Recensie

Recensie Theater

In een almaar uitdijende imaginaire samenkomst kamp je al snel met een tekort aan stoelen

Toneel Regisseur Jessie L’Herminez kiest bij Ionesco’s éénakter ‘De stoelen’ voor een gedurfde fysieke benadering. Maar die uitgesproken invalshoek boort weinig betekenislagen aan.

Anne Fé de Boer en Linda Zijl in Ionesco’s eenakter ‘De Stoelen’.
Anne Fé de Boer en Linda Zijl in Ionesco’s eenakter ‘De Stoelen’. Foto Sanne Peper

De stoelen (1952) is een van de minder bekende eenakters van Ionesco, wiens toneelwerk in Nederland sinds de corona-uitbraak aan een bescheiden revival onderhevig is: het afgelopen jaar zagen we ook adaptaties van De les, Rhinocéros en De koning sterft. In zijn stukken worden personages geconfronteerd met de absurditeit van het bestaan in het licht van de naderende dood: goed pandemiemateriaal, blijkt.

In De stoelen zien we een bejaard echtpaar, dat in afwachting van een aankomende verlossing, druk fantaserend de tijd verduurt. In een almaar uitdijende imaginaire samenkomst heten ze een karrenvracht aan belanghebbende personen welkom in hun van de maatschappij afgesneden bestaan. En dan kamp je al snel met een tekort aan stoelen.

Lees ook: Requiem met bewoners Gentse flat te zien op afstudeerfestival theater

Onder verweerde blootpakken met harige navels en opgehoopt buikvet (smeuïge kostuums van Lisanne Bovée) zitten twee levendige dertigers (Anne Fé de Boer en Linda Zijl) verscholen. Mooi uitgangspunt: binnen in deze negentigplussers huizen nog altijd hun jeugdige versies. Of andersom: in deze jonge mensen zit onontkoombaar al verval en ouderdom verpakt.

Gedurfde fysieke benadering

De jonge regisseur Jessie L’Herminez (1990) kiest voor een gedurfde fysieke benadering, met koddig fysiek spel van De Boer en droogkomische mimieken van Zijl. Die uitgesproken, groteske invalshoek wordt stijlvast vormgegeven, maar zorgt ook voor onnodige vervlakking. De eenzijdige spelregisters boren weinig betekenislagen aan, hoe grappig het af en toe ook is. Deze personages zijn het punt voorbij waarop iets ze nog raakt – hetzelfde geldt daardoor voor de toeschouwer.

Uiteindelijk wordt het publiek op de speelvloer uitgenodigd en vormen de honderdtachtig lege stoelen het decor. Zo kijken we zelf uit op de leegte die we achterlaten. Het echtpaar ploetert zich daar een weg doorheen: verwachtingsvol tot het einde en daar voorbij.

Dat soort mooie beeldende vondsten bewijzen de potentie in L’Herminez’ theatertaal, ook al komt haar eersteling bij Toneelschuur Producties nog niet helemaal tot zijn recht.