Opinie

Ook Frankrijk trekt Europees recht in twijfel

In Europa

‘Monsieur le Président de la République, als schrijvers die de maritieme roeping van Frankrijk willen beschermen, richten wij ons publiekelijk tot u, over een onderwerp dat zowel ernstig is als welomschreven...”

Velen denken dat het vooral de Polen zijn, die gepassioneerd raken als ze een kans zien om de Europese justitie de pas af te snijden. Of rechters van het Duitse Grondwettelijke Hof in Karlsruhe, die met enige regelmaat vonnissen van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg fileren en in twijfel trekken. Maar nu blijkt dat de Fransen er ook wat van kunnen. Met een eloquentie waar de Polen en Duitsers een voorbeeld aan kunnen nemen, richtten acht schrijvers (zoals Erik Orsenna en Yann Queffélec) zich in juli via een krant direct tot de president. Zij waren ontstemd over een vonnis van het Europese Hof, dat bevestigde dat de Europese werktijdenrichtlijn voor alle Europeanen geldt – dus ook Franse soldaten en mariniers. Stel je voor, schreven zij, dat soldaten vlak voor een gevecht zeggen: sorry, ik moet nu pauzeren. „Het is moeilijk vechten als je maar 48 uur per week mag werken, elke week een minimale rusttijd van 48 uur moet hebben en elke dag tussen twee werkperiodes in 11 uur moet rusten. (…) Wij vragen u dringend alles te doen wat in uw macht ligt om dit dictaat te weigeren in naam van ’s lands belang.”

Deze casus lijkt absurd. Natuurlijk heb je in oorlogstijd niets aan een prikklok. Hier moet iets op te vinden zijn. Toch wordt men in Parijs, Brussel en Luxemburg zo langzamerhand een beetje ongerust: het primaat van het Europese recht wordt steeds vaker in twijfel getrokken. Het Poolse Grondwettelijke Tribunaal boog zich donderdag wederom over de vraag of het Europese Hof iets te zeggen heeft over de manier waarop Polen zijn rechtspraak organiseert. Het vonnis werd voor de zesde keer uitgesteld. Maar als het nee wordt, treedt Polen indirect uit de Europese Unie.

Het primaat van het Europese recht wordt steeds vaker in twijfel getrokken

Het Hof in Karlsruhe gooide vorig jaar een bommetje op het Europese juridische systeem door te oordelen dat de Luxemburgse rechters buiten hun boekje waren gegaan toen ze obligatieaankopen van de Europese Centrale Bank goedkeurden. Die zaak werd in der minne geschikt (de regering keuvelde wat met de ECB), maar is niet echt van tafel. De Franse Conseil d’État legde dit jaar een Luxemburgs vonnis naast zich neer dat de Franse geheime dienst gebood om zich aan strenge Europese dataprivacy-regels te houden. En onlangs kwam conservatief presidentskandidaat Michel Barnier – de voormalige Brexitonderhandelaar – met het plan om Franse ‘juridische soevereiniteit’ terug te pakken van het Europese Hof op het gebied van immigratie.

Dit is zorgelijk. Alle EU-lidstaten zijn op de interne markt actief. Daar horen regels bij die ze zelf hebben bepaald. Over werktijden, staatssteun, homorechten, migratie. Dat staat allemaal in het Europees verdrag. Het Europese Hof staat als hoogste arbiter boven de partijen en spreekt zich uit bij geschillen – verdrag in de hand. Dat primaat is belangrijk. Als één land de werktijdenrichtlijn aan zijn laars lapt, kan een ander zeggen: wij accepteren de Europese LGBT-rechten of klimaatregels niet meer. Dan wordt het free for all en is het gauw voorbij met de EU. Eurocommissaris Didier Reynders (Justitie) zei onlangs dat het normaal is dat burgers of regeringen de pest hebben aan bepaalde Europese regels. Maar dan moeten ze niet het Hof bekritiseren, maar aan die regels sleutelen. „Ze gebruiken het Hof vaak als zondebok, maar de regels zijn het probleem.”

Hopelijk ziet Frankrijk dat ook, en kiest het voor onderhandelingen. Nederland kreeg ooit van de Commissie een uitzondering op de werktijdenrichtlijn, voor arts-assistenten. Over de Poolse zaak moeten we ons misschien meer zorgen maken. De zevende zitting is op 7 oktober.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.