Foto Sake Elzinga

Interview

Anna van der Breggen is gestopt met wielrennen: ‘Winnen maakt niet gelukkig’

Wielrennen Na een carrière van bijna tien jaar is Anna van der Breggen wielrenner-af. Deze zaterdag zit ze al in de volgwagen tijdens de eerste vrouweneditie van Parijs-Roubaix, als stagiair. „Ga voor waar je blij van wordt. Ik hoop dat ik dat kan laten zien.”

Drie dagen na haar laatste wielerwedstrijd ontvangt Anna van der Breggen (31) thuis in Meppel, in een franjerig T-shirt, omgeslagen spijkerbroek en witte sportsokken. Het moet een korte nacht zijn geweest, want nog maar een paar uur geleden werd ze tijdens een talkshow bezongen door Blaudzun, de band die ook op haar bruiloft speelde. There she goes klonk het door de Amsterdamse studio.

Haar vrijstaande hoekwoning is zo nieuw dat er op de plek waar een buitenlamp zou moeten hangen stroomdraden naar buiten steken. Het huis werd pas in mei opgeleverd, maanden later dan gehoopt, en precies toen ze in voorbereiding was op de Spelen van Tokio.

Binnen is het nog leeg en klinkt het hol – alleen de grote meubelstukken staan er, op een lichte visgraatvloer. Het is nog niet af, zegt ze. Daar was geen tijd voor. Laat staan dat ze al eens in haar hoekbank is verdwenen. Komt er nu ook niet van. Na dit interview heeft ze een fotoshoot voor haar wielerkledinglijn. En dan staat haar voormalig ploegleider Danny Stam al op de stoep voor een rit naar Noord-Frankrijk.

Deze zaterdag is de eerste editie van Parijs-Roubaix voor vrouwen en Van der Breggen zit als stagiair in de volgwagen. Ze blijft als ploegleider in dienst bij haar team SD Worx en is blij dat ze zelf niet meer hoeft te koersen. Wringen voor een goede uitgangspositie voor de eerste kasseienstrook; ze houdt er niet van, heeft te veel valpartijen gezien om nog zonder angst in een peloton te fietsen.

Je bent ineens wielrenner-af. Hoe is dat?

„Nog niet heel anders. Ik heb tijd nodig om te ervaren hoe het gaat zijn.” Ze wijst naar het schuurtje buiten. „Het enige verschil is dat mijn fiets al drie dagen niet uit dat hok is geweest. Heerlijk. Mensen vragen me wel: ben je dan niet emotioneel nu? Nou, nog niet.”

Ze is opgelucht dat het voorbij is. Het is goed zo. „Ik ben moe van het altijd maar laten zien dat ik het nog kan. Dat was een beetje op.” Haar laatste koers, de wegwedstrijd op het WK in Leuven vorige week zaterdag, werd een ervaring om nooit te vergeten. Ze werd 89ste, nadat ze in de openingsfase had geknecht. In de laatste vijftig kilometer werd ze toegezongen door duizenden fans. Omdat ze niet meedeed om de winst, had ze alle tijd om daarvan te genieten. „An-na be-dankt, An-na be-dankt, dat zongen ze. Absurd toch?”

Ze had willen stoppen om hen te bedanken. In plaats daarvan zwaaide ze. Met kippenvel op haar armen. Maar haar loopbaan had niet één wedstrijd langer moeten duren – dan had ze een probleem gehad. En dat zit haar niet lekker. Sinds de Olympische Spelen van Tokio, twee maanden geleden, kwam ze niet meer op haar gebruikelijke niveau. „Ik begrijp niet waarom ik daar reed zoals ik reed. Er is iets met me waardoor ik helemáál niet goed meer ben. Wanneer is dit begonnen? En waar komt het door?”

Heb je te hard getraind omdat je te graag wilde?

„Nee, ik doe het al tien jaar zo. Ik dacht dat ik wist hoe het moest. Tot nu.”

Je werd gelost door rensters die je normaal makkelijk kunt volgen. Hoe was dat?

„Heel apart. Het gevoel achteruit te rijden terwijl anderen nog nergens last van hadden. Dat had ik nog nooit gehad. Ja, andersom.”

Kon je het eens vanuit hun perspectief bezien.

„Dat vond ik het fijne eraan. Het maakte ook niet meer uit.”

Lukte het door die gedachte niet meer?

„Nee, want ik zag feiten. Mijn hartslag klopte niet met mijn wattage. Wat is dan fysiek en wat is mentaal? Ik weet niet waardoor het komt.”

Dat mentale gedeelte zou meer invloed op presteren kunnen hebben dan we denken.

„Dat denk ik ook. Maar dat is toch vreemd, dat het zo werkt?”

Lees ook: Eindelijk goud voor Anna van der Breggen, na jaren proberen

In aanloop naar de WK wielrennen van Innsbruck in 2018 ontnam een ander mentaal fenomeen haar alle plezier in het fietsen. Aan die episode wijdt ze een hoofdstuk in haar boek, Anna, mijn leven achter het erepodium. Ze maakte kennis met de keerzijde van topsport vanaf het moment dat ze zich in de media één keer had laten ontvallen dat ze wereldkampioen wilde worden. Ze kreeg het gevoel dat iedereen van haar verwachtte dat ze zou winnen, zijzelf nog wel het meest. Die verwachtingen maakten dat ze soms geen hap door haar keel kreeg. Ze viel af en verloor op een bepaald moment de controle over haar gewicht. „Dat extra kilootje eraf is wel lekker, denk je. Dat heb ik ook bij teamgenoten gezien. Als ploegleider hoop ik dat bespreekbaar te kunnen maken. Door het te benoemen. Dat zal lastig zijn.”

Ze vertelt dat ze op het gebied van „gedrag” veel kan leren van haar man, Sierk-Jan de Haan, ploegleider bij wielerploeg Jumbo-Visma. In veel dingen is hij haar tegenpool. Hij leerde haar beter te communiceren. „Toen Sierk mijn trainer werd, was het eerste wat hij deed een keer langskomen om te eten. Hij beseft hoe belangrijk het is om iemands thuissituatie te kennen. Voor mij zit het anders. Ik vind het belangrijk dat ik een klik heb met iemand. Anders vertel ik niet zo veel. Dat is niet bewust, maar dat kan ik gewoon niet.”

Ben je wantrouwend?

„Ja, misschien wel.”

Hoe komt dat?

„Dat weet ik eigenlijk niet. Sierk liet daar zien dat hij tijd in mij wilde investeren. Dan pas vind ik het ook oké om iets over mezelf te vertellen.”

Waarom heb je dat nodig?

„Dat waardeer ik op een of andere manier.”

Als ploegleider zal je moeten leren om je in mensen te interesseren voordat ze interesse in jou hebben getoond.

„Ja, mezelf openstellen voor iemand die ik niet ken zal voor mij heel moeilijk zijn. Benaderbaar zijn is iets wat ik op het Johan Cruyff Institute hoop te leren [daar volgt ze sinds vorige maand de opleiding Master in Coaching]. En ook dat ik er veel sneller aan leer denken om iemand die iets geregeld heeft even een bedankje te sturen. Vroeger deed ik dat helemaal niet.”

Anna van der Breggen

Foto Sake Elzinga

In je boek vertel je dat je emoties niet makkelijk toe kunt laten. Danny Stam noemde jou een ijskonijn. Je echtgenoot zei dat je geen traan hebt gelaten na het einde van je loopbaan en dat dat ‘des Anna’s’ is. Zou het kunnen dat je allergisch bent voor mentale processen, maar dat je dip na Tokio daar wel mee te maken heeft?

„Ik zeg niet dat het dat niet is, omdat ik ook niet weet wat het wel is. Ik heb dit gewoon nog nooit meegemaakt. Ergens ben ik er ook wel blij mee. Nu kan ik me beter inleven in meiden die dit soort problemen gaan hebben. Ik had eerder geen idee dat dit zo werkte. Het enige vervelende eraan vind ik dat ik afsluit met het gevoel gelost te worden. Ik moet zien vast te houden hoe het voelde om de beste zijn.”

Dat lukt, als ze haar ogen sluit en die dag in Innsbruck voor de geest haalt. Ondanks – of misschien wel dankzij – de enorme druk won ze de wereldtitel, met bijna vier minuten voorsprong. „Op de afgesproken plek val ik aan, ik trek vol door, kijk achterom, en er zit gewoon niemand. Dat oppermachtige gevoel ga ik niet snel vergeten.”

En toch is juist dát gevoel sindsdien verzadigd geraakt. Toen ze vorig jaar twee keer wereldkampioen werd in Imola, Italië, voelde ze niet eenzelfde euforie. De zenuwen vooraf bleven ook uit. „Als je jong bent is het einde van je horizon de wereldtitel. Olympisch kampioen worden, als dat lukt moet het leven perfect zijn. Maar toen was ik het, en voelde ik me nog steeds hetzelfde. Uiteindelijk is winnen niet wat je gelukkig maakt. Dat betekent niet dat ik er niet van genoten heb. Ik won dit voorjaar meer dan ooit. Maar ik ben vooral blij met de mensen die ik heb ontmoet, de keuzes die ik heb gemaakt. Ik hoop dat ik door nu te stoppen kan laten zien: staar je niet blind op wat je eigenlijk liever doet. Ga voor waar je blij van wordt.”

De laatste seizoenen had ze er net zo veel schik in om andere rensters te zien winnen. Het ongeloof, de verbazing die ze zag in de ogen van een ander op het moment „dat je hebt bereikt waarvan je hebt gedroomd”, bracht haar telkens terug naar de dag waarop ze zich voor het eerste realiseerde dat ze goed was in deze sport; op 1 april 2012, toen ze negende werd in de Ronde van Vlaanderen en wist dat er meer te halen viel. Daarom kon ze net zo genieten van geven als van nemen. „Het is bijzonder dat mensen dat zo bijzonder vinden.”

Dan gaat de deurbel. Ze verwacht niemand. Ook geen pakketje. Het is ene Joop, voorzitter van het plaatselijke wijkplatform. Hij heeft een stukje over haar geschreven voor het wijkblad en overhandigt dat graag. Haar palmares heeft hij er ook bij gezet. Het duurt even voor ze het over haar hart verkrijgt de deur dicht te doen.

Vind je het ongemakkelijk dat mensen jou bewonderen?

„Ja, want ik heb dat zelf nooit zo gehad. Hoefde als kind nooit een handtekening. Er werd mij ook verteld dat topsporters altijd willen winnen. Ik heb dat niet. Daarom heb ik me ook lange tijd geen topsporter gevoeld.”

Je bent een teamplayer. Maar volgens je omgeving heb je ook moeite om je aan afspraken te houden. Ze noemen je een sloddervos.

„Ja en nee. Op tijd komen kan ik wel, als het echt moet. Maar heb ik de vrijheid, dan heb ik er veel moeite mee.”

Je broer Daniël zei: „Als topsporter werd er veel van Anna geaccepteerd. Maar in haar werkende leven zal niet alles meer worden geslikt.” Als jij straks …

„… gewoon een normaal mens bent? Ik maak me daar niet zo’n zorgen om. Dingen die ik niet mag vergeten, ga ik niet vergeten.”

Maar die laksheid wil je misschien niet aan je rensters meegeven.

„Aan te laat komen heb ik me het meest van iedereen bij de ploeg schuldig gemaakt. Dus van mij krijgen ze dat niet te horen.”

Wat kan je ze wél bijbrengen?

„Mijn taak is voor ze te zorgen. Ik vind het belangrijk dat ze plezier hebben. Maar ik ben ook principieel. Als ze in de koers iets doen wat we niet hadden afgesproken en het is slecht, dan zeg ik dat. Om ze te helpen.”

Waar kijk je naar uit, als ploegleider?

„Ik was altijd alleen bezig met zelf goed zijn. Nu ga ik ook de organisatorische kant van een ploeg zien. Ik ga iets doen waarvan ik niet zeker weet hoe het gaat zijn. Daar heb ik zin in.”