Opinie

Inmenging VS was geen ideologische hoogvliegerij

Westers universalisme Het westers buitenlandbeleid van de afgelopen decennia was pragmatischer dan wordt verondersteld, meent .
Campagneposters in de Iraakse hoofdstad Bagdad voor de parlementsverkiezingen in oktober.
Campagneposters in de Iraakse hoofdstad Bagdad voor de parlementsverkiezingen in oktober. Foto Hadi Mizban / AP

De terugtrekking uit – of moeten we zeggen: het opgeven van – Afghanistan lijkt een keerpunt te zijn geworden in het denken over buitenlands beleid. Commentatoren buitelden de laatste tijd over elkaar heen om aan te tonen hoezeer de aanpak van afgelopen decennia heeft gefaald. Er zou sprake zijn geweest van een ‘liberale expansiedrift’ en van een morele kruisvaardersmentaliteit die gepaard ging met te hooggespannen idealen als nation building en democratisering. Ook gaan nu overal stemmen op dat Nederlands en Europees buitenlandbeleid meer pragmatisch zou moeten zijn, en gedreven door eigenbelang.

Met een dergelijke koerswijziging is weinig mis. Maar met de analyse van het oude beleid wel. Dat was veel pragmatischer dan wordt verondersteld. Als we niet kunnen of willen inzien waarom het is misgegaan in het verleden, lopen we het risico opnieuw dezelfde fouten te maken.

Twee momenten in het Amerikaanse buitenlandbeleid laten goed zien dat democratisering geen westers beschavingsoffensief was, maar werd gedreven door pragmatisme. Andere westerse landen, waaronder Nederland, hebben de Verenigde Staten enthousiast gevolgd in deze aanpak.

Clinton-doctrine

Het eerste moment was in 1994, toen president Bill Clinton de Verenigde Naties toesprak. Zijn uitgangspunt was dat democratische staten over het algemeen meer stabiel zijn en minder geneigd om oorlog te voeren. En vanuit die positie kwam hij tot de volgende uitspraak: „Onze inspanningen om bij te dragen aan de opbouw van meer democratieën zal ons veiliger maken, welvarender en succesvoller.”

Dit was een duidelijk staaltje van Amerikaans eigenbelang: als de rest van de wereld meer democratisch is, dan zou Amerika beter af zijn. Je zou dit de Clinton-doctrine kunnen noemen. En vanaf dat moment begon het Westen, onder aanvoering van de Amerikanen, met het steunen, opbouwen en versterken van democratieën over de hele wereld.

Dat waren de jaren negentig, en het toverwoord in buitenlands beleid was civil society, in het Nederlands vertaald met ‘maatschappelijk middenveld’. De gedachte was namelijk dat het versterken van die maatschappelijke laag zou leiden tot een versterking van de democratie. Volgens regeringen van de landen waar dit beleid werd toegepast, was het Westen echter bezig met staatsondermijnende activiteiten. Die indruk was niet onterecht. Het duurde daarom ook niet lang of het werd in veel landen verboden om financiële steun te ontvangen van westerse donoren.

Lees hier het essay van Luuk van Middelaar: Kruisridders van het universalisme: Afghanistan moest worden zoals wij

En toen volgde de aanslagen van 9/11 in het jaar 2001. En opnieuw legde een Amerikaanse president het verband tussen democratie in het buitenland en veiligheid voor Amerika. Volgens president George W. Bush waren de aanslagen tegen de Verenigde Staten namelijk het gevolg van het gebrek aan democratie in het Midden-Oosten. En dat gebrek was te wijten aan het Westen, meende hij: „Zestig jaar lang hebben westerse landen het gebrek aan vrijheid in het Midden-Oosten goedgepraat en toegestaan, en dat heeft ons niet veiliger gemaakt.”

Harde Realpolitik

Bush redeneerde als volgt: het gebrek aan democratie in het Midden-Oosten had geleid tot een toenemende onvrede onder de bevolkingen daar, en deze onvrede ging zich steeds meer richten tegen het Westen omdat die de regimes in de regio feitelijk steunden. Het was een analyse die door veel waarnemers werd gedeeld.

Maar president Bush verbond hier een conclusie aan: als Amerika veilig wilde zijn voor aanslagen, dan moest het zorgen dat de oorzaak daarvan aan de bron werd bestreden. En die oorzaak was het gebrek aan vrijheid, zodat het in het belang van Amerika was dat er meer vrijheid en democratie zou zijn in de regio. Net als bij Clinton was hier geen sprake van ideologische hoogvliegerij, maar harde Realpolitik.

Lees ook dit opiniestuk: De tijd van beschaving brengen is voorbij

Maar ook ditmaal waren er haperingen in de vertaling van het Amerikaans eigenbelang in een buitenlands beleid. Want terwijl een Middle East Partner Initiative werd opgezet voor de bespoediging van onderwijs, vrijheid en democratie in het Midden-Oosten, vielen de VS eerst Afghanistan binnen, en toen Irak. Dat tastte de geloofwaardigheid van de Amerikanen dusdanig aan, dat het hele democratiseringsproject als een ballon leegliep.

Het mag dus allemaal hopeloos zijn misgegaan, dat westers beleid, maar laten we onszelf niet aanpraten dat die mislukking te wijten is aan het ideologisch gehalte van dat beleid. Misschien waren de Europeanen idealistisch in al hun democratiseringsprojecten in het buitenland, maar de Amerikanen zeker niet: democratisering was geen ideaal voor export, maar keiharde Realpolitik die alleen het eigenbelang diende.