrijf 300.000 tot 500.000 woningen kunnen verwarmen. Maar omdat de teller bleef steken op ongeveer 60.000 woningen, en het Warmtebedrijf verlies leed, zag Rotterdam in Leiden een nieuw afzetgebied. Alleen: die pijpleiding naar Leiden is er nooit gekomen. Mogelijk wordt de leiding naar Den Haag wel aangelegd.

Eind vorig jaar deed het stadsbestuur nog een laatste poging voor een doorstart. Energiebedrijf Gasunie zou een leiding via Den Haag kunnen aanleggen en exploiteren. Rotterdam zou deze huren om warmte van Shell en afvalverwerker AVR te transporteren. In 2026 zou Rotterdam dan alsnog warmte kunnen leveren aan energiebedrijf Vattenfall in Leiden. Tot die tijd zou de gemeente energiebedrijf Uniper doorbetalen om warmte te leveren aan Vattenfall.

De provincie Zuid-Holland was vóór en het ministerie van Economische Zaken had er 385 miljoen euro subsidie voor over, volgens de Rotterdamse D66-wethouder Arjan van Gils (financiën en majeure projecten).

Lees een reconstructie over het Warmtebedrijf: Aftakeling van een Rotterdams prestigeproject

Maar de financiële risico’s blijken te groot en niet te beheersen, zegt Van Gils. Na verschillende momenten waarop het Warmtebedrijf al bijna omviel, mag de Rotterdamse gemeenteraad volgende week officieel het licht uitdoen. Van Gils: „Het is een beetje alsof je op een onveilige weg rijdt. Als je zelf achter het stuur zit in een goede auto, durf je het aan. Als je niet weet bij wíe en in wát voor auto je stapt, ligt het anders.”

De energietransitie is het speerpunt van het Rotterdamse stadsbestuur. En nu gaat het Warmtebedrijf, een groot financieel dossier, failliet.

„De energietransitie in deze stad is niet alleen afhankelijk van het Warmtebedrijf, en heel veel duurzame plannen gaan wel goed, maar het is wel een groot onderdeel, ja. Teleurstellend is dat de gemeente al zolang bezig is met het Warmtebedrijf – sinds 2005, 2006 – en dat we nu zó dicht bij een oplossing leken. Maar uiteindelijk lukt het dan toch niet.”

De financiële risico’s van de leiding naar Leiden zijn „onverantwoord”, volgens het college. Waarom?

„De tarieven en de condities van het contract dat het Warmtebedrijf met Gasunie zou sluiten zijn nog onduidelijk. Het aansluitpunt van de Rotterdamse haven op de warmteleiding naar Leiden staat nog niet vast. De Europese Commissie vindt de publiek-private investering scheef en ziet deze als staatssteun. Allemaal onzekerheden die wij niet kunnen beheersen, die het slagen van het project onzeker maken en vertraging opleveren. Intussen betalen wij Uniper nu om warmte aan Leiden te leveren omdat het Warmtebedrijf dat contractueel verplicht is, terwijl de gasprijs enorm stijgt. Als we doorgaan, kan de gemeente straks weer tientallen miljoenen bijstorten.”

Betrokken private partijen, zoals AVR, Shell, Vattenfall en Uniper, zouden meer moeten investeren in de leiding, volgens Brussel. Hun bijdrage staat in „schril contrast” met die van Rotterdam, schrijft het college. Wat is die verhouding?

„Normaal gesproken moet de verhouding publiek-privaat volgens de Europese normen fifty-fifty zijn. Dit is een bijzonder project in een gereguleerde markt, maar dan nog is de private bijdrage marginaal, vindt de Europese Commissie. Het gaat om enkele miljoenen die nog niet zijn vastgelegd: dat biedt geen soelaas.”

Was er wel wíl bij private partijen om in dit project te stappen?

„Mijn beeld is, als ik er lang naar kijk, dat er met een grote boog om het Warmtebedrijf is heengelopen.”

Diverse private partijen hebben jarenlang „baat” gehad bij het gemeentelijk ondersteunde Warmtebedrijf, constateert het college.

„Het gaat er niet om dat ze het Warmtebedrijf moeten stutten, want dat is een onderneming. Maar je

bent samen bezig voor de energietransitie een duurzaam warmtenet voor Zuid-Holland aan te leggen, van Rotterdam en Den Haag tot Leiden. Dan verwacht je van grote partijen dat ze zeggen: wij zien een groter belang en eigen belang om een rol te spelen in die toekomst. Dat project gaan we samen mogelijk maken.”

Maar uiteindelijk wilden ze niet investeren – of lang niet genoeg.

„Om hun moverende redenen hebben ze niet voldoende meebewogen naar oordeel van de Europese Commissie. Uniper wilde best eens nadenken over stadswarmtecentrales in Den Haag, Rotterdam en Leiden, maar hier niet over. Van Shell zie ik altijd grote krantenadvertenties over groene energie: practice what you preach, denk ik dan. Het kan niet zo zijn dat één partij er eindeloos geld in blijft steken en alle risico’s op zich neemt: dat is een en al onbalans.”

Je kunt ook zeggen: de gemeente Rotterdam heeft jaren van zich láten profiteren in dit project.

„De private partijen hebben ooit rechtsgeldige contracten met het Warmtebedrijf gesloten – in die zin is het geen verwijt. Maar het Warmtebedrijf had geen onderhandelingspositie om het anders te doen. Eerlijk is eerlijk: het Warmtebedrijf is een te kleine speler op de energiemarkt. Grote partijen kunnen hun risico’s spreiden: op de ene concessie verliezen ze wat, op de andere maken ze het weer goed. Maar een hele kleine speler, die dan ook nog in wurgcontacten, of zeg maar kwetsbare contracten vastzit, kan dat niet.”

Verwijt u zichzelf ook iets als verantwoordelijk wethouder?

„Ik kan alleen zien dat wij als gemeente en het Warmtebedrijf er superhard aan gewerkt hebben. Net als het ministerie van Economische Zaken en de provincie Zuid-Holland. Gasunie was volgens mij ook serieus bezig met het verkennen van een nieuwe markt voor duurzame energie.”

U heeft als wethouder drie dossiers met grote financiële problemen: de verbouwing van Museum Boijmans Van Beuningen, het nieuwe Feyenoord-stadion en nu het Warmtebedrijf dat failliet gaat. Hoe slaapt u?

„Over het algemeen goed. Grappig dat je de metro naar Hoek van Holland niet noemt, want toen ik aantrad was dat hét grote dossier. Bij Boijmans voer ik als wethouder grote projecten nu alleen een verkenning uit naar de haalbaarheid. Als het daar niet goed gaat, moet u toch echt bij mijn collega-wethouders zijn. Bij Feyenoord City speelt: hoe krijgen we greep op de bouwkosten en hoe krijgen we de financiering rond? Niet zozeer: wat heeft de gemeente laten liggen en wat kan de gemeente doen? Dat is eigenlijk ook zo bij het Warmtebedrijf, en dat is vaak het frustrerende in het openbaar bestuur. Je bent afhankelijk van anderen, het zijn taaie processen en je denkt: kan niemand over zijn schaduw heenstappen?”

Wat zijn de lessen voor de gemeente Rotterdam van het Warmtebedrijf?

„Ten eerste: bezint eer ge begint, weet waar je instapt. Want no guts, no glory, dat is een beetje de stijl van Rotterdam. Maar goed, anders hadden we ook geen Nieuwe Waterweg gegraven, een huis-tuin-en-keukenbruggetje gehad in plaats van de Erasmusbrug, dan hadden we die hoogbouw niet. Bestuurlijke moed gaat gepaard met risico’s. Tegelijkertijd hebben overheden wel moeite de stekker eruit te trekken als het fout gaat. Dat zie je in de geschiedenis van het Warmtebedrijf op verschillende momenten terug. Het is een van de aanbevelingen van de gemeenteraadsenquête naar het Warmtebedrijf: stoppen is geen falen.”