Opinie

De hele huwelijksnacht TV kijken

Michel Krielaars

Op 11 september 2001 stond ik in het Zuid-Italiaanse stadje Otranto op het punt om een douche te nemen, toen ik ineens op de televisie van mijn hotelkamer zag hoe een vliegtuig zich in een toren van het WTC in New York boorde. Eerst meende ik nog dat ik droomde, totdat een Italiaanse nieuwslezer in beeld verscheen om te melden dat de wereld voorgoed veranderd was.

Meteen ging ik de straat op om de stemming te peilen. Maar anders dan ik verwacht had, haalde iedereen de schouders op. „Moeten de Amerikanen maar niet altijd de wereld willen overheersen”, zei een Italiaan die ik aansprak.

In Otranto waren ze wel wat gewend. In 1480 hadden de Ottomanen de stad veroverd en 800 mannen onthoofd die weigerden zich tot de islam te bekeren. Nu was de grootmacht van de Ottomanen al weer een paar eeuwen verdampt, maar de herinnering aan die slachting was in de kathedraal, waar de skeletten van de onthoofden lagen, nog volop aanwezig.

In de verhalenbundel De Amerikaanse bril en andere verhalen van de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse spelen herinneringen aan zulke historische gebeurtenissen een grote rol. Zo gaat het titelverhaal over de moord op president Kennedy in 1963. Interessant is dat in de bundel zowel dat verhaal staat, als het essay dat eraan ten grondslag ligt. In dat essay schrijft Menasse zich niet te kunnen herinneren wat hij deed op het moment van de moord. Wel weet hij nog waar hij op 9/11 was: in een televisieprogramma in Mainz om over zijn nieuwe roman De verdrijving uit de hel te vertellen.

Ook herinnert Menasse zich een ander 9/11: dat van 11 september 1973, toen de CIA een staatsgreep pleegde tegen de democratisch gekozen president van Chili, Salvador Allende, die in zijn paleis werd doodgeschoten. Alsof de schrijver daarmee wil zeggen dat 9/11’s van alle tijden zijn.

De verhaalversie van ‘De Amerikaanse bril’ wijkt in zoverre van het essay af dat er geweldige literaire scènes aan toegevoegd zijn, met een hysterische echtgenote en een moeder die in Kennedy de brenger van de wereldvrede ziet, terwijl juist hij de Vietnamoorlog begon, Cuba wilde binnenvallen en een atoomoorlog met de Russen riskeerde.

Ook uit de overige verhalen blijkt Menasse’s betrokkenheid bij het wereldgebeuren. Zo verzet in ‘Eeuwige jeugd’ een Joodse vader zich tegen het huwelijk van zijn zoon op de dag van de herdenking van de Rijkskristalnacht van 9 november 1938. Die zoon drijft toch zijn zin door. En dan blijkt ineens dat hij zijn ja-woord uitspreekt op 9 november 1989, de dag van de val van de Muur. Van een romantische huwelijksnacht komt niets meer terecht, wel van een urenlang kijken naar televisiebeelden van iets wat niemand een dag eerder nog voor mogelijk had gehouden. En dan lees je: ‘Toen leerde ik pas echt wat geschiedenis is. Toen beleefde ik met de bevrijding van het stalinisme mijn eigen bevrijding.’

Als in het verhaal ‘Dresden’ de verteller het Duitse verleden vanaf Goethe en Schiller tot en met het nationaal-socialisme als een vergissing wegzet, wekt hij de imaginaire toorn van zijn vader, die in 1938 naar Engeland is gevlucht. Over het in februari 1945 platgebombardeerde Dresden zegt die vader bijvoorbeeld met voldoening: ‘Zonder Dresden hadden ze nooit begrepen waarvoor ze gekozen hadden.’ Je zou bijna denken dat Menasse daarmee ook Amerika een spiegel voorhoudt.