Na onze dood

In Nederland overlijden jaarlijks zo’n 150 duizend mensen. Wat wacht hen eigenlijk en wat – ooit – ons? Een serie over de weg van ons lichaam, van overlijden tot graf.
In Nederland overlijden jaarlijks 150 duizend mensen. Wat wacht hen en wat – ooit – ons? Een serie over de weg van ons lichaam na overlijden.
Tekst Illustraties Frann de Bruin

Proloog Over deze serie

Een serie over de doodnormale dood

Wat ons wacht na de dood, is niet alleen voer voor filosofen en mystici. De begindagen zijn een aaneenrijging van feiten. Een serie over de doodnormale dood.

Het inwonertal van Den Bosch. Zoveel mensen in Nederland gaan er per jaar dood. 150 duizend. Vorig jaar, het uitzonderlijke 2020, overleden zelfs een kleine 170 duizend mensen. Dat is meer dan heel Haarlem. Wat gebeurt er eigenlijk met hen? En wat gebeurt er met ons, zodra wij op een dag tot die statistiek behoren?

Grofweg weten we het. Ze baren ons op en begraven ons. Ze cremeren ons en verstrooien onze as. Maar wat gebeurt er precies met en rondom ons lichaam?

NRC sprak de afgelopen maanden met tientallen mensen uit de uitvaartsector om die vraag te beantwoorden, in een wekelijkse serie van artikelen die deze dinsdag begint.

Maakt het uit, wat er met ons gebeurt? We zijn dan toch dood, zullen sommigen zeggen. Mensen die hun dierbaren net verloren, denken daar anders over. In januari dit jaar schoof een crematoriummedewerker in Limburg per ongeluk de verkeerde kist de oven in. Ze cremeerden iemand wiens uitvaartdienst voor twee dagen later gepland stond. Medewerkers waren geschokt, om over de nabestaanden zelf nog niet te spreken. Hun familielid was hen voor de tweede keer ontglipt. Tijdens de uitvaartdienst namen ze afscheid van as in een urn.

Of neem de mensen die zoeken naar een familielid dat vermist raakte, in een gebergte of na een ongeval op zee. Zelfs als buiten kijf staat dat de vermiste persoon inmiddels dood moet zijn, hunkeren ze met hart en ziel naar de vondst van dat lichaam. Ook levenloos vertegenwoordigt het wie we waren of zijn.

Wat gebeurt er precies met en rondom ons lichaam?

En dat geldt eigenlijk ook voor de verhouding tot ons eigen lichaam. Weinig gaat ons zo aan het hart en met niets vallen we zo samen. We voeden het, bewegen het, disciplineren het in de sportschool. We bevredigen het, camoufleren het, vervloeken het. We pronken met het mooie, en balen van onze buik/billen/borsten/benen/onderkin/eczeem/neusharen/beginnende kaalheid (streep door wat niet van toepassing is). We doorboren onze oren, verven onze gezichten, rechten onze tanden en tatoeëren onze onderarmen om uit te dragen wie we zijn. Of we doen dat allemaal niet, laten de boel de boel, en soms is juist dat een statement. Hoe we het ook wenden of keren, aan ons lijf ontkomen we niet. Dus ja: we zíjn ons lichaam.

Die symbiose is niet plots weg, zelfs al zijn we dood. Dus wat gebeurt er met ons? Ons lot na de dood is natuurlijk al duizenden jaren voer voor gelovigen, filosofen en mystici – wacht ons een God, een hemel, een oude veerman bij de Styx? – maar dat hoeft niet te gelden voor de begindagen na overlijden. Lichamelijk is daar niets geheimzinnigs aan. Het is een opeenstapeling van feiten, een traject ingekaderd door de wet en vergeven van protocol. Het gros van die 150 à 170 duizend overledenen in Nederland doorloopt dit traject, dat elk jaar, elke dag hetzelfde is. Wat ons wacht na de dood, kortom, is niet alleen het territorium van filosofen en mystici, maar ook van de journalistiek.

NRC beschrijft wat er met ons en rondom ons gebeurt, elke aflevering een stap. Over de postmortaal verzorgers die ons met tal van trucs tot op onze uitvaart toonbaar trachten te houden, over het waarom van een hoofdkussen in onze kist en over rouwwagenchauffeurs die balen van te veel groene stoplichten als ze ons komen halen. Over de steeds zwaardere last van kistdragers en de mores van de crematiemedewerkers die onze kisten – meestal foutloos – ‘invoeren’ in de oven.

Het richtpunt van deze serie is niet het vervolg na een gewelddadig einde, niet de politiezaken, niet de kindersterfte en ook niet de bijzondere religieuze uitvaartrituelen. Dat alles doet ertoe, maar feit is dat voor het parcours van de meest voorkomende sterfgevallen al een waas hangt. En het meest voorkomende sterven betreft een overlijden na pak ’m beet een jaar of tachtig, niet als gevolg van een niet-natuurlijk sterven (zo’n 4 procent van alle Nederlandse doden), zoals een ongeluk, maar van een natuurlijke doodsoorzaak (96 procent), of dat nu dementie is of een beroerte. En al kunnen nabestaanden steeds meer zelf doen en kiezen, een kist van karton en rouwvervoer in de eigen motorboot, de serie richt zich op de geijkte paden op weg naar de uitvaart. Een serie, kortom, over de doodnormale dood.

Illustratie Frann de Bruin

Aflevering 1 - Men schouwt ons

‘Eerst komt de dood, dan pas de dokter’

De dokter komt om ons lichaam te bekijken. Ons te schouwen. Dat moet. Keus hebben we niet. Onze nabestaanden evenmin.

Oké dus stel: het onvermijdelijke gebeurt. We gaan dood. Laten we ervan uitgaan dat het – zoals meestal – geweldloos geschiedt. En laten we hopen dat we sterven na een lang leven en een kort ziekbed, omringd door geliefden.

En nu? Wat gebeurt er nu?

Nu komt de dokter, als die er niet al is. Zo snel mogelijk moet zij bij ons zijn en liefst binnen drie uur, want daarna begint men graag met het koelen van ons lichaam. De dokter is onze eigen huisarts, diens collega met piketdienst of de dokter die ons behandelde voor de ziekte die ons nekte.

De dokter komt om ons lichaam te bekijken. Ons te schouwen. Dat moet. Keus hebben we niet. Onze nabestaanden evenmin.

En wat ziet ze? Dat we er bleekjes bij liggen, als onze huidskleur wit is tenminste. Onze bloedsomloop is gestopt, uit onze aderen zakt het bloed naar het laagste punt – onze onderrug, als we op onze rug stierven. Daar vormen zich lijkvlekken. De dokter voelt aan onze pols, of de slag afwezig is. Ze schijnt met het licht van een zaklampje in onze pupillen. Die worden niet meer klein. Voor de zekerste zekerheid kan ze met haar vingers op onze oogbol drukken. Als onze pupillen dan ook nog eens hun cirkelvorm verliezen, is ons einde boven alle twijfel verheven.

Niet dat al die handelingen écht nodig waren. De dokter ziet meteen dat we dood zijn. Ze zien het eigenlijk vrijwel altijd meteen. Het roerloze van ons lichaam. Ze moeten altijd weer een drempel over, de dokters, wennen doet het zelfs na honderden lichamen niet, dat onmetelijk verschil tussen het doodse van de dood en het levendige van het leven.

De dokter staat ons hier trouwens niet alleen te bekijken en te bevoelen om ons officieel dood te verklaren. Zij is hier vooral om vast te stellen of we heengingen op natuurlijke wijze, en niet door moord, een ongeluk of ander onheil. Ja, hoe sereen we ook heengingen, ieder van ons raakt postmortaal kort verzeild in het draaiboek van een detective. De dokter checkt onze oogleden en halsstreek op wurgsporen en verdachte bloedinkjes en ze tuurt in onze mond want wie weet stikten we ergens in. En ze inspecteert onze lijkvlekken. Zitten die op onze buik terwijl we op onze rug liggen, dan heeft iemand ons na onze dood omgedraaid. De arts kijkt om zich heen: zijn er sporen van inbraak? Van bloed? Ze bevraagt onze nabestaanden: hadden wij klachten? Waren wij ziek? Gingen we plots? Biedt het huisartsendossier relevante informatie? Bij twijfel schakelt de dokter een forensisch arts in.

Zo ver komt het meestal niet. Van de ruim 151.000 mensen die in Nederland in 2019 stierven, gingen er ruim 143.000 natuurlijk heen.

Wij behoren tot die groep – deze serie gaat over de meest voorkomende gevallen – dus pent de dokter nu onze namen en datum van overlijden neer op een formulier bestemd voor de gemeente. ‘Verklaring van overlijden’, heet het, maar op de sterfdatum na, verklaart het formulier over ons overlijden eigenlijk helemaal niets. Wie had gehoopt op een ronkend ‘Vandaag is spijtig genoeg uit uw gemeente heengegaan, uw inwoner…’, komt bedrogen uit. We zijn namelijk al een „lijk”, in onze overlijdensverklaring. De dokter verklaart ons lichaam persoonlijk te hebben „geschouwd” en te zijn „overtuigd” van een dood met „natuurlijke oorzaak”.

In ruil voor het formulier geeft de gemeente aan onze familieleden of ingeseinde uitvaartondernemer per ommegaande een formulier terug. Het is een verlofbrief. Ons ultieme verlof. Na al die eerdere verloven, wegens vakantie en zwangerschap en ouderschap en zorg en kort verzuim, is het nu tijd, aldus de ambtenaar van de burgerlijke stand, voor het verlof „tot lijkbezorging”. Ons laatste verlof is een toegangskaartje tot begraafplaats of oven.
Maar zover zijn we nog niet. Ons rest nog een paar dagen bovengronds. Dagen waarop ze ons graag toonbaar houden. Onze verzorgers zijn aan zet.

Illustratie Frann de Bruin

Aflevering 2 Men verzorgt ons

Met trucs van top tot teen houden ze ons toonbaar

Niemand komt na onze dood zo dichtbij als de postmortale verzorgers. Ons lichaam is hun werkveld.

De trucs die we bij leven met onze lichamen uithaalden! Hakken maakten onze benen langer, make-up gaf ons een blos, gel verstijfde ons haar, tandpasta smoorde onze ochtendadem.

Het is misschien troostrijk dat onze postmortale verzorgers – in nauw overleg met onze nabestaanden – op dezelfde voet verdergaan. Met trucs houden ze ons toonbaar, de dagen tussen overlijden en uitvaart. Niemand komt zo dichtbij als zij. Ons lichaam is hun werkveld.

De verzorgers, al dan niet ingeschakeld door de uitvaartondernemer, beginnen zo snel mogelijk. Thuis of in het mortuarium van ziekenhuis of uitvaartcentrum lopen ze ons van top tot teen na. Hadden we katheters of infusen, dan verwijderen ze die. De gaten waardoor de slangen onze aderen binnendrongen, dichten ze met huidlijm of met naald en draad, zodat bloed of vocht er niet uit kan. En ze bevoelen onze hartstreek. Ontwaren ze de harde, platte omtrek van een pacemaker, dan maken ze een sneetje en halen hem eruit – als naasten akkoord gaan. De batterijen van het apparaatje vervuilen de grond van de begraafplaats. Of ze ontploffen, in het heetst van de crematie. Niemand heeft graag ovenschade.

Onze waardigheid hoog houden, moeten anderen doen nu. Als ze ons omkleden, bedekken ze onze schaamdelen steevast met een handdoek. Ook als in huiskamer of mortuarium niet één pottenkijker in zicht is, en ook al zijn we zelf de schaamte voorbij. De moslims en joden onder ons kunnen ook rekenen op lichaamsbedekking, in geval van verzorging en rituele wassing geschoeid op hun religie.

Of we nu 104 of 21 jaar zijn geworden, onze kringspieren verslappen na overlijden. Wat in de darmen zit, kan eruit. Dus onze verzorgers doen ons een luier om. Al vermijden ze dat woord uit eerbied voor wie we waren of zijn. We dragen een „incontinentiesysteem” kortweg „inco” nu, en ons ondergoed doen ze eroverheen.

Onze ogen verdrogen snel. Om een akelig holle look te voorkomen, plaatsen de verzorgers op onze ogen bolvormige lensjes van kunststof. Lensjes met ribbels die voelen als braille. Maar niemand die ze ziet. De verzorgers tillen onze oogleden eroverheen. Prettig gezichtsbedrog.

Ze kleden ons ook aan, onze verzorgers of naasten. Maar meestal zijn onze armen een paar uur na overlijden stijf. Om ze toch door een mouw te krijgen, pakken ze onze hand vast en bewegen ze onze onderarm omzichtig richting elleboog, en vervolgens de hele arm richting schouder.

Zwaarlijvigheid rukt op in Nederland, en dat ondervinden de verzorgers aan den lijve. Om ons in jurk of jasje te krijgen, moet men ons draaien van de ene zij op de andere, en zijn wij fors, dan wordt dat al gauw een gesjor dat oneerbiedig oogt. Dus vragen verzorgers steeds vaker aan onze nabestaanden of ze de schaar mogen zetten in onze XL-kledij. De ruggen van onze overhemden, blouses en colberts knippen ze in tot aan de boord. De voorkant van onze kleren vouwen ze netjes terug over onze buik en borst.

Intussen ontbinden we. De bacteriën in de darmen zijn het naarst. Onze spijs verteerden ze toen we leefden, maar dankbaarheid ho maar. Nu voeden ze zich doodleuk met onze organen, van gal tot milt, en brengen ze gassen voort als zwavelwaterstof en koolzuur. Dat oprukkende miljardenleger verslaan, gaat niet. Afremmen is het hoogst haalbare. Dat doen verzorgers het vaakst met kou. Liefst zo’n drie uur na overlijden beginnen ze al met koelen, in mortuarium of uitvaartcentrum. Baren ze ons thuis op, dan leggen ze een koelplaat op ons matras, verbonden aan een motortje.

Voor wie kou en condens wil mijden, is er nog een kunstgreep voorhanden. Thanatopraxie, een milde vorm van balseming, houdt ons een dag of tien goed. Ze halen het bloed uit onze aderen en doen er een vloeistof met een scheutje formaline in. Daar houden bacteriën ook niet van. Volledig balsemen, dat meer formaline vergt en ons lichaam jaren goed houdt, is verboden. Tenzij we ons lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap of we naar het buitenland moeten worden overgebracht. Of, nog een optie, als we lid zijn van het Koninklijk Huis.

Heten we geen Van Oranje en gaat ons gezicht ondanks de koeling ontbindingsvlekken vertonen, dan kunnen ze die camoufleren. Make-up in tegenkleuren gebruiken ze. Groen over rode vlekken, lila over geel, oranje over blauw. Gewoon opmaken kan ook. Onze nabestaanden doen het vaak zelf. Sommige overledenenverzorgers stellen voor ook de mannen onder ons een blosje mee te geven. Voor menig man de eerste make-up ooit. „Há”, roepen zijn vrouw en kinderen soms ontroerd uit, „hij had eens moeten wéten!”

Illustratie Frann de Bruin

Aflevering 3 Men kist ons

Ze baren ons op: een bovengrondse voorproef van het echte R.I.P.

Onze nabestaanden nemen afscheid. Voor ons, opgebaard en wel, een tamelijk rustige fase.

‘Laat je niet kisten.’ Bij leven is dat een fijn gezegde. Maar de dood logenstraft het snel. Zodra ons lichaam is verzorgd en aangekleed, worden we opgebaard, en dat gebeurt vaak in een kist.

We kúnnen het uitstellen. Opbaren gaat ook prima in een gewoon bed, thuis of in de kamer van het verzorgingshuis. Of we kiezen voor een opbaarplank. Die ziet eruit als een groot dienblad met opstaande rand. Daarin liggen we minder diep, onze nabestaanden hoeven zich niet over een kistrand te buigen en kleine kinderen hoeven niet te worden opgetild.

De opbaarfase is bedoeld voor hen, onze nabestaanden. Ze nemen afscheid van ons. Daarvoor hebben ze, de wet zegt het precies, na ons overlijden minimaal 36 uur en maximaal zes werkdagen. Een hectische tijd, want ze moeten ook onze uitvaart regelen. Een islamitische plechtigheid moet al helemaal snel. Opbaren duurt hoogstens een dag. Hoe eerder begraven, hoe beter.

Worden we langer opgebaard, zoals meestal gebeurt, dan is dit voor ons, de doden, een rustige fase. Anders dan tijdens de lijkschouw en de verzorging laat men ons tamelijk ongemoeid. We liggen gewoon een paar dagen lang uitgestrekt op onze rug. Een bovengrondse voorproef van het echte R.I.P..

Stel, we stierven thuis en zijn opgebaard in ons eigen bed, dan leggen ze – de uitvaartmedewerker of onze naasten zelf – onze handen open en bloot op een deken of kleed dat onze benen aan het zicht onttrekt. Ons hoofd ligt gewoon op een kussen: niet voor ons comfort uiteraard, maar om te voorkomen dat ons hoofd lager ligt dan onze romp. Bloed zakt naar het laagste punt, we kunnen lelijk verkleuren. Bovendien kijken ze ons niet graag in de neusgaten. Men gunt ons – en zichzelf als toeschouwer – een natuurlijke aanblik.

Maar hoe gewoon we er ook bij lijken te liggen, ze doen tussen ons lichaam en het matras wel een koelplaat. ‘Vriesplaat’ zou het ding juister omschrijven, want om op te boksen tegen de omgevingstemperatuur moet de plaat afkoelen naar een graad of min twintig. Anders haalt ons lichaam nooit de plus vier graden, de ideale temperatuur om de ontbinding te remmen. Ze doen een hoeslaken om de vriesplaat, en soms nog een extra laken daaroverheen, maar de kou is zo extreem dat zich onder ons lichaam in de loop der opbaardagen een ijslaag kan vormen. Onze kleding kan zelfs aan laken en plaat vastvriezen. Zetten ze de plaat op de dag van onze uitvaart niet tijdig uit, dan is soms enige kracht nodig om ons los te krijgen.

Al worden we gekoeld, we ontbinden. Uitvaartmedewerkers komen de staat van ons lichaam daarom dagelijks controleren. Zijn we nog toonbaar? Halen we de dag van onze uitvaart tamelijk ongeschonden? Heel soms zien ze helaas aankomen van niet. Liggen we nog in een bed, dan is dit het moment dat we de kist in moeten, want die kan dicht. Drie man sterk, zes handen onder ons lichaam, ‘schept’ men ons het bed uit en de kist in.

Daar liggen we, in wat vroeger recht voor zijn raap een doodskist heette, later een grafkist werd genoemd, maar door de opmars van cremeren ‘uitvaartkist’ is gaan heten. Net geen twee meter lang meet-ie, en vanbinnen is-ie zo’n 57 centimeter breed. Dat is een centimeter of twee breder dan de standaardmaat van een paar jaar geleden. Ook in de uitvaartsector passen ze zich aan de uitdijende mens aan. Zijn we slank, dan liggen we dus riant in de kist. Rianter dan voorouders met eenzelfde BMI.

Opnieuw rusten onze handen op een dekentje en ons hoofd op een kussen, dat gevuld kan zijn met de krullen van houtzaagsel. Het lucht tussen de houtkrullen houdt de kou goed vast, zo houden ze ons hoofd koel. De zijkanten van de binnenzijde van de kist zijn vaak van gewatteerd katoen. Dat kreukt minder en als onze naasten hun handen erop laten rusten, voelen ze het hout niet zo. Naar het voeteneind loopt de kist taps toe. „Esthetischer”, zeggen fabrikanten. Bovendien is het op de dag van de uitvaart praktisch om te weten waar onze voeten zich bevinden, en waar ons hoofd. Zo plaatsen katholieken ons tijdens de plechtigheid in de kerk van oudsher met de voeten richting altaar. Tilt men onze kist het graf in – van welk gezindte we ook zijn – dan moet het hoofdeinde juist weer eerst. In de woorden van een kistfabrikant: „Men wil niet het gevoel hebben van: shit, wat als ik de kist verkeerd neerzet.”

Illustratie Frann de Bruin

Aflevering 4 Men rijdt ons

In de rouwauto gaan onze voeten eerst, zo bewegen we met de rijrichting mee

De chauffeur van onze laatste rit op aarde is meestal een man. Met zwarte sokken in zijn zwarte schoenen komt hij ons halen.

De doden reizen wat af, menen de levenden. We gaan heen, naar de eeuwige jachtvelden, naar gene zijde, het hiernamaals, opwaarts naar de hemel. Egyptenaren gaven hun doden proviand mee, oude Grieken de hunne een muntstuk als veergeld voor de tocht over de Styx.

Maar er is slechts één dodentocht waarvan het bestaan onomstotelijk vaststaat, en dat is de reis van de plek waar we opgebaard lagen naar de locatie van onze uitvaart, meestal in een Cadillac, of in een Mercedes die in een carrosseriefabriek als firma Huiskamp te Winterswijk met een cirkelzaag doormidden is gekliefd en vervolgens is verlengd, verbreed en opgehoogd tot een rouwwagen van vertrouwd formaat. Dát is onze laatste reis, in elk geval op aarde zelf.

Een rouwwagenrit is geen plicht. Er kan veel, want de wet zwijgt over dodenvervoer. Loopkoets, rouwcaravan, bakfiets, jeep, opgeladen Tesla. Zelfs tegen vervoer zónder kist zegt de wet geen nee. Ons levenloze lichaam mag open en bloot in zithouding op de achterbank van een huurauto. Al raadt Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen aan om „even stil te staan bij de vraag of dit gebruik van een gehuurde auto gepast is”.

Maar de meesten van ons kiezen voor een klassieke rouwwagen, een vergrote Mercedes of Cadillac in grijs, zwart, beige of wit.

En wie is onze laatste chauffeur? Ondanks golven van emancipatie is ook onze Charon veelal een man. In zwart kostuum en met zwarte sokken in zijn zwarte schoenen komt hij ons halen, thuis of in het uitvaartcentrum. Onze kist is zelden nog open, zo kort voor onze uitvaart, dus zien doet hij ons niet, maar zijn handelingen zijn doortrokken van achting voor ons en onze naasten. Dat streven naar eerbied krijgt hij ook opgedragen door zijn werkgever via gedetailleerde instructies, gebundeld in een boekje. Te laat aankomen op een thuisadres is een no-go, maar te vroeg arriveren ook, want iedereen ziet die joekel van een somberauto voor het huis staan, en onze nabestaanden moeten niet het gevoel krijgen dat ze zich moeten haasten.

Tijdig vertrokken chauffeurs vervloeken dus de groene golf der verkeerslichten. Om de tijd te doden moeten ze dan een schuilplek vinden, niet te dicht bij ons thuisadres. Achter een stel garageboxen bijvoorbeeld, of op een parkeerplaats. Chauffeurs moeten de route naar ons huis ook écht kennen – dwalen door woonwijken zorgt voor grote onrust op buurtappgroep na buurtappgroep. De chauffeur mag de navigatie aanzetten, liefst op stil en in elk geval nooit hard, want een luid en duidelijk ‘bestemming bereikt!’ zal niet goed vallen bij onze naasten, rokend op de stoep voor ons huis.

Familieleden of uitvaartmedewerkers wielen onze kist op een schaarwagentje richting auto. Pas dan doet de chauffeur zijn achterklep open. Staan wachten met open klep – komt u maar door met de bestelling – zul je goede chauffeurs niet zien doen.

Men tilt onze kist de auto in. We schuiven vlot door, want in de lange vloer van de auto zijn van voor naar achter vier paar rolletjes ingebouwd. Onze voeten gaan eerst. Het hoofdeinde van de kist komt dus aan de kant van de achterklep. Zo bewegen we met de rijrichting mee, zoals velen van ons bij leven graag deden. Snel kozen we alsnog de stoel tegenover ons als de trein het station aan de andere kant bleek uit te rollen. Dood gunt men ons hetzelfde.

Aan ons hoofdeinde zit een aandraaibare klem om de kist mee vast te zetten. Aan het voeteneind zit een metalen steun. De kist moet je dus ter fixatie tot aan die achterste steun doorschuiven. Familieleden die willen helpen, vergeten dit weleens. Die draaien dan alleen de kistklem aan het hoofdeind vast. De kist gaat dan schuiven, zoals een chauffeur eens merkte toen hij remde voor rood. „Boem!, hoorde ik. En bij het optrekken nog een keer, want toen schoof de kist weer naar achter. Een ramp. Het is maar zo’n stukje, tien, vijftien centimeter, maar je hoort het wel.” Sindsdien schuift hij de kist zelf door.

Als de chauffeur ons ophaalt uit het uitvaartcentrum, rijdt hij daarna desgewenst langs ons huis voor een laatste groet of om nabestaanden op te halen. De chauffeur parkeert de auto zo dat het huis rechts ligt. Want als hij dan uitstapt, links dus, en een buiging maakt in de richting van onze naasten op de stoep, dan liggen wij in onze kist er mooi tussen. Wij: het fysieke middelpunt, heel even nog.

En dan vertrekt de stoet. Doodgaan is een afscheid van alles, ook van 50 kilometer per uur binnen de bebouwde kom. Trager is plechtiger, harder dan 30 zullen we niet gaan. Op de snelweg 80. Zo komen wij aan op onze bestemming – begraafplaats, kerk, crematorium – en daar gaat onze reis zometeen verder. Ongemotoriseerd, en stapvoets.

Aflevering 5 Men draagt ons

Ze nemen onze kist op de schouders om ons te verheffen boven de medemens

Nog steeds draagt men ons vaak richting graf, synchroon en met kleine stapjes, hun linkerbeen eerst, net als soldaten

Moeders droegen ons het leven in, oude mannen droegen ons het leven uit. Met z’n zessen of achten en gekleed in plechtig zwart namen ze onze kist op de schouders. Een eretocht richting graf, verheven boven de medemens.

Maar cremeren werd gewilder dan begraven, en rond crematoria wordt er weinig gedragen. Men zet ons op wieltjes. Preciezer: onze kist gaat vanuit de rouwwagen op een rechthoekig wagentje gedrapeerd met een fluwelen rok die het zicht op de wieltjes ontneemt. Deze ‘rijdende baar’ heeft vaak duwbeugels aan de lange zijden, en doorgaans zijn het niet langer onbekende, oudere mannen die ons voortbewegen naar de eindbestemming, maar onze naasten zelf.

Ook richting graf gebruiken onze nabestaanden de rijdende baar vaak. Maar familieleden en vrienden nemen ons als laatste eresaluut soms toch graag op de schouders, en zij huren weleens een professionele drager in om hen te instrueren. In de kerk of een achterkamertje van de aula oefenen sommige instructeurs vooraf al een keertje, kort voor onze afscheidsplechtigheid. Opschouderen van de kist, in de maat lopen, afschouderen. Wij het gewichtig oefenmateriaal.

Beroepsdragers zitten sowieso niet om werk verlegen, want jaarlijks zijn er nog altijd vele tienduizenden begrafenissen, en lang niet alle families beschikken over de fitte ooms en vitale dochters die onze kist kunnen dragen of voortduwen. Onze nabestaanden kiezen soms ook voor beroepsdragers gewoonweg omdat zij het smaakvoller vinden, een tocht naar het graf vol ambachtelijke etiquette.

Dus staan ze onze kisten nog steeds op te wachten, dag na dag op de begraafplaatsen van Nederland, die zes in plechtig zwart geklede dragers.

Oud zijn ze vaak niet meer, studentenverenigingen zijn hofleverancier. De drager die het commando voert zegt: ‘Héren, alstublieft!’, of kortweg: ‘Héren!’, en dan hop, tillen ze de kist de rouwwagen uit en de schouders op. Het commando kan ook ‘Dames!’ zijn, want er bestaan vrouwenteams, al zijn die verreweg in de minderheid. Het genderneutrale bevel heeft ook zijn intrede gedaan: ‘Dragers!’ Of: ‘Allen!’

En na een volgend ‘Alstublieft!’ of ‘Dragers!’ beginnen ze te lopen, drie dragers links, drie dragers rechts, het linkerbeen eerst als bij soldaten, synchroon en met kleine stapjes. Net als in de rouwwagen liggen wij overledenen met onze voeten naar voren, we bewegen met de looprichting mee. Een blijk van eerbied. „Dan kijkt de overledene naar voren”, zei één drager zelfs, zonder gebruik van een nuancerend ‘bij wijze van spreken’.

Onze lichamen zijn het zwaarst bij hoofd en romp dus de sterkste twee dragers lopen achteraan. Vooraan houden ze onze benen omhoog. Samen scheppen de dragers eer in het zo „mooi” mogelijk begeleiden van ons overledenen. Mooi is een kist die vlak, horizontaal, wordt gedragen. Mooi is dus een klein lengteverschil tussen de dragers onderling. Niet mooi is een kist die wiebelt. Niet mooi zijn grimassen die de last verraden van het getorste gewicht.

Het geval wil dat wij steeds vaker behoorlijk zwaar zijn, zo niet obees. Een standaardkist van spaanplaat weegt leeg veertig kilo, één van massief hout zeker vijftig. Tel daar twintig kilo aan hout voor de echt stevige lichamen bij op, want die vergen een ‘buitenmodel’ kist. En dan moeten wij, de overledenen zelf, er dus nog in.

Al dat gewicht belandt op de schouders van de dragers. Zes Brabantse beroepsdragers begeleidden een jaar geleden een overledene de kerk in, en het was te zwaar. Ze tilden geforceerd, met grimassen op hun gezicht. Niet mooi. De voorman liet in alle haast twee extra dragers komen, want de kist moest ook de kerk weer uit. Sinds die dag vraagt hij begrafenisondernemers ruim vóór een uitvaart standaard om het totaalgewicht van kist plus overledene. Gaat dat de 140 kilo te boven, dan trommelt hij acht dragers op.

Ons graf komt in zicht. Onze kist gaat van de schouders af, of van de baar op wieltjes. Want de dragers moeten ons onderhands tillen om te manoeuvreren rond het gat van het graf. Eerst maken ze een draai, het hoofdeind moet eerst nu. Stapje voor stapje lopen ze, drie links en drie rechts van het graf. Ons gewicht voelen ze meer dan ooit, want ze moeten hun armen strekken, het gat is een kleine meter breed. Dragers die lijden onder deze inspanning, doen er verstandig aan zich in te beelden dat ze aan hun andere zijde een zware tas dragen. Dan winnen ze aan evenwicht. Onverstandige dragers trekken de kist naar zich toe. Dat is bepaald oncollegiaal. Dragers aan de andere kant moeten dan nog verder reiken, en niemand belandt graag voortijdig in een graf.

Überhaupt belanden weinigen van ons graag in het graf. Eens moest het er helaas van komen.

Aflevering 6 Men begraaft ons

Konden we nog horen, dan schrokken we nu op van het zand – plof! – vallend op onze kist

Onze kist staat in het graf. Zo’n halve meter door de grond naar links en rechts liggen de aanpalende graven al. We zijn onder de mensen hier.

Oké, even recapituleren. We stierven een kleine week geleden. Een schouwarts ondertekende onze overlijdensverklaring. De gemeente verstrekte ons verlof tot lijkbezorging. Ze baarden ons op, namen afscheid, en droegen ons de begraafplaats op. Want we kiezen voor begraven, zoals een op de drie Nederlanders doen.

Dus nu, nu staat onze kist op de horizontale draagkettingen van een lift die het graf als een fotolijst omkadert. Ze zullen ons spoedig laten dalen.

En waarin dalen we af? Dat hangt van onze welstand af. Heeft onze familie weinig geld, dan is de kans groter dat de keus valt op een graf dat we delen met doden die ons volstrekt onbekend zijn. In zo’n ‘algemeen graf’ gaan meestal drie kisten onder elkaar. Graven van vier of vijf kisten komen ook voor, op grote begraafplaatsen in de Randstad, waar de grond schaars en duur is. Ze bouwen er flats in de hoogte voor armlastige levenden en flats in de diepte voor armlastige doden.

Prijzen verschillen per gemeente. Maar neem Utrecht: een algemeen graf kost er 1.300 euro, bijna 2.000 euro minder dan een eigen graf. In ruil voor dat koopje doen onze nabestaanden afstand van elke zeggenschap. Ze huren ons graf slechts, voor een maximum van vaak tien jaar. Verlengen is niet mogelijk. Na die tijd worden onze resten geruimd.

Hebben we meer te besteden, dan kunnen we kiezen voor een graf op eigen naam, vaak één of twee kisten diep. We kiezen zelf met wie we het graf delen. Onze partner, meestal. De rechten op het graf kunnen we verlengen tot in lengte van dagen.

Maar, rijk of arm, onder de grond zullen we belanden. Het bijzetten van doden in bovengrondse praalgraven laten we aan Fransen, Spanjaarden en Zuid-Amerikanen. In Nederland richten rouwenden de blik neerwaarts.

Zoals nu. De uitvaartleider drukt een pedaal in, de graflift treedt in werking. Op de kettingen gaat onze kist naar beneden. Niet eens heel langzaam. Dertig centimeter onder het maaiveld al, vijftig, zeventig – onze naasten staan echt boven ons nu. Onze kist bereikt de één meter tien, de diepte van een eenpersoonsgraf, maar laten we zeggen dat dit een graf is voor twee, en dat onze partner nog leeft. We dalen dus door. Anderhalve meter, één meter zeventig. De kist nadert de bodem. De sluiting van de ketting raakt de grond en klapt door de druk vanzelf open. Eén meter tachtig diep. We zijn los.

Ons graf is driekwart meter breed. De kist is maar vijf centimeter smaller, hij staat er strak in. We staan op zwarte aarde of op klei. Zo’n halve meter door de grond naar links en rechts liggen al de aanpalende graven. We zijn onder de mensen hier.

Konden we nog horen, dan schrokken we nu op van het zand – plof! – vallend op de kist. Onze naasten scheppen het er misschien zelf in – onder katholieken is die kans groot. Op joodse en islamitische begrafenissen scheppen onze naasten het graf vaak zelfs helemaal dicht. Nu blijft het bij wat schepjes, en een roos of twee.

Dan is het stil. Even. Zijn onze familieleden uit zicht, dan komt al snel de grafdelver die de knijpbak van zijn graafmachine laat happen in de hoop aarde die hij gisteren met dezelfde machine uit ons graf heeft geschept. Twee uur werk en het graf is dicht en keurig aangeharkt. Een gedenksteen zal ons graf pas over een paar maanden afdekken. Eerst moet de grond inklinken. Niemand wordt graag scheef herdacht.

Hier liggen we dan. Op een ‘begraafplaats’. Typisch woord eigenlijk. De taal is duidelijk van de levenden, die houden van eufemismen. Was de taal van ons, dan zou het hier een ‘ontbindingsplaats’ heten. Dat is het hele doel van onze aanwezigheid hier. Ontbinden. Verteren. Daarom moeten we hier van de wet minstens tien jaar liggen. Daarom is onze kist biologisch afbreekbaar. Daarom moet ons graf dertig centimeter uitkomen boven grondwater. Daarom adviseerde de uitvaartleider onze naasten – hopelijk! – om ons te kleden in katoen of linnen of wol en niet in polyester of nylon. Schoenen? Breken niet af. Rouwboeketten? Bevatten steekschuim. Smartphone mee voor een kort lijntje naar de hemel? Grappig hoor. Maar nee. De batterij vervuilt.

We kunnen die hele traditionele begraafplaats ook links laten liggen. Het ene na het andere Nederlandse natuurgebied stelt zich open. We kunnen kiezen voor een graf in de vrije natuur, met als gedenkteken een boomschijf of zwerfkei. Het bespaart onze naasten de zorg van grafonderhoud. Hoeven ze niet ook nog te mantelzorgen ná onze dood. Kunnen ze ons gedenken en tegelijk door het bos wandelen. Rouw plus recreatie. Traditionele begraafplaatsen bieden die mix ook steeds vaker. Oases van groen, noemen ze zich. Bezinningsplaats. Gedenkpark. Theehuizen en paviljoens verrijzen naast onze graven. Weduwes en weduwnaren maken er een praatje. Onze partners – tot de dood ons scheidde. Wie weet drinken ze samen wat, daar boven het maaiveld. En proosten ze. Misschien wel op ons.

Aflevering 7 Men cremeert ons

Voor reïncarnatie is geen bewijs, wel voor recycling na crematie

De oven is zo’n meter breed, twee meter dertig lang, tachtig centimeter hoog. Vijf kwartier in de oranjerode hitte en we zijn niet langer uniek.

Nabijheid wint aan invloed, na onze dood. Onze naasten kleden ons vaak zelf aan, ze vieren ons leven tijdens een condoleance in sportkantine of kroeg, en van het uitvaartcentrum kregen ze een sleutel van een eigen familiekamer zodat ze op elk zelfgekozen uur van dag of nacht kunnen langskomen om naast onze gekoelde kist te rouwen. Het hoeft dan ook niet te verbazen, dat zelfs nu onze kist zich pal voor de deur van de crematieoven bevindt, onze familie steeds vaker náást ons staat.

Onze kist, zo zien onze naasten, ligt voor de ovendeur op een metalen invoerband. Aan de zijde van onze familie staat de dienstdoende medewerker van het crematorium. De ‘ovenist’, in vaktaal. Maar dat is een woord dat ze bij het crematorium ten overstaan van rouwenden niet altijd verkiezen. Voor onze naasten zijn ze ‘crematoriummedewerker’.

Deze medewerker houdt nu een zandkleurig steentje omhoog. Het lijkt op een hostie, maar dan minder plat. En er is een nummer in gekerfd. De medewerker vertelt onze naasten dat dit een vuurvast crematiesteentje is dat zo boven op de kist meegaat de oven in. Het nummer is uniek en helpt onze as straks te identificeren als de onze. De ovendeur zal zo opengaan, vertelt de medewerker, de invoerband zal de kist overdragen aan de oven en de deur zal zich sluiten.

Een goede crematoriummedewerker kent zijn oven, en zal zo nodig waarschuwen dat er, soms, een vonk of vlam te zien kan zijn. Kisthout ontbrandt gauw. Maar van een helse vlammenzee tijdens de crematie zal geen sprake zijn. Het is de ovenhitte die ons cremeert.

De medewerker drukt op een knop of twee en de machinerie treedt in werking. Onze kist schuift de oven in. Nu zijn we alleen.

De oven is ruim een meter breed, twee meter dertig lang, tachtig centimeter hoog. De kans is groot dat we ons bevinden in een exemplaar van Nederlandse makelij, want dit land is wereldmarktleider in wat bekendstaat als ‘humane crematieovens’. Facultatieve Technologies en DFW zijn de grote merken. Onze oven werkt op aardgas, slechts een handvol crematoria is overgegaan op stroom. Een computergestuurd programma zorgt voor de juiste verhouding van zuurstof en gas, zodat er geen rook vrijkomt. De oven warmt op tot dik duizend graden. In de oranjerode hitte maakt de oven as van ons. Dat duurt vijf kwartier.

Uit het zicht van familie nu, trekt een crematoriummedewerker vervolgens met een metalen schuif aan een lange steel onze resten zorgvuldig de oven uit en een aslade in. De aslade is uitneembaar – in het geval van een DWF6000 op een „ergonomisch verantwoorde positie”, belooft de ovenfabrikant op zijn site. Prettig nieuws voor de crematoriummedewerker en diens rug.

Wat van ons rest, zit in die lade. Zo’n drie of vier kilo witgrijs as dat zo heet is dat het nu een uur moet afkoelen. Honderd procent pure as is het niet. Een handvol komt van het hout van onze kist. Het crematiesteentje belandt ook in de lade. En er zit metaal in. Nietjes die de binnenvoering van de kist fixeerden. Schroeven en spijkers. Edelmetalen bruggen en kronen, ooit ingebracht door onze tandarts. Integrale kunstheupen. Elleboogprotheses. Onze kunstknieën.

Voor reïncarnatie bestaat geen bewijs, voor recycling wel. Want de crematoriummedewerker laat met een tang onze protheses uit onze afgekoelde as herrijzen, en met een magneet de nagels van onze kist. Dat metaal doen ze in een klikobak waarop het blauwwitte logo prijkt van OrthoMetals, een bedrijf uit Meppel dat zijn vrachtwagens halfjaarlijks langs de 112 crematoria van Nederland stuurt voor een verzamelronde.

Ze sorteren het metaal per legering en verkopen het zonder tussenpersoon aan smelterijen. Omgesmolten begint het metaal aan, ja, aan een nieuw leven. Nee, niet in andermans lichaam, zeggen OrthoMetals en de Landelijke Vereniging van Crematoria: nooit zal onze kunstheup dienstdoen als andermans kunstheup. Kobalt uit onze protheses kan belanden in lagers die de wrijving verminderen in automotoren. Titanium uit onze kunstheupen vindt onder meer zijn weg in vliegtuigen. Titanium zit ook in helikopters en raketten.
Het begrip ‘hemelvaart’ krijgt er dus een dimensie bij. We mogen er allemáál op hopen. Ook als we goddeloos zijn. Zolang we maar geloofden in het heil van orthopedie.

Onze asresten, verschoond van metaal nu, schenkt de medewerker over in een asbus. De medewerker zet die op een plank naast andere asbussen. Ze staan er totdat onze nabestaanden onze resten komen ophalen. Op elke asbus prijkt het nummer van ons eigen crematiesteentje. Dat onderscheidt ons van elkaar. Onze as zelf onderscheidt ons niet. Er zit geen dna in, uniek zijn we niet meer. De uitzonderlijkheid van ons ik is nu overgeleverd aan het feilbare geheugen van de levenden.

Aflevering 8 Men verstrooit ons

Tsja, wat te doen met onze as? Een urn in? Verstrooien op zee? Verwerken in een tattoo?

Velen van ons legden bij leven niet vast wat er met onze as moet gebeuren. Onze naasten moeten dan námens ons kiezen. Dat ís al lastig, en tot overmaat van ramp zijn er eindeloos veel mogelijkheden.

Ons lichaam is tot as geworden. Vijf kwartier in de oven en het was gepiept. Onze resten deden ze in een asbus. Die zetten ze neer op een plank in het crematorium. En daar bevinden onze resten zich nu nóg. Al een maand. Dat is verplicht. In verdachte situaties zou justitie de as kunnen onderzoeken op sporen van gif. Tenminste, dat is van oudsher de gedachte achter die bewaartermijn. Opvallend genoeg zeggen forensisch toxicologen desgevraagd iets heel anders. Bel het Nederlands Forensisch Instituut maar eens, namens ons. Er vallen nauwelijks tot geen gifsporen te bespeuren in op duizend graden verbrande menselijke as. Zo’n onderzoek gebeurt dan ook zelden tot nooit!

En wij maar wachten, hier op de crematoriumplank.

Oké, toegegeven, er is een tweede reden waarom onze asbus hier minstens een maand moet staan. Onze nabestaanden moeten de tijd krijgen, zegt de wet, om te bedenken wat er met onze as moet gebeuren.

Dat is inderdaad een complex besluit. Want velen van ons hebben bij leven hun wensen niet duidelijk gemaakt. Tsja, sorry, zo gingen die dingen. Als we bij leven al over onze dood spraken, was dat meestal in de trant van: ‘Wat wil jij, begraven of cremeren?’ Nooit stelden we de vervolgvraag: ‘En wat wil je dat er daarna zoal gebeurt met jouw asresten à drieënhalve kilo?’

Zoiets beséfte je niet.

En dus moeten onze nabestaanden vaak namens ons kiezen. Dat ís al lastig, en tot overmaat van ramp zijn er ook nog eens eindeloos veel keuzemogelijkheden. Onze as kan in een sier-urn op een mooi plekje in huis, onze urn mag onder de grond in een zogenoemd urnengraf, we kunnen worden bijgezet in het graf van onze overleden partner: links de kist, rechts een sleuf met onze urn. We mogen in een nis in een urnenmuur. In een urnenbos, urnentuin, urnenvijver. We mogen mee in het vliegtuig naar het buitenland, gewoon als handbagage. Ze kunnen ons verstrooien op bosgrond of in water. Ze vermengen onze as met inkt en zetten een tattoo. Verwerken onze resten in halskettingen en armbanden en in holle sokkels van sculpturen van brons of zilvertin.

Dus ja, wat zouden wij gewild hebben? De mist rond onze laatste wens wreekt zich. Familieruzies breken uit en leiden soms tot lelijke processen. Dan bepaalt de rechter of onze asresten thuishoren in een urn (standpunt strijdbare zoon) of op een strooiveld (standpunt verbitterde dochter). Soms splitsen ze onze as zelfs op, elke belanghebbende een beetje. Dat moet dan doorgaan voor ‘eeuwige rust’. De facto zijn we gevierendeeld.

Dus ja: idealiter hadden we allemaal onze wens kenbaar gemaakt. Dan hadden we bij leven bijvoorbeeld gezegd: nee, zo’n urn is me te benauwd, we worden liever verstrooid. En dan hadden we geweten dat onze as na deze maand zou belanden op het gazon van ditzelfde crematoriumterrein, dat mooie plekje onder die ene bevallige berk. Of we hadden gehoord van de heide op het Nationale Verstrooiterrein Delhuyzen, aan de zuidrand van de Veluwe. Of we kozen gewoon voor een eigen, vertrouwd plekje: gemeenten gaan over verstrooiing in de publieke ruimte en ze gedogen veel – in Amsterdam riskeren onze nabestaanden pas een boete als ze ons verstrooien „in een druk park”, „vanaf een viaduct” of „bij terrassen”. Groningen doet aan zero tolerance bij „kinderspeeltuinen”. Maar een plekje in ons lievelingsbos, of op het meer waar we graag kanoden toen we tachtig jaar geleden jong waren? Het kan.

En de zeeliefhebbers onder ons hadden waarschijnlijk gezegd: doe mij maar de golven! Die hadden dan allemaal geweten dat hun nabestaanden hun as na deze maand zouden ophalen en dat ze zouden uitvaren met een bedrijf gespecialiseerd in asverstrooiing op de Noordzee. Het schip zou wegvaren met de Nederlandse vlag halfmast, en onze urn zou staan op een tafel met marineblauw kleed, ergens op het dek. Rondom de urn zouden bemanningsleden een dik scheepstouw draperen, ze zouden dit „opbaren” noemen. Ja echt, het zou een soort nieuwe uitvaart zijn – en dit keer letterlijk! Ze zouden zo’n vijf kilometer uitvaren en het schip op open zee stilleggen. Mensen zouden kort en mooi spreken en ze zouden de scheepsbel luiden.

En dan is het moment van verstrooien daar. Met onze urn in de hand lopen onze naasten richting reling. Ze zijn vast zenuwachtig. Bang, zoals ieder mens, om het verkeerd te doen. Dat schrikbeeld van noodlottige tegenwind. U kunt het beste uw armen strekken, zo ver mogelijk over de reling, horen ze de bemanning zeggen. En zo doen ze het. Ze schenken onze as beheerst onze urn uit. Perfect. Klein beetje schudden nog voor de laatste resten. Het wolkje van as daalt neer en gaat op in het water van de zee.

Ja, zo had het kunnen gaan. Als, hè. Als we het hadden vastgelegd. De rest van ons wacht af, hier in de asbus. Anderen zullen voor ons bepalen wat onze eindbestemming wordt op deze wereld.

Aflevering 9 Men ruimt ons

De levenden wensen ons rust hier in het graf, maar op een dag verstoren ze die zelf

Ze begraven ons tweemaal, hier in Nederland. Kort na onze dood, en jaren later nog eens, als onze grafrechten zijn verlopen.

Het idee alleen al. Wij die jaren na onze dood uit de diepte van ons graf omhoog zouden klauteren. We woelen de aarde om, schuiven onze zerken opzij en komen boven als zombies. Met zwart omringde ogen en de mimiek van een vogelverschrikker jagen wij de levenden de stuipen op het lijf. Onschuldige, lieve levenden natuurlijk. O, die snoepige Thriller-date van wijlen Michael Jackson, met haar roze pofmouwtjes en die witte strik in d’r haar!

Eigenlijk is het een gotspe. Wij liggen gewoon rustig in ons graf hier. Al jaren nu. Zeker, op een dag zal onze grafsteen worden verplaatst. De aarde zal worden omgewoeld. En wij zullen weer bovenkomen. Maar dat komt niet door óns. Dat doen de lévenden. Ze halen onze resten omhoog en brengen ze elders op de begraafplaats onder. In een anoniem graf dit keer, tussen de botten van andere doden.

Dus ja, wie verstoort nou wie?

Haha, we stangen maar wat, hè! Mag wel een keertje toch? Joh, luister: wíj zijn geen zombies, maar jullie levenden bedoelen het ook niet kwaad. Er zijn goede redenen voor het gebrek aan oneindige grafrust in Nederland. Grond is hier van oudsher schaars, en begraafplaatsen krijgen hun begroting lastig rond als ze graven slechts eenmalig van de hand mogen doen. Los daarvan: eindigheid heeft nu eenmaal zijn charme, vinden velen. Ja, sommige moslims onder ons, en joden en strenge christenen verlangen naar eeuwige rust op begraafplaatsen van de eigen gezindte. Maar verder? De meeste nabestaanden kopen een graf voor een jaar of twintig en verlengen die termijn misschien een keertje. Daarna is het goed geweest.

De begraafplaats verwijdert dan onze grafsteen, zodat onze naasten weten dat afspraak, afspraak is. Maar óns laten ze vaak nog een tijdje liggen. Kwestie van efficiency. Ze ruimen ons pas als ons plekje in de smaak valt bij nieuwe gegadigden. Daags voor de begrafenis van deze nieuwe doden graven ze de oude doden op.

Begraafplaatsmedewerkers omheinen dan ons graf met donkere schermen of werken in alle vroegte, want niemand hoeft dit te zien. Een graafmachine hapt de laag aarde boven onze kist weg. Of kist: half vergane houtresten op zijn best.

En daar liggen wij. Nee, we zijn heus niet eng. We zijn vergaan tot op het bot. Wij zijn botten in heel veel aarde.

Eén van de twee ruimers, ze werken in paren, gaat in het voeteneind van het graf staan – wijdbeens, om ons niet te raken. Hij draagt rubberen handschoenen en een schep waarmee hij zich tastend vergewist van de plek van onze voeten en onderbenen. Die doet hij in een emmer. Zo raapt hij ons op – opwaarts. Bovenbenen, bekken, rib na rib, onze schedel als laatst. Al met al een kilo of twaalf.

Tegen milieu-reglementen in begroeven onze naasten soms spullen mee onze kist in. Dingen die ons typeerden. Ze zijn nog in tact als ze van kunststof zijn. Ruimers diepten bokshandschoenen op, Feyenoordsjaals, koplampen van een BMW. In graven uit de jaren tachtig: walkmans met cassettebandjes. Ergens in Noord-Holland, tien jaar geleden: een geraamte in Sinterklaaspak. Deze spullen behoren tot de inboedel van het graf, het recht erop is verlopen – ze gaan de vuilverbrander in.

De emmer met onze botten schudden ze leeg in een juten zak, en in een kruiwagen bedekt met zeil rijden ze die naar een van de anonieme graven, ergens weg van de looproutes en verstopt achter groen. De afmetingen van deze ‘verzamelgraven’ lopen uiteen, maar twee meter breed en lang en tweeënhalve meter diep is gangbaar. Ze openen het slot van de roestvrijstalen deksel, en leggen onze zak tussen de andere zakken. Jute vergaat, dus onze botten komen door elkaar te liggen. Tezamen verteren we verder.

Wat ook geregeld voorkomt: ze ruimen onze resten niet uit ons graf, maar leggen die er dieper in. Dan neemt de kist van onze kinderen of partner ons plekje over, en gaan onze beenderen naar een nieuw kuiltje, helemaal onderop.

Een minderheid van ons lag al die jaren in goedkopere, ‘algemene’ graven, met boven en onder ons onbekende doden. Gespecialiseerde ruimers legen die bij honderden tegelijk. Want ze begroeven ons destijds op één en hetzelfde veld, chronologisch, graf na graf, rij na rij, en de termijn voor deze graven is per begraafplaats gelijk en niet te verlengen. Dus tien jaar of vijftien jaar na onze begrafenissen worden wij, de doden op dit grafveld, omstreeks dezelfde tijd collectief rechteloos.

Onze naasten horen een half jaar tot een jaar van tevoren van de ruiming. Ze krijgen de mogelijkheid ons te laten herbegraven in een duurder, eigen graf. Of ze laten ons alsnog cremeren. Komen we na al die jaren weer thuis – zij het in een urn.

Maar meestal gaan wij het verzamelgraf in. Begraafplaatsen verklappen de locatie niet, er moet geen nieuwe grafloop ontstaan. Eens is het gewoon over en uit. En dat moment is daar. Nu valt echt niemand ons meer lastig.

Tekst Ingmar Vriesema Illustraties Frann de Bruin Techniek Ruud Puylaert