Patronen in het zand

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: verroeste geweerpatronen.

Zwaar verroeste en beschadigde geweerpatronen gevonden in de Amsterdamse Waterleidingduinen.
Zwaar verroeste en beschadigde geweerpatronen gevonden in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Foto Jelijn Knip

Ja, het terugvinden van Het Behouden Huys in 1871 en – opnieuw – in 1933 en nog een paar keer daarna is van een andere orde. Maar toch was er ontroering toen vorige week in de Amsterdamse Waterleidingduinen onverwacht de plek werd teruggevonden waar vijfentwintig jaar geleden een partij zwaar verroeste en beschadigde geweerpatronen was aangetroffen.

Tien jaar later hadden ze er nog steeds gelegen en nu bleken ze er waarachtig nóg te zijn. Het was niet veel meer, je moest goed kijken maar met wat krabben in het zand kwamen nog meer resten tevoorschijn. De tand des tijds had ze geen goed gedaan, nog eens vijfentwintig jaar in de vrije natuur zouden ze waarschijnlijk niet uithouden.

Besloten werd de overblijfselen mee naar huis te nemen vóór de souvenirjager ze vinden zou. Per slot was dat de vorige keren ook gedaan en lag er inmiddels een mooie zak waterleidingpatronen naast de artefacten uit een akker bij Verdun.

Wat voor patronen waren het, daar ging het om. Het moest wel Duitse munitie zijn, want de Waterleidingduinen staan stampvol ondergestoven bunkers. Het standaardwerk Patronen (Delfia Press, 1983) van Lenselink, Wanting en De Hek bevat tabellen waarin bijna alle patronen uit de periode 1880-1980 zijn gerangschikt naar hulslengte en ‘kaliber’, dat is de diameter van de kogelpunt. Aan de hand van deze twee kenmerken is tot een determinatie te komen als een precieze meting mogelijk is. Hier was dat uitgesloten. Tussen de opengebarsten patronen uit de duinen lag nog maar één intacte huls: die was 56 à 57 mm lang. De zwaar gecorrodeerde kogelpunten waren vroeger misschien 8,5 mm dik geweest.

De tabellen van Lenselink c.s. produceerden tien patronen die min of meer aan deze waarden voldeden. Vier ervan hadden, anders dan de patronen uit de duinen, een huls die van onder naar boven taps toeliep. Zo bleven er zes kandidaten over.

„Afgaande op vorm en afmetingen denk ik dat het gaat om het type 7,92 x 57 Mauser”, mailt Ruurd Kok die een serie foto’s van de patronen was toegestuurd. Kok is als zelfstandig onderzoeker en freelance-journalist gespecialiseerd in archeologisch onderzoek aan oorlogsresten. „De 7,92 x 57 Mauser was de standaardpatroon voor Duitse wapens als de karabijn K98 en het machinegeweer MG42.”

Mauserpatroon

Zo mooi kan het zijn: de patroon met zijn huls van 57 mm en kaliber van bijna 8 mm stond midden in het rijtje dat de tabellen hadden geselecteerd. En er was een tekening op ware grootte die verdere twijfel uitsloot. Vorm en grootte van de kogelpunt en de typische vernauwing van de ‘flessenhals’: alles klopte. De 7,92 x 57 Mauserpatroon is zó’n vermaarde patroon dat hij een eigen lemma kreeg bij Wikipedia, hij was het werkpaard van de Wehrmacht. En hij werd, interessant genoeg, uitgevoerd in staal, staal dat elektrolytisch van een koperlaagje was voorzien om corrosie tegen te gaan maar dat na verloop toch doorroestte. Het meer gangbare messing had zich beter gehouden.

Wat is de patronen toch in hemelsnaam overkomen dat de hulzen zo dramatisch openbarstten? „Ik denk dat je de resten van een springput vond,” zegt Kok. „Na de oorlog is veel munitie onschadelijk gemaakt door het in een grote hoop tot explosie te brengen. Dan springen de patronen uit elkaar.” Het verklaart waarom er ongeveer evenveel hulzen als losse kogelpunten lagen.

Foto Jelijn Knip

Voor details verwijst Kok naar het bureau REASeuro in Riel dat overheden bij staat met munitieproblemen. „Een springput kán,” zegt Ron Frickel in Riel, „maar net zo goed was het een verbrandingsput en is een voorraad patronen in het vuur gegooid. Ook dan springen ze.” Hoe dat in zijn werk gaat is te zien in een YouTube-video van een experiment waarvoor een partij geweerpatronen in een palletvuur werd gebracht om eens te bekijken hoeveel gevaar dat opleverde. Het risico valt mee omdat het openbarsten van de huls voorkomt dat de kogel wordt verschoten. (Patronen barsten nooit open als ze in een wapen worden afgevuurd omdat ze op het moment suprême worden omsloten door het kamergedeelte van de loop.)

Even is er verwarring als Frickel de foto van het gedeeltelijk leesbare bodemstempel van een van de patronen bekijkt. Daar zijn het getal 40, de letter P en het Romeinse cijfer VII te zien. “Het kunnen ook patronen van het type .303 British zijn,” peinst hij. „Al die klein-kaliber-munitie lijkt op elkaar. Ik geloof niet dat de Duitsers Romeinse cijfers gebruikten.”

De .303 British staat ook al levensecht bij Lenselink. Hij lijkt sprekend op de Mauser maar is wat korter en van iets kleiner kaliber, werd niet in staal uitgevoerd en loopt taps toe. Bovendien hadden de Duitsers wel degelijk Romeinse cijfers in gebruik. Ze zijn te vinden in het schitterende overzicht dat de Britse verzamelaar Stephen Taylor maakte van de bodemstempels (‘headstamps’) van de 7,92 x 57 Mauser. De Romeinse VII codeerde voor de Bochumse fabriek die het staal leverde. De P staat voor munitiefabriek Polte. En met 40 werd 1940 bedoeld. Het waren niet eens oude patronen die in de Zandvoortse duinen belandden.