Was het wasbedrijf of het uitzendbureau haar werkgever?

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal arbeidsrecht.

Foto Koen Suyk

Al zeker acht jaar werkt de vrouw via een uitzendbureau voor dezelfde onderneming, een groot wasserijbedrijf. Eind januari laat het uitzendbureau de vrouw weten dat er vanaf half maart afscheid van haar wordt genomen omdat de wasserij haar niet meer inleent: ze ligt niet goed bij sommigen in de zogeheten ‘badstofgroep’ en ze werkt niet hard genoeg.

De vrouw laat het er niet bij zitten en daagt de wasserij voor de rechter. Ze wil erkend hebben dat de wasserij haar werkgever is. Ze verwijst naar een bepaling in de cao textielverzorging waarin staat dat een uitzendkracht die een bepaalde aangesloten periode bij een werkgever is ingeleend, recht heeft op een arbeidsovereenkomst. Volgens de vrouw moet de relatie tussen haar en de wasserij dan ook gekwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Het bedrijf stelt, kort gezegd, dat het uitzendbureau de werkgever van de vrouw is. Daarom geldt voor haar niet de cao textielverzorging, maar die voor de uitzendbranche. De wasserij wijst alle claims af.

De rechter is het eens met de vrouw dat de desbetreffende cao-bepaling normatieve kenmerken heeft, maar stelt ook vast dat de bepaling slechts betekent dat de vrouw aanspraak had kúnnen maken op een arbeidscontract. Zelfs als ze zou kunnen bewijzen dat zij gesproken heeft over indiensttreding, zou dat alleen bewijzen dat het bedrijf haar ten onrechte geen contract heeft aangeboden en in strijd met de cao handelde. Een geslaagd beroep op deze bepaling leidt er dus niet toe dat de vrouw van rechtswege in dienst is gekomen. Kortom, ze is niet-ontvankelijk in haar claim: haar werkgever is het uitzendbureau.