Recensie

Recensie Boeken

Hoe klonk het Nederlandse liefdeslied in de middeleeuwen?

Muziekgeschiedenis Het Maas-Rijnland was in de middeleeuwen hét centrum van de West-Europese lyriek, van geraffineerde liedteksten tot pretentieloze liedjes.

Detail van De levensbron, een vijftiende-eeuws schilderij van Jan van Eyck of één van zijn leerlingen.
Detail van De levensbron, een vijftiende-eeuws schilderij van Jan van Eyck of één van zijn leerlingen. Foto: DeAgostini/Getty Images

Het middeleeuwse lied is een onderdeel van de Nederlandse literatuur dat geen grote bekendheid geniet. De indrukwekkende studie Het Nederlandse liefdeslied in de middeleeuwen kan in die situatie verandering brengen: de Antwerpse emeritus-hoogleraar Frank Willaert laat zien hoe rijk deze liedcultuur was en toont de historische ontwikkeling van het genre vanaf ‘Hebban olla vogala’ tot en met het grote Gruuthuseliedboek (dus tot de komst van de rederijkers, circa 1430). Daarbij komen grote namen aan bod: Veldeke, Hadewijch en de Brabantse hertog Jan I, naast de vele anonieme liederen die deels zijn overgeleverd in verzamelhandschriften, maar ook verspreid als losse tekstjes in de marges en onbeschreven bladen van boeken met een andere inhoud, in rekeningen of als citaat in romans.

Die hele liedcultuur komt tot leven doordat Willaert met aanstekelijk enthousiasme vertelt en veel liederen citeert, nu eens ter onderbouwing van zijn betoog, dan weer om literaire en inhoudelijke aspecten in het volle licht te zetten. Ook heeft hij zich de enorme moeite getroost om alle geciteerde liedteksten, die veelal gesteld zijn in een Duits-Nederlandse mengtaal, te voorzien van een vertaling waardoor ze makkelijker als literatuur begrepen en genoten kunnen worden. Zo biedt dit boek een prachtige staalkaart van de Middelnederlandse lyriek: van geraffineerde liedteksten tot pretentieloze liedjes, van teksten voor een kleine groep fijnproevers tot een ballade als bevestiging van onwankelbare trouw: zelden voelen de middeleeuwen zo dichtbij als in ‘Lief alder liefst int hertse mijn’ uit het Gruuthuseliedboek, waarvan elke strofe het acrostichon Liegaert heeft: de naam van de echtgenote van dichter Jan van Hulst.

Zeer knappe poëzie

In de bespreking van de liedteksten is er veel aandacht voor de vorm (de bouw van de strofen en de rijmschema’s) en dan blijkt dat het vaak gaat om zeer knappe poëzie, zoals het unieke oeuvre van Hadewijch of de formele virtuositeit in het Gruuthuseliedboek. Maar het spectrum is breder: vooral in de veertiende eeuw maakt het dichten deel uit van de galante omgangsvormen van de elites. Voor zulke amateurs zijn liedvormen met veel herhalingen geschikt: die zijn gemakkelijk te maken, nu eens tijdens lange ritten te paard, dan weer als onderdeel van een hoffeest, misschien zelfs geïmproviseerd tijdens het dansen.

De studie van de poëtische vorm brengt ook vaak de onderlinge (vaak internationale) verbanden aan het licht en daarmee de literair-historische ontwikkeling van dit versnipperde genre. Daar blijft het niet bij: Willaert bespreekt in geuren en kleuren hoe deze liederen toen functioneerden: door voordragen, samen zingen, tijdens dansen en feesten. Zo is de lyriek van Veldeke ontstaan in de entourage van het rondtrekkende hof van de Duitse keizer waar minnezangers elkaars repertoire leerden kennen en in onderlinge competitie werkten (zoals blijkt uit de ontleningen van rijmschema’s en woordgebruik). Veldeke speelde dat spel ten volle mee en gaf zijn liederen dikwijls een humoristische wending waarvan de ironie het best begrepen kan worden in relatie tot het werk van zijn vakbroeders.

Beperkte blik

Een centrale stellingname van Het Nederlandse liefdeslied in de middeleeuwen is dat de studie van het ‘Nederlandse’ lied niet kan en mag stoppen bij de huidige taal- of landsgrenzen, zoals eerdere generaties onderzoekers vaak deden. Zij werkten veelal vanuit een nationalistisch paradigma, dat de blik op het materiaal ernstig beperkte. Het merendeel van deze liederen is overgeleverd in een dialect met Duitse kenmerken, bijvoorbeeld het kleine oeuvre van de Brabantse Hertog Jan I. Die negen liederen staan in het beroemde Grosse Heidelberger Liederhandschrift (circa 1300) dat het werk bevat van 140 Germaanse Minnezangers, voorafgegaan door paginagrote miniaturen met een portret van de dichter of een onderwerp dat met de liederen samenhangt (ook de afbeelding op het omslag van deze studie is hieraan ontleend). De taal is Hoogduits; hoe valt dat te rijmen met de Brabantse afkomst van de dichter? Is dit wel de oorspronkelijke vorm?

In het oudere onderzoek is geprobeerd de liederen terug te vertalen in het Middelnederlands; dat lukte tamelijk goed voor vijf van de negen liederen, die vervolgens in deze gereconstrueerde vorm hun weg vonden naar bloemlezingen en schoolboeken. De andere vier lieten zich echter niet omzetten omdat er bijvoorbeeld geen goed Middelnederlands equivalent bestond of omdat het rijm dan verstoord raakte. En zo verdwenen die vier liederen uit beeld en sommigen poneerden zelfs dat ze om deze reden niet van Jan I konden zijn.

Willaert laat zien dat deze redenering aanvechtbaar is en zet daar een beter alternatief tegenover, namelijk dat Jan I woorden en formules uit verschillende dialecten gebruikte. Dat past enerzijds goed bij de politieke ambities van de hertog en zijn succesvolle aanspraak op het hertogdom Limburg na de slag bij Woeringen, en anderzijds bij de plaats van zijn werk in West-Europese liedtradities: hij gebruikt versvormen van de Franse lyriek en verwoordingen en wendingen van de Germaanse minnezang. Als Jan dicht dat er ‘Entzwischen Mase und dem Rine’ geen mooiere vrouw is dan die van hem, dan is het zeer waarschijnlijk dat hij deze regels in het genoemde gebied schreef en primair voor een publiek uit deze regio.

Nieuwe antwoorden

Het is slechts één bouwsteen van Willaerts grote these, namelijk dat het Maas-Rijnland hét centrum was voor de receptie en productie van de West-Europese lyriek: een land zonder grenzen waar de invloeden uit het Romaanse en Duitse taalgebied bij elkaar komen en door dichters creatief herwerkt worden tot nieuwe gehelen die vervolgens weer uitvloeien naar andere gebieden. Keer op keer laat Willaert zien dat het perspectief vanuit deze regio (en, wat ruimer, het oude hertogdom Lotharingen) leidt tot nieuwe antwoorden op oude onderzoeksvragen en samenhang brengt in wat eerder versnipperd leek. Die versnippering was ook ontstaan doordat zowel Romanisten, Germanisten als Neerlandici de regio als perifeer beschouwden, denkend vanuit de huidige landsgrenzen. Willaert overstijgt deze fragmentering, maar alleen doordat hij beschikt over een indrukwekkende vertrouwdheid met de drie literaturen en het wetenschappelijk onderzoek ter zake.

Melodieën

En hoe zit het met de melodieën? Hier laten de overgeleverde bronnen de onderzoekers vaak in de steek: muzieknotatie is eerder uitzondering dan regel. Net als nu was het noteren (en begrijpen) van noten een vaardigheid die slechts een enkeling beheerste en de overlevering van de muziek zal vaak van oor tot oor gegaan zijn.

Niettemin heeft samenwerking met musicologen geleid tot reconstructie van de zingbare melodieën, zoals bij de ontcijfering van de rudimentaire, raadselachtige streepjesnotatie in het Gruuthuseliedboek of het traceren van de al bestaande melodieën die Hadewijch gebruikte voor haar liederen. Waar zulke aanknopingspunten ontbreken, gebruikt Willaert allerlei invalshoeken om toch het muzikale aspect te behandelen, bijvoorbeeld gegevens uit rekeningen en kronieken waaruit blijkt dat blaasmuzikanten tekstdichters hielpen met het maken van melodieën. Ook oppert hij de mogelijkheid dat de liedteksten juist opgeschreven werden om ze rustig te kunnen lezen met alle aandacht voor de bijzondere vorm en waardevolle inhoud.

Het boek is geschreven met de niet-specialist in gedachten, zonder concessies te doen aan de wetenschappelijke diepgang. Het is de kroon op het werk van een groot geleerde die een uitzonderlijke eruditie paart aan een scherp analytisch vermogen en een diepe vertrouwdheid met het Nederlandse liefdeslied in de middeleeuwen.