‘Middeleeuwse grafroof geen hebzucht, maar ritueel’

Archeologie Leeggehaalde graven zijn niet altijd ten prooi gevallen aan rovers, denken archeologen. Het kan ook een ritueel zijn geweest.

Reconstructie van een grafkamer in Oost-Frankrijk.
Reconstructie van een grafkamer in Oost-Frankrijk. Afbeelding: B. Clarys

Uit vroegmiddeleeuwse graven blijken bij archeologische opgravingen vaak grafgiften te zijn verdwenen. De standaardverklaring voor die verdwijning is grafroof uit hebzucht, maar dat hoeft helemaal niet te kloppen, schrijven archeologen uit Nederland, Zweden, Oostenrijk, Engeland, Frankrijk en Duitsland, na analyse van een groot aantal vroegmiddeleeuwse graven in Noordwest- en Centraal-Europa. De verdwenen grafgiften zouden onderdeel kunnen zijn geweest van een niet-hebzuchtig en weinig heimelijk grafritueel, stellen zij.

De archeologen, onder wie Martine van Haperen van de Universiteit Leiden, zagen in hun analyse van 31 Engelse, 42 Noord-Franse, twaalf Duitse en Oostenrijkse en negen Belgische en Nederlandse begraafplaatsen (met vele honderden individuele graven) allerlei patronen terugkeren. Die werden niet eerder opgemerkt omdat ‘grafroof’ in de archeologie meestal als ‘verlies van informatie’ wordt afgedaan en nauwelijks nader wordt bestudeerd.

De graven lijken bijvoorbeeld vaak na een vaste periode te zijn geopend en ook werden lang niet altijd de rijkste giften ‘geroofd’. Ook werden vrijwel altijd recente graven geopend en bijvoorbeeld niet oudere zesde-eeuwse graven, die vaak veel rijkere grafgiften bevatten dan graven uit later tijd. De archeologen beschrijven hun nieuwe, meer ritualistische kijk op grafroverij in het augustusnummer van Antiquity.

Zwaarden en dolken

Het hoogtepunt van deze culturele grafopengewoonte lijkt in de zevende eeuw te hebben gelegen en werd vooral teruggevonden in grafvelden uit de vijfde tot achtste eeuw van het Reihengräber-type, met individuele graven die losjes oost-west georiënteerd zijn, in lange rijen. De begravingen geschiedden in een houten kist, die soms in een grotere houten grafkamer werd gelegd. De latere heropeningen van deze graven laten sporen na, niet alleen door beschadigingen van de kist maar ook door de verschuiving van botten en al dan niet roestige afdrukken van verdwenen grafgiften.

De precieze rol van de grafverstoring in het begrafenisritueel van die tijd is vooralsnog onduidelijk, aldus de archeologen. Dat het waarschijnlijk niet in het geheim gebeurde, blijkt uit het feit het ook normaal was in grafvelden dicht bij huizen en dorpen. Het kan een (normale) overtreding van normen zijn geweest, maar even goed een positieve interactie tussen de levenden en de doden.

De grafopeningen vonden vrijwel allemaal plaats nadat de zachte weefsels van de dode al verteerd waren – een periode die sterk afhankelijk is van lokale omstandigheden – maar meestal voordat de kist was ingestort. De grafopeningen gebeurden verder niet op grote schaal, allemaal tegelijk, maar vrijwel altijd per individueel graf, gedurende de lange periode dat het grafveld in gebruik was.

Vrijwel overal werden zwaarden en dolken uit de kist genomen, maar daarbij ging het vaak om inmiddels door verval onbruikbaar geworden wapens. Ook sieraden werden niet per se om hun waarde meegenomen; vaak bleef een waardevol deel juist achter in het graf.