Opinie

Literatuurdocenten, zoek naar ongemak

Onderwijs Docent en student Nederlands volgt de discussie over haar vak en beseft wat literatuur teweeg kan brengen.
Foto Getty Images

Wat een fonkelend begin van het nieuwe school- en academische jaar. Al in de eerste maand deden twee schrijvers, Abdelkader Benali en Daan Heerma van Voss, in Trouw en de Volkskrant suggesties ter verbetering van het huidige literatuuronderwijs.

Benali stelde dat academici van de studie Nederlands eens voorbij de „canon van de babyboomers” zouden moeten gaan om met modernere literatuur gevoelige snaren te raken. Pas dan zou het curriculum een plek kunnen worden waarin de nieuwe samenleving stevig verankerd was.

Vervolgens stelde Heerma van Voss dat het literatuuronderwijs op middelbare scholen een autonome plek verdient, „verlost” van dat wat docenten Nederlands onderwijzen. Graag nodigde hij een ieder uit voor zijn toekomstige keuzevak Literatuur, onderwezen door hemzelf.

Omdat ik Nederlands studeer, was ik laatst op de Universiteit van Amsterdam, bij een gastcollege van Naeeda Aurangzeb, over haar boek 365 dagen Nederlander. Ter voorbereiding lazen we het boek: 365 pagina’s met uit het leven gegrepen dagen waarop de schrijver wordt geconfronteerd met wat witte Nederlanders ongevraagd melden over haar culturele achtergrond en religie.

Een kleine greep:

Dag 175 – Debat, Den Haag. Onbekende in het publiek: „Wat zeurt u nou over ongelijkheid? In uw land mogen vrouwen niet eens autorijden.”

Dag 194 – Redactievergadering NPO Radio 1. Eindredacteur: „Jullie kennen geen feminisme, daar gaat het al fout”.

„Hoe voelde het om het te lezen?” was Aurangzebs eerste vraag aan ons, 95 procent witte Nederlandse studenten in de zaal.

Mijn wangen begonnen te gloeien. Uit mijn ooghoeken keek ik om me heen. Anderen zag ik naar hun handen kijken, aan een korstje pulken.

Uiteindelijk stak iemand een hand op. Met zorgvuldig gekozen woorden deelde de student dat na de eerste schok, boos- en verslagenheid, toch ook het idee zich opdrong dat veel van die opmerkingen moeten zijn voortgekomen uit onwetendheid, het niet doorhebben wat men zegt, het zich niet bewust zijn van.

„Dank je. Ja, dat zou kunnen, dat het daar vandaan komt,” antwoordde Aurangzeb. „Maar wat heb ik daaraan? Hoe ben ik geholpen met zo’n cognitieve verklaring?”

Weer bleef het stil. Ik keek ook naar mijn handen, zoekend naar korstjes, omdat ik geen woorden kon vinden die Aurangzeb zouden kunnen helpen. Maar toen maakte mijn ongemak plaats voor opgetogenheid. Want ik besefte dat ik precies in het door Abdelkader Benali gepropageerde curriculum terecht was gekomen. Met de bespreking van Aurangzebs boek was de gevoelige snaar zodanig aangeslagen dat ons ongemak het hele college niet verdween en ook daarna niet.

Ongemak

Juist dat ongemak was wat de academici van de studie Nederlands wilden bereiken. Ze wilden ons de impasse laten ervaren die ten grondslag ligt aan de recente paradigmaverschuiving binnen de moderne literatuurwetenschap. Men spreekt van een nieuwe benaderingswijze, die begin dit jaar in ons land officieel werd met de studie Affectieve crisis, literair herstel: De romans van de millennialgeneratie van Hans Demeyer en Sven Vitse. Hierin staan affectieve vragen centraal: hoe voelen romanpersonages zich in de huidige onttoverde, onteigende wereld, die wordt gedomineerd door crises van het klimaat, het neoliberalisme, het witte imperialisme en het patriarchaat? Hoe kunnen ze zich nog met elkaar verbinden? Hoe kunnen ze het verlangen beantwoorden om de afstand tot ‘de ander’ op te heffen?

Door literatuur vanuit deze vragen te analyseren komt er zicht op een maatschappelijk probleem: personages worden aangesproken op hun relaties met de wereld, terwijl ze tegelijk vervreemden van hun gevoelsleven. Er ontstaat een patstelling, zoals wij die in werkelijkheid ervoeren tijdens het college van Naeeda Aurangzeb. We wisten dat zij als gekleurde Nederlander lijdt, maar konden er gevoelsmatig niet bij.

Lees ook: Literatuur blijft te wit

Afwezige gevoelens

Cognitie versus affect dus, maar wat nu? Want daar zaten we in die kleine collegezaal. Met afwezige gevoelens, niet wetend wat we wel voor Aurangzeb konden betekenen en hoe we onszelf van het drukkende ongemak konden bevrijden.

Gelukkig bieden Demeyer en Vitse met hun studie ook een uitweg. Om de impasse te doorbreken schuiven zij het concept ‘zorg’ naar voren. Ook dat concept laat zich in de literatuur bevragen: hoe dragen personages zorg voor zichzelf of anderen die wel én niet tot hun groep behoren? Hoe dragen personages zorg voor het verleggen van de vraag wie er wel of niet tot hun groep behoort? Vragen die uitnodigen tot een leeswijze waarbij niet alleen naar de ander gekeken wordt, maar ook met de ander. Vragen die mogelijk een collectief én gedifferentieerd verlangen openen naar een meer gelijkwaardige en solidaire wereld.

Hoe konden wij zorg dragen voor Aurangzeb? Haar antwoord was helder: zij persoonlijk heeft niet per se zorg nodig. Wel kunnen we samen zorg dragen voor hoe gekleurde Nederlanders bejegend worden. Te beginnen bij het ons bewust zijn van ons eigen superieure, generaliserende taalgebruik en dat van anderen. Vervolgens kunnen we onszelf en anderen hierop aanspreken.

Wat een vak!

Ondertussen raakte ik oververhit. Wat een vak! Ik bekeek mijn medestudenten, onder wie docenten Nederlands in spé, en voorzag hoe het nieuwe paradigma ook zijn weg vindt naar het literatuuronderwijs op de middelbare scholen. Van vmbo tot gymnasium, op ieder niveau kan de leerling nadenken over gevoelens van hoofdpersonages. In iedere literatuurles kan de leerling aangemoedigd worden na te denken over diens eigen positie ten opzichte van de ‘ander’.

Vurig keek ik uit naar mijn lessen Nederlands, waarin de literatuur verbinding teweeg zou brengen. En ik dacht aan Daan Heerma van Voss, die zelf graag literatuuronderwijs aan scholieren doceert. Hoe leuk zou het zijn als ook hij het kijken naar en met de ander een plaats geeft in zijn curriculum.