Opinie

Zolang arbeidsmarkt vrouwen benadeelt, is wet gerechtvaardigd

Emancipatie

Commentaar

Nu is er echt geen ontkomen meer aan. De Eerste Kamer nam vorige week een wetsvoorstel aan dat een einde moet maken aan de mannelijke dominantie in de top van het bedrijfsleven. Vanaf 1 januari 2022 zijn beursgenoteerde bedrijven verplicht om tenminste één derde deel van hun commissarissen uit vrouwen te laten bestaan (en eveneens ten minste een derde deel uit mannen, overigens). Ook moeten grote bedrijven (naamloze én besloten vennootschappen) een ambitieus streefcijfer opstellen om de verhouding van mannen en vrouwen in de top (bestuur) en vlak daaronder (hoger management) evenwichtiger te maken.

De stemming in de Senaat was nauwelijks meer dan een hamerstuk, en dat mag op zichzelf heuglijk nieuws worden genoemd. Jarenlang is er met pappen en nat houden geprobeerd om het bedrijfsleven eigener beweging tot een evenwichtiger sekseverdeling in de top te laten komen. Tevergeefs, zo bleek jaar op jaar. Tot frustratie van de verantwoordelijke bewindslieden, die werden afgescheept met loze beloften vooraf en slappe excuses achteraf.

Alleen een keiharde stok achter de deur, in de vorm van deze wet, bracht de boel aan het rollen: in aanloop naar de inwerkingtreding van de wet bleken bedrijven ineens wél in staat de verhouding meer in balans te brengen. In de praktijk betekende dit: meer vrouwelijke commissarissen en ietsje meer vrouwelijke bestuurders. Het idee is dat via de raden voor commissarissen uiteindelijk ook de bestuurskamers diverser worden, en vanuit daar de rest van het bedrijf. Ergens moet de draai blijkbaar geforceerd worden ingezet om uiteindelijk overal en permanent resultaat te boeken.

Het is treurig te moeten constateren dat alleen met wetgeving het bedrijfsleven bereid is iets aan de scheve verdeling in de top te doen. De man-vrouw-verhouding in de bovenlaag is niet het enige hardnekkige sekseprobleem. Vrouwen krijgen ook nog altijd structureel minder betaald voor het zelfde werk dan hun mannelijke collega’s. En vorige week werd opnieuw bevestigd dat de pensioenopbouw van vrouwen structureel achterblijft bij die van mannen. Daar zitten deels verklaarbare trends achter. Zo is de vrouwenemancipatie op de arbeidsmarkt van dusdanig recente datum dat veel vrouwen nog niet zijn toegekomen aan het volledig opbouwen van een pensioen. Ook werken vrouwen vaker in deeltijd dan mannen. Overigens niet altijd uit vrije keuze. Verklaarbaar dus, maar daarmee niet minder onwenselijk en oneerlijk.

Ondanks de emancipatiegolven van de afgelopen jaren blijft ‘de arbeidsmarkt’ vrouwen dus benadelen. Soms bewust, ter bescherming van de eigen positie en het eigen netwerk. Soms ook onbewust; de zogenoemde unconscious bias maakt nu eenmaal dat groepen van dezelfde sekse eerder de kwaliteiten in iemand van diezelfde sekse herkennen dan van iemand van het andere geslacht.

Zo bezien is wetgeving een ultimum remedium om af te dwingen wat vanzelfsprekend zou moeten zijn: gelijke kansen voor iedereen. Tegelijk zijn wetgeving, geboden en verboden uiteindelijk slechte manieren om emancipatie en diversiteit te bevorderen. Het risico dat vrouwen (of mannen) benoemd onder een wettelijk quotum eerder weerstand oproepen dan empathie, is reëel. Het is dan ook goed dat de wet over vijf jaar geëvalueerd wordt en er op voorhand een einddatum is afgesproken. Als de theorie klopt dat diversiteit een onomkeerbaar proces is, zou dat voldoende moeten zijn om de draai nu echt te maken. Mocht dat niet zo blijken te zijn, dan zal een bescherming van minderheden op de werkvloer - of het nou om sekse, culturele achtergrond of expertises gaat - een permanenter karakter moeten krijgen.