Opinie

De armoede heeft me een knauw bezorgd

Ellen Deckwitz

Onlangs gaf mijn zus een tuinfeest en in een vlaag van nostalgie deden we een potje doen, durven of waarheid. Toen ik aan de beurt was, koos ik het laatste, en mijn beste vriend wreef in zijn handen omdat hij daarvoor voor ‘doen’ had gekozen en ik hem een radslag had laten maken, in zijn blootje.

„Waar heb”, zei hij grijnzend, „je je het meest voor geschaamd?” Dat was een rotvraag aangezien hij me al bijna twintig jaar kent en hij na die radslag niet te beroerd zou zijn om ervoor te zorgen dat ik iets echt gênants zou opbiechten. Ik begon te stamelen en toen viel de vuurkorf om en vatte een broek vlam. Er volgden brandwonden en paniek en toen alles weer geblust en geluwd en bepleisterd was, was het feest voorbij.

Terwijl ik naar huis sjokte, peinsde ik over hetgeen waar ik me het meest voor schaam. Het is niet eens niet grappig. Ik ben een periode lang arm geweest. In mijn studententijd was er een fout van de Informatie Beheer Groep waardoor ik een tijd geen studiefinanciering kreeg, en tot overmaat van ramp was dat vlak na een ongeluk waardoor ik niet meer naar mijn bijbaan kon, met als gevolg dat ik lange tijd de eindjes aan elkaar heb moeten knopen. Om geld te besparen, begon ik maaltijden en verjaardagen over te slaan. Ik ging niet meer uit en ontving liever geen bezoek omdat ik alleen thee kon aanbieden. Ik verzon smoes na smoes waarom ik liever thuisbleef. Ik begon post te vrezen. Uiteindelijk kwam alles weer goed, maar de armoede heeft me een knauw bezorgd. Ze schrijnt na. En nog altijd is er de angst dat het me weer overkomt.

Want in tegenstelling tot wat de geslaagden of mazzelaars ons willen doen geloven, is armoede niet altijd een keuze, laat staan iemands schuld. Het is doorgaans pech. Verkeerde komaf en verkeerde instanties (hoi toeslagenaffaire), verkeerd moment, verkeerde overheid. En toch betrekken velen, als het hen overkomt, het op zichzelf, en klemmen ze uit schaamte de lippen op elkaar.

Ik deed mijn deur open en dacht aan een uitspraak van Nescio. Dat wie ooit echt in God heeft geloofd, daarna altijd een wezentje op zijn schouder heeft dat met hem meeloert. Hetzelfde geldt ook voor iedereen die armoede kent, of heeft gekend. Er reist vanaf dat moment iets onheilspellends met je mee, dat je telkens influistert dat de wereld een onveilige plek is. Dat je het niet zult redden. Ik deed het licht uit, en zuchtte. Als je de berichten mag geloven, kennen steeds meer mensen dit wezentje. Zijn er steeds meer schouders die het meetorsen, erdoor vast komen te zitten, bezwijken.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.