Opinie

We zitten bij wijze van spreken in een spraakkramp

Maxim Februari

De man tegenover me denkt dat ik een captain of industry ben. Ik heb even niet opgelet, heb ja geknikt toen ik nee moest schudden, heb instemmend gebromd toen ik ontkennend had moeten grommen, en zo is het misverstand ontstaan.

We zijn al tien minuten in gesprek. Dat wil zeggen, hij praat al tien minuten op me in tijdens deze gelukzalige borrel met levende wezens in een echt bestaand gebouw. De man is vandaag net zo blij als ik en hij heeft goedgeluimd besloten zijn medemensen te gaan spiegelen, zo kan hij laten merken dat hij met hen op één lijn zit.

Voor hem betekent spiegelen niet dat hij gedrag van hen overneemt, het betekent dat hij zijn eigen situatie uit pure aardigheid aan hen oplegt. Hij is een ‘captain of industry’ en nu ben ik er van de weeromstuit ook eentje.

Iedereen moet zichzelf opnieuw uitvinden, nadat we ruim anderhalf jaar in huis opgesloten hebben gezeten. Vorige week – het was op het nieuws – zocht een dronken man in Turkije per ongeluk mee naar zichzelf: hij werd door de politie gezocht omdat zijn vrouw hem als vermist had opgegeven. Toen hij speurende politieagenten tegenkwam in het bos, besloot hij zich bij hun zoekactie aan te sluiten, totdat hem opviel dat ze zijn eigen naam riepen: „Ik ben hier!”, riep hij.

Zo lopen wij tegenwoordig allemaal rond tijdens bijeenkomsten en recepties, in vergaderingen en op feesten: het is allemaal één collectieve zoekactie naar onszelf zonder precies te weten wie we missen. Waar ben ik? De man tegenover me zoekt een ogenblik met me mee. „Ben jij betrokken bij die fusie?”, vraagt hij. Nee, zeg ik, dat is iemand anders, maar hij luistert al niet meer.

Praten moet je ook weer aanleren, stel ik vast, terwijl ik op goed geluk ja knik en nee schud. Het zou sympathiek van me zijn als ik op mijn beurt mijn medemensen zou spiegelen, maar ik heb moeite de toon van ze over te nemen. In welk stijlregister en taalregister zitten ze, welke woordenschat hoort daarbij? Zijn ze pedant, formeel, flirterig? Maken ze nou een grapje?

Thuis heb ik geoefend. Toen ik een zakelijk bericht kreeg van de gemeente, heb ik de tekst uit mijn hoofd geleerd, om achter de hand te hebben zodra efficiënt taalgebruik van me wordt verlangd. „Vooraankondiging bestemmingsplan parapluherziening zonering industrielawaai bedrijventerrein.” Zeg dat nog eens? „Vooraankondiging bestemmingsplan parapluherziening zonering industrielawaai bedrijventerrein.”

Als je een filosoof was, zou je het een taalcrisis kunnen noemen. Een spraakkramp. Zo verwilderd geraakt in het laatste anderhalf jaar dat je geen woord meer kunt uitbrengen. Ik ben zo bang voor de woorden van mensen, zegt de dichter Rilke. „Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort./ Sie sprechen alles so deutlich aus.” Opeens hebben de mensen zich met hun taal weer tussen jou en de wereld genesteld.

De man naar wie ik sta te luisteren lijkt me nu onverwacht een vraag te stellen. Iets over ondernemingsbestuur. „Sorry, ik weet het niet, het is niet mijn vakgebied”, wil ik antwoorden, maar net als ik die woorden wil uitspreken, hoor ik in gedachten dat ze een walsje vormen. Sor-ry-ik weet-het-niet, ‘tis-niet-mijn vak-ge-bied: tádada tádada, tádada tádada. In mijn verbeelding pakken we elkaar vast en walsen we de zaal door, naar buiten. De zon schijnt, het leven lokt, wat houdt ons tegen? Net op tijd slik ik het walsje weer in.

Nog steeds heb ik de toon van het gesprek niet goed te pakken en ik dreig door mijn registers heen te raken. Ik geloof niet dat deze man en ik vandaag een geanimeerd gesprek gaan voeren: veel verder dan knikken en schudden blijk ik niet te komen. Godzijdank komt er nu een vrouw aanslenteren en de man richt zich onvermoeibaar tot haar. „Mijn vriend hier”, hij kent mijn naam niet, maar hij redt zich er dapper uit, „mijn vriend heeft in zijn raad van commissarissen het probleem van de diversiteit voortvarend aangepakt.”

Nu moet ik iets zeggen. Gelukkig heb ik net een bericht over diversiteit gelezen: een commissie in het hoger onderwijs schreef over ondervertegenwoordiging van „vrouwen en personen met een achtergrond die recht doen aan diversiteit”. Net wil ik beginnen over personen-met-een-achtergrond-die-recht-doet-aan-diversiteit als ik zie dat de vrouw me aankijkt alsof ik gek ben geworden. „Sinds wanneer heb jij een raad van commissarissen?”

„O, dat is bij wijze van spreken”, zeg ik. „Het is allemaal min of meer bij wijze van spreken en ongeveer metaforisch bedoeld.” Nu kijken ze allebei glazig. Mooi zo, dan kan ik gauw even iets te drinken halen. Het is bijzonder leuk elkaar weer in het echt tegen te komen, maar ik moet nog wel werken aan de gesprekken.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.