Snowpiercer (2013)

Analyse

De vernietiging van de aarde als popcorn-amusement

Film en klimaat Een lange stroom apocalyptische films heeft de bioscoopbezoeker gewend gemaakt aan grootschalige verwoesting. Volgens catastrofefilosoof Lisa Doeland werken de films apathie in de hand.

Een nieuwe ijstijd binnen een week? ‘Master of disaster’ Roland Emmerich regelt het. In 2004 regisseerde hij de enige rampenfilm die direct over de klimaatcrisis gaat: The Day After Tomorrow. De ondergang verloopt daar net iets minder patsboem dan de nucleaire holocaust van The Day After uit 1986 waar zijn filmtitel naar knipoogt. Maar veel scheelt het niet: wetenschapper Jack Hall (Randy Quaid) heeft nog maar net zijn vermoeden uitgesproken dat de warme golfstroom tot stilstand komt door de smeltende poolkappen of supertornado’s verwoesten Los Angeles, een tsunami spoelt over Manhattan en dodelijke sneeuwcyclonen drijven Amerikanen als klimaatvluchtelingen over de Mexicaanse grens. In de finale bekent de president, een Dick Cheney-achtige creatuur van ‘Big Oil’, in een speech zijn ongelijk.

Een beetje bioscoopganger zag de mensheid de afgelopen kwart eeuw talloze malen ten onder gaan; door alien, zombie of tsunami, virus, schimmel of droogte. In post-apocalyptische films overleven de helden op de kruimeltjes van onze huidige overvloed in een vijandig geworden wereld. In apocalyptische en post-apocalyptische visioenen neemt de natuur soms wraak op ons wangedrag. In The Happening (2008) scheiden gras en struikgewas een zenuwgif af dat mensen tot zelfmoord drijft, in eco-science-fiction als Avatar, Insterstellar of After Earth zweert een complete planeet tegen de mens samen, zijnde een irritant soort huidschimmel.

Het Eye Filmmuseum verkent komende maanden onder het motto Cinema Ecologica in vier filmcycli de relatie tussen mens en natuur. Na films over verdronken werelden gaat het in november over natuurlyriek en in januari over een halve eeuw cinematografische milieucatastrofes. In 1972 publiceerde de Club van Rome zijn invloedrijke studie Grenzen aan de groei, dat ons een sombere toekomst van overbevolking, vervuiling, broeikaseffect en slinkende grondstoffen voorspiegelde. In diezelfde jaren zeventig kwam de rampenfilm op.

Soylent Green (1973) Foto MGM Studios/Getty Images

Films bieden catharsis. Ze roepen angsten op, laten ons die in een veilige, warme bioscoopzaal beleven en drijven ze op die manier tijdelijk uit. Ze gaan meestal niet direct over wat ons bevreest; dat zou te confronterend zijn. In de jaren vijftig en zestig vertaalde angst voor communisme en kernwapens zich in B-films over buitenaardse invasie, dodelijke straling en radioactieve Godzilla’s. In de jaren zeventig verbeeldde een enkele sf-film als Soylent Green (1973) de sombere visioenen van de Club van Rome – kannibalisme op industriële schaal lost daar de overbevolking op. Veel populairder waren rampenfilms waar overheid, bedrijfsleven en technologie het lelijk laten afweten en brave burgers het hoofd moeten bieden aan een brandende wolkenkrabber (The Towering Inferno), kantelende cruiseboot (The Poseidon Adventure) of instortende stuwdam (Earthquake).

Zombiecalypse

Inmiddels zijn we gewend aan veel massalere verwoesting. Filosoof en ‘catastrofedenker’ Lisa Doeland licht in januari in het Eye Filmmuseum de film 28 Days Later toe, waarin een comapatiënt ontwaakt in een verlaten Londen: een designvirus heeft de Britten veranderd in bloeddorstige halfdoden. De ‘zombiecalypse’ heeft zich zeer abrupt voltrokken, en dat is exact wat Doeland tegen het apocalyptische filmgenre heeft. Doeland: „De focus op het snelle en abrupte ontneemt in zekere mate het zicht op trage, slepende processen zoals de klimaatcrisis. Er voltrekt zich iets wat al jaren voorspeld wordt. Afgelopen zomer ging het nieuws van bosbrand via overstroming naar droogte en cycloon. Genoeg tekenen aan de wand, maar we blijven wachten op de definitieve onthulling dat het einde nu echt is aangebroken. Het is nooit spectaculair genoeg.”

De focus op het abrupte ontneemt het zicht op trage processen zoals de klimaatcrisis.

Lisa Doeland filosoof

Want we zijn gewend geraakt aan grootschalige verwoesting. Na de eerste golf rampenfilms volgde halverwege de jaren negentig een tweede, die vooral werd gevoed door digitale trucage, of CGI. De destructie van tornado of buitenaardse invasie (Twister, Independence Day, 1996), vulkaan (Dante’s Peak, Vulcano, 1997) of meteoorinslag (Armageddon, Deep Impact, 1998) was realistisch in beeld te brengen, als popcorn-amusement. Dat spektakel ging als vanouds gepaard met heroïsche offers, ontluikende liefde en groepsvorming. Rond de net iets te echte rampenfilm 9/11 volgde een korte pauze, maar rond 2003 zette de filmische verwoesting zich nog grimmiger en grootschaliger voort.

De langdurige populariteit van apocalyptische films was mogelijk een reactie op gevoelens van onheil door 9/11 en de verwachte ‘clash of civilizations’ en hernieuwd milieubewustzijn na orkaan Katrina in 2005. Al Gores documentaire An Inconvenient Truth trok in 2006 ongekende aantallen bezoekers, terwijl de mens in speelfilms ten onder ging aan onder de aardkorst sluimerende monsters (War of the Worlds, Cloverfield), epidemieën (Blindness, Contagion) of kosmische gevaren (The Core, Melancholia, Knowing).

Tegelijk groeide de zombie uit tot hét horroricoon van de 21ste eeuw. Hij moordt niet kleinschalig, zoals de vampier of seriemoordenaar, maar brengt een totale maatschappelijke implosie. De apocalyptische rage woedde ook in de literatuur: denk aan The Road van Cormack McCarthy, in 2009 indrukwekkend verfilmd met Viggo Mortsenen.

Orgie van destructie

Die orgie van destructie vond in Hollywood in 2009 een even delirisch als absurd hoogtepunt in Roland Emmerichs 2012, waarin de aardkorst verschuift, Los Angeles in zee kiepert en kilometers hoge tsunami’s over de Himalaya spoelen. Daarna raakten de rampenfilms op hun retour: dankzij goedkopere CGI komen ze nu eerder uit China, Korea of zelfs Noorwegen. In Hollywood zorgen superhelden en -schurken al tien jaar voor verwoesting en redding. Het apocalyptische Geostorm, waarin weersatellieten die de klimaatcrisis in toom moeten houden zich tegen de mens keren, werd in 2017 geen succes. ‘Master of disaster’ Roland Emmerich mag het komend jaar nog één keer proberen met Moonfall, waarin de maan op ramkoers met de aarde raakt.

Catastrofefilosoof Lisa Doeland is er niet rouwig om; zij vermoedt dat apocalyptische films apathie en verlamming in de hand werken. Ze maken ons met name bang voor het eind van het ongebreidelde consumeren. Het angstbeeld is de leeggeplunderde supermarkt; daarna is er niets. Studies tonen aan dat apocalyptische films én lectuur gretig aftrek vinden bij lieden die juist verlangend uitkijken naar het eind der tijden. In de VS, dat een sterke apocalyptische traditie kent, omarmen survivalists, doomsday preppers en de ‘peak oil’-beweging het genre. Zij identificeren zich met de Cassandra’s, de door iedereen genegeerde onheilsprofeten die in apocalyptische films vaak tot held uitgroeien.

The Day After Tomorrow (2004)

Grosso modo maken apocalyptische films volgens Doeland in zekere zin reclame voor de ondergang: het is een reactionair genre. Apocalyps betekent openbaring of onthulling: de eindstrijd waar de heidenen alsnog, maar te laat inzien dat de christenen gelijk hadden. De oude orde faalt, de kaarten worden opnieuw geschud en underdogs beginnen met schone lei in het nieuwe paradijs op aarde. Het filmgenre laat kijkers fantaseren dat zij tot de uitverkorenen behoren. Lisa Doeland: „Een heel aantrekkelijke fantasie, al is de realiteit dat juist de rijken de Apocalyps zullen uitzitten in een bunker of Nieuw Zeeland.”

Valt er nog iets te redden, dan is dat altijd door technologie. De wetenschap ontdekt het serum, bouwt een bunker of ontwerpt een ruimteschip waarin de mens de onherroepelijk vervuilde aarde ontvlucht – zie Wall-E of Interstellar. Een funest visioen, meent Doeland: „Kolossale rampen roepen om grootse oplossingen, dus dan beland je in zo’n Elon Musk-betoog: de toekomst ligt in de ruimte. Ik sprak ooit een astronaut, Jeff Hoffman, die vijf keer in de ruimte was. Bij elke ruimtewandeling besefte hij weer hoe volstrekt vijandig en ongastvrij het daar is voor elke vorm van leven.”

Doelands oplossing: omarm het doemdenken. Zet de wijzer van de Doomsday Clock die wetenschappers al heel lang naar de twaalf laten kruipen gewoon over twaalf uur heen. Haar favoriete milieufilm is How to Let Go of the World and Love All The Things Climate Can’t Change uit 2016, waar maker Josh Fox zich aanvankelijk laat overweldigen over de onomkeerbaarheid van de klimaatcatastrofe, om dan voor kleinschaligheid te gaan.

Doeland: „Het is immers allang vijf over twaalf, de Apocalyps volstrekt zich om ons heen: het uitsterven van insecten, smeltende ijskappen, ontbossing, woestijnvorming, krimpende biodiversiteit, verzuring van de oceanen. In plaats van de hele wereld in Hollywoodstijl te redden moeten we misschien nadenken over de dingen die we nog wél kunnen redden.”

Al met al heeft Doeland meer op met postapocalyptische films als Waterworld of Mad Max, waar ver na de wereldramp ecokrijgers het tussen de ruïnes opnemen tegen de verrotte resten van de oude, patriarchale orde die de status quo willen handhaven. Doeland: „Die films zijn meestal veel progressiever.”