Als het dier mocht kiezen, zou het dan meedoen aan dierproeven?

Dierproeven Wat nu als dieren zelf mogen beslissen of ze meedoen aan een proef? Promovendus Anne van Veen breekt een lans voor inclusiviteit van proefdieren.

Promovendus Anne van Veen.
Promovendus Anne van Veen. Foto Dieuwertje Bravenboer

Zou een muis nog wel willen meewerken aan een dierproef als de deur van zijn kooitje openstaat? Die provocerende gedachte is de essentie van het proefschrift van Anne van Veen waarop zij op 20 september aan de Universiteit Utrecht promoveerde. Van Veen maakte een historische analyse van proefdiergebruik in Nederland aan de hand van praktijkvoorbeelden die ze verzamelde in de archieven van het RIVM in Bilthoven. Maar daarnaast bevat haar proefschrift ook een kritische reflectie op het gebruik van proefdieren. Als het menselijk perspectief wordt losgelaten, zegt Van Veen, ontstaat er een andere ethische afweging.

Van Veen (Nieuwegein, 1986) heeft een bijzondere carrière achter de rug. Na haar bachelor Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen in Utrecht, begon ze een dansopleiding. In 2011 studeerde ze af als dansdocent en choreograaf. In 2016 begon ze aan haar promotieonderzoek dierproevengeschiedenis. In discussies met publiek over haar onderzoek gebruikte ze theatervoorstellingen om mensen te laten ervaren hoe het is om een proefdier te zijn. Ze stopte mensen in een kooi. Intussen is ze al aan de slag in haar volgende baan: postdoc duurzame voedseltransitie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze is al sinds jaar en dag vegetariër, en vanaf 2011 ook veganist – begonnen omdat ze zuivelproducten niet goed verdraagt, maar vervolgens een ethische keuze.

Van Veen ontleent haar ideeën onder meer aan de feministische wetenschap, waarin kritisch gekeken wordt naar de rol van gender en ongelijkheid in de wetenschap en in de samenleving. „Die stroming beïnvloedde ook de kritische dierstudies”, legt ze uit, „want ongelijkheid bestaat ook in de verhoudingen tussen de verschillende diersoorten, inclusief de mens. Natuurlijk verschillen mensen van andere dieren maar we hoeven geen ongelijke machtsrelaties te hebben. We moeten vooral kijken naar hoe al diegenen met wie we samenleven het mooiste leven kunnen leiden, ongeacht wat voor diersoort je bent.”

Steeds minder proefdieren voor wetenschappelijk onderzoek

Sinds de jaren vijftig is het proefdiergebruik fors verminderd, wat zijn de drijfveren daarvoor geweest?

„Nou, eerst is het nog toegenomen tot anderhalf miljoen in 1978. Toen is verplichte registratie ingevoerd, en vervolgens nam het snel af. Dat lijkt een soort registratie-effect, vergelijkbaar met het fenomeen dat je meestal vanzelf minder gaat eten als je precies bijhoudt wat je allemaal eet.

„Daarna zijn er wel alternatieven voor dierproeven ontwikkeld, maar dat heeft niet meer zo’n grote daling gegeven als men in de jaren tachtig gehoopt had. Sinds de opkomst van transgene technieken zijn er veel meer dieren gekomen die wel gefokt worden maar niet voor proeven gebruikt worden. Maar die dieren worden wel gedood, in voorraad gedode dieren, en het ligt er ook aan of je die dieren ook meetelt. Soms zijn het er zelfs nog meer dan er überhaupt gebruikt worden.”

En de omgang met proefdieren, hoe is die verbeterd?

„Er is vanaf de jaren vijftig al veel meer aandacht gekomen voor het welzijn van proefdieren. In het begin, in de jaren vijftig en zestig was dat nog heel instrumenteel. Toen ging het er vooral om de dieren gezond te houden. Sowieso is het zonde van het geld als je een proefdier verliest aan een infectie, maar ook vanuit het idee dat je gezonde proefdieren nodig hebt voor goede betrouwbare onderzoeksresultaten. Een duidelijke verandering kwam er vanaf eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, toen het meer werd gezien als morele plicht om goed te zorgen voor proefdieren.

„Weinig veranderd is echter dat er nog steeds een heel duidelijke hiërarchie is tussen mensen en alle andere dieren. We vinden het nog steeds wel oké om dieren te gebruiken voor menselijk voordeel wanneer wij vinden dat het nodig is.”

Maar die keuze kun je toch ook niet aan dieren overlaten, of wel?

„Nou, binnen de politieke filosofie zijn wel ontwikkelingen geweest in het beschrijven van zogenoemde interspecies democracy, meersoortige democratie, waarin je wel degelijk ook andere dieren erkent als politieke actoren. Daarbij ga je op zoek naar hoe je besluitvorming met mensen en andere dieren kunt vormgeven.

„En je kunt natuurlijk bedenken dat als je letterlijk een kooi zou openzetten, een muis bijvoorbeeld zou kunnen kiezen om weg te gaan. Die keuze heeft een proefdier nu natuurlijk niet, maar in theorie zou het wel mogelijk kunnen zijn. Dat noemen ze ook wel foot voting, stemmen met je voeten – dus niet door iets te zeggen, maar door ergens anders naartoe te gaan. Ik probeer te filosoferen over wat het zou betekenen als we daar eens over na zouden gaan denken.”

Denk je dat het echt zal werken, kooitjes open zetten? Hoe zou je dan nog bijvoorbeeld toxiciteitsproeven kunnen doen?

„Ik denk niet dat het mogelijk is in de context van dat soort onderzoek, want daar gaan proefdieren gewoon bij dood, en dat gaat alleen gebeuren als er nog steeds een ongelijke machtsverhouding is tussen mensen en andere dieren. Maar het kan wel als het niet gaat om invasief biomedisch onderzoek, bijvoorbeeld gedragsonderzoek. Als je zou gaan naar een situatie van een niet-hiërarchische relatie met andere dieren, zoals ik in mijn conclusie voorstel, dan zit daar geen invasief dierproefonderzoek meer bij.”

De hiërarchie waar jij vanaf wilt, bestaat niet alleen tussen mens en dier. Er bestaat toch ook een rangorde die loopt van apen tot aan ongewervelde dieren?

„Ja, in mijn beleving zou er geen hiërarchie moeten zijn. Er zijn natuurlijk verschillen maar daar hoeven geen machtsverschillen aan gekoppeld zijn, vind ik. Door de tijd heen is er wel in wetgeving en ook in sociaal-culturele opvattingen een hiërarchie ontstaan. Daarbij tonen we meer empathie voor dieren die heel erg op mensen lijken. Daarin kunnen we ons makkelijker inleven. Als gevolg daarvan zijn we ook veel kritischer geworden op proeven op primaten dan bijvoorbeeld muizen. En zijn we juist minder kritisch als het gaat om bijvoorbeeld fruitvliegjes. Vanuit het idee dat we denken dat dieren die meer op ons lijken ook meer lijden tijdens die proeven.

„Maar het gaat niet alleen maar om dieren die op mensen lijken, want ook bijvoorbeeld honden, katten en paarden hebben een uitzonderingspositie gekregen in de Wet op de Dierproeven. Die mag je alleen gebruiken als je niet een ander dier kan gebruiken. En dat gaat natuurlijk veel meer om de aaibaarheidsfactor dan dat ze op ons lijken. Aangezien het ook onze huisdieren zijn lijden wij eigenlijk als mens meer als we deze dieren als proefdier gebruiken, omdat we dat zieliger vinden.”

Dus het is dan in jouw ogen ook geen verbetering als we in plaats van apen ratten gebruiken voor bepaalde proeven?

„Ja, het klinkt heel logisch dat het vervangen van apenproeven als beter is gepresenteerd, maar vanuit het perspectief van de rat is dat natuurlijk anders.”

Slaat dit ook op ongewervelde dieren, zoals wormpjes of fruitvliegjes?

„Ja, ik vind van wel. We gaan er nu vanuit dat dit dieren zijn die niet of heel weinig lijden, maar dat kan ook ons gebrek aan kennis zijn. We kunnen daarom beter een voorzorgsprincipe hanteren – als we niet weten of een dier veel pijn lijdt er vanuit gaan dat het wel zo is.”

Hoe denk je dat deze zienswijze ook in de hoofden van onderzoekers en regelgevers komt?

„Dat is een lastige vraag, die kreeg ik ook tijdens de verdediging van mijn proefschrift. Dat zal niet van vandaag op morgen gaan, want het denken over mens en dier als aparte categorieën, waarbij de mens dan bovenaan staat, is natuurlijk wat we al heel jong leren als kleine kinderen. Dat dualistische denken, mens en dier als aparte categorieën – dat zit er diep in. Als je dat wilt doorbreken moet je het onderwijs al voor heel jonge leeftijd veranderen.”

Je bent ook kritisch op het werk van Dierexperimenten commissies, die moeten beoordelen of een proef nodig is?

„Ja, ze beoordelen dierproeven op nut en noodzaak, maar nemen vrijwel nooit de ethische overweging mee in hun beslissing. Dat bleek eigenlijk al van het begin af aan: want wat is dan zo’n ethische review die ze eigenlijk moeten doen? Dat is ingewikkeld, ook omdat in de wetgeving staat dat de intrinsieke waarde van het dier moet worden meegenomen. Maar wat is dat dan? En is dat niet überhaupt conflicterend met het systeem waarin je afweegt of de noodzaak van de dierproef opweegt tegen het lijden van het dier? Dat is een ander soort filosofisch-ethisch denken dan uitgaan van intrinsieke waarde. Het begrip intrinsieke waarde komt daardoor helemaal niet meer aan bod in de discussies binnen die commissies. Er wordt veel meer gekeken of de 3 V’s van vermindering, vervanging en verfijning zijn toegepast in plaats van dat er echt een fundamentele ethische discussie wordt gevoerd.

„Wat het ingewikkeld maakt is dat in het bestaan van zo’n commissie al besloten ligt dat het ethisch geoorloofd is om een dierproef te doen als we vinden dat het in het belang van de mens is. Dan heb je al een keuze gemaakt, voor een utilistische ethiek, en dan ook nog gebaseerd op eenrichtingsverkeer, want je mag nooit proeven op mensen doen ten behoeve van andere dieren, hoe groot het belang ook is. Dus daar zit al een heel dwingende keuze in. Als je echt een goede ethische discussie wilt hebben, dan moet je dat niet al van tevoren vastleggen.”

Kunnen we op dit vlak iets leren van medisch-ethische commissies voor onderzoek met patiënten of vrijwilligers?

„Het grappige is dat mijn collega Noortje Jacobs, die dat eerder ook in promotieonderzoek onderzocht, tot een heel vergelijkbare conclusie komt, namelijk dat ook daar de ethische toetsing eigenlijk niet echt een ethische afweging is maar een toetsing is op de wetenschappelijke kwaliteit.”

Soms wordt wel cynisch over proefdieronderzoek gezegd dat we de muis van allerlei ziekten kunnen genezen, maar de mens helaas nog niet. Hoe kijk jij daartegen aan?

„Ja, dat is bijvoorbeeld het punt van transgene muizen, waarvan de bedoeling is dat ze net zo als een mens reageren, maar dat is natuurlijk niet zo. Er zit een immens groot fysiologisch verschil tussen mensen en muizen. Los van het ethische aspect, lopen we ertegen aan dat die diermodellen helemaal niet zo voorspellend zijn als we zouden wensen, waardoor bijvoorbeeld medicijnen na preklinisch onderzoek in proefdieren alsnog niet door het klinisch onderzoek met mensen heenkomen.”

Wat is dan het alternatief? „Er zijn heel veel ontwikkelingen in in vitro onderzoek gebaseerd op de menselijke fysiologie. Het programma Transitie Proefdiervrije Innovatie, zet erop in dat het alternatief niet meer een soort namaak is van de dierproef die we al hadden, maar gaat echt uit van de menselijke biologie. Dan moet je denken aan organs-on-a-chip of organoïden en ze zijn ook bezig met het aan elkaar schakelen van organoïden. Dan kun je zelfs ook cellen van een specifieke mens gebruiken.”

Is het mogelijk om de wetenschap geheel dierproefvrij te maken?

„Ja, dat is een keuze die je kunt maken, maar dat heeft wel consequenties voor wat je zou kunnen onderzoeken. Je hoort activistische groepen vaak zeggen dat er al genoeg alternatieven voor alles bestaan, maar dat klopt niet. Niet al het onderzoek kan zo maar zonder dieren gedaan worden. Helemaal stoppen met dierproeven heeft dus consequenties, maar die zijn dan voor de mens, niet voor de proefdieren.”