Opinie

Vastgoedcrisis? China is nog lang geen Japan

Maarten Schinkel

Heel lang geleden, in een economy far, far away, was de grond van het keizerlijk paleis in Tokio evenveel waard als het jaarlijkse bbp van Zwitserland. Het was eind jaren tachtig, en een verbijsterde buitenwereld keek naar Japan waar de prijsstijging van aandelen en onroerend goed geen einde leek te kennen. De Japanse economie was ruim tien jaar daarvoor al uitgegroeid tot de een na grootste van de wereld, na die van de Verenigde Staten.

Het cliché dat Japanners alleen maar westerse vindingen konden kopiëren en zelf niet creatief waren, werd gelogenstraft door een stroom aan nieuwe en innovatieve producten. En in het land zelf rees de overtuiging dat het niet langer de rest van de wereld moest volgen, maar dat het Westen om succesvol te blijven meer moest worden zoals Japan. Zie de toenmalige bestseller The Japan that can say no, van Shintaro Ishihara. In 1998 verkocht de Australische overheid een deel van het terrein van de ambassade in Tokio voor 640 miljoen Australische dollar, destijds zo’n 400 miljoen Amerikaanse dollar.

Niet alleen vastgoed was absurd onbetaalbaar geworden – de beurskoersen gingen óók sky high. De Nikkei 225-aandelenindex piekte eind 1989 op 39.000 punten. En nu, 32 jaar later, staat de index op nog maar driekwart van wat hij ooit was. Japan zou, met het knappen van de aandelenzeepbel in 1990 en de vastgoedbubbel in 1992, een periode tegemoetgaan van ongekende stress. Banken wankelden onder het gewicht van leningen die plots oninbaar geworden waren. Deflatie greep om zich heen en de centrale bank en de overheid voerden, na vele missers, een beleid dat wij in het Westen nu goed kennen maar dáár is uitgevonden: een ongekend ruim monetair beleid met nulrentes, en stimuleringsbeleid van de overheid ten koste van een torenhoge staatsschuld. Japan leed aan wat Richard Koo, sinds jaar en dag de hoofdeconoom van Nomura, een ‘balansrecessie’ noemde. De kosten van het opruimen van het zieke financiële systeem waren enorm, en de operatie duurde veel te lang. In zekere zin is Japan, met een huidige staatsschuld van 256 procent van het bbp, er nog steeds niet bovenop – al is die grotendeels gefinancierd door Japanse spaarders zelf.

Zie hier de gevolgen van een vastgoedzeepbel in een virulente, opkomende economie van formaat. En zo kom je voor je het weet op Evergrande, de Chinese vastgoedreus die wankelt onder 300 miljard dollar aan schulden. Staat China aan de vooravond van een Japans scenario? De vooroordelen van destijds zijn er nu over China, en de vergelijking met Japans zeepbel wordt steeds vaker gemaakt.

En inderdaad: het Chinese financiële systeem is complex en ondoorzichtig. Er is sprake geweest van een enorme bouwwoede, met alle mogelijke uitwassen van dien. En wellicht is Evergrande lang niet het enige vastgoedbedrijf dat op omvallen staat. Als de rot in de Verenigde Staten in de jaren voor de kredietcrisis zo lang niet werd opgemerkt, wat weten we dan nu allemaal níét van China? De schulden van huishoudens en de overheid vallen mee, maar die van bedrijven zijn nu relatief het hoogst van de wereld.

Allemaal waar. Maar vergeet niet hoe uniek de Japanse ervaring was. China komt er nog niet in de buurt. Ontnuchterend cijfer: volgens gegevens van de Bank voor Internationale Betalingen stegen de Chinese huizenprijzen, gecorrigeerd voor inflatie, met gemiddeld 3,2 procent per jaar in de afgelopen vijf jaar. Dat is stevig, maar niet excessiever dan in het Westen. Belangrijker nog: Beijing heeft een voorbeeld in Japan: vroeg ingrijpen is beter dan de zaak zó uit de hand te laten lopen. De vraag wordt of die les ter hand wordt genomen. Al blijft het gokken naar de vastgoedwaarde van de Verboden Stad.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.