Recensie

Recensie Beeldende kunst

Een eeuwig leven dankzij de kunst

Portretten Het Rijksmuseum presenteert een staalkaart van de portretkunst uit de renaissance. De geportretteerden zijn al vijf eeuwen dood, maar blijven leven binnen de lijsten.

Sofonisba Anguissola, ‘The Chess Game’, 1555.
Sofonisba Anguissola, ‘The Chess Game’, 1555. Beeld The Raczyski Foundation at the National Museum

Aan het begin van de portrettententoonstelling Vergeet me niet in het Rijksmuseum hangen verschillende geschilderde schedels. Loop je bijvoorbeeld om Barthel Bruyns portret van de weldoorvoede, varkentjesroze, op haar paasbest geklede Margaretha von Mochau heen, dan zie je op de achterkant van dat schilderij uit 1524 een schedel met een restantje hoofdhaar en een vlieg erop. Eén enkele tand hangt nog aan de bovenkaak, de onderkaak ligt ernaast. „Alles eindigt met de dood”, lezen we op een papiertje onder het stilleven.

In het vervolg van de tentoonstelling zijn nog veel meer schedels te zien, maar dan met huid en haar erop en met glimmende oogballen in de kassen. Natuurlijk wordt ieder hoofd uiteindelijk een schedel zonder meer, maar hier zien we de hoofden zoals ze bij leven waren. Geportretteerden van alle leeftijden lijken levenslustig, berustend of der dagen zat. Hun blik is bezorgd of autoritair, vertrouwenwekkend, uit de hoogte of dubbelzinnig. Allemaal individuen uit de vijftiende en zestiende eeuw: de eerste bloeiperiode van de portretkunst. De tijd van Titiaan, Hans Holbein en Albrecht Dürer. Het mooie van een geschilderd portret, schreef Dürer in 1512, is dat het „het uiterlijk van de mens bewaart na de dood”.

Petrus Christus, Portret van een jonge vrouw, ca. 1470. Olieverf op paneel, 29 x 23 cm. Beeld Gemäldegalerie der Staatlichen Museen, Berlijn

Het Rijksmuseum presenteert de beste eigen portretten uit de vijftiende en zestiende eeuw tussen renaissanceportretten uit andere musea. Het resultaat is een staalkaart van de geschilderde, gebeeldhouwde, getekende en gedrukte portretkunst uit die periode, met onder meer het voor zover bekend oudste regentenstuk (zeventien karakteristieke koppen in één lijst door Dirck Jacobsz, uit 1529), het vroegste getekende portret van een Afrikaanse man (door Dürer, uit 1508) en een van de eerste gebeeldhouwde zelfportretten (een beschilderd terracotta beeld van Johan Gregor van der Schardt uit 1573). De portretten zijn gerangschikt naar thema’s als familie, macht, devotie en ambitie. Je kunt als bezoeker die thema’s volgen, maar ook op de formele in plaats van de inhoudelijke kanten letten en een rondje oren doen, een rondje ogen, een rondje afgeknipte pony’s. Ieder gezicht is anders, en ieder geschilderd gezicht is ook nog eens anders geschilderd.

Springlevend

Onder de geportretteerden bevinden zich beroemdheden als Erasmus, Luther en Michelangelo. De onbekende gezichten hebben vaak ook iets bekends. Een omstreeks 1495 door Andrea Solario geportretteerde man met een vlezig blokhoofd zou in 1985 beslist zijn gecast als Oost-Europese schurk in een actiefilm. Een anonieme man op een portret van Jan van Scorel kijkt cool als een rapper, een jonge vrouw op een schilderij van Petrus Christus ongenaakbaar als een topmodel. Alle geportretteerden zijn al een eeuw of vijf dood, maar binnen de schilderijlijst nog steeds springlevend.

Giambattista Moroni, Portret van een jonge vrouw, ca. 1575. Olieverf op doek, 73,5 x 65 cm. Beeld Rijksmuseum, Amsterdam

Verreweg het levendigste gezicht is dat van een lachend meisje, in 1555 geschilderd door haar oudere zus Sofonisba Anguissola. Ze is een van de vier figuren op een schilderij dat verder eigenlijk niet zo opmerkelijk is: de vier zijn wat onhandig in de ruimtelijke illusie en het kader gepropt. Maar dat lachende apenkoppie met het uitstaande oor en de krulletjes langs de slaap maakt alles goed. Een ander hoogtepunt komt nota bene uit de collectie van het Rijksmuseum zelf, maar hangt bij mijn weten zelden in de vaste opstelling: een laat vrouwenportret van Giambattista Moroni. Temidden van zijn tijdgenoten blijkt eens te meer hoe opvallend beheerst en stevig Moroni een portret kon schilderen, hoe intens hij omging met ieder onderdeel van het beeld en hoe modern hij was in het suggereren van complexiteit áchter het gezicht, in de hersenpan. Hartstikke aanwezig en echt, die vrouw.

Als recensent krijg je soms het voorrecht een tentoonstelling al voor de opening te bezoeken, in een klein gezelschap van collega’s. Als je lang genoeg blijft kijken, loop je uiteindelijk alleen door de zalen. Maar in de zuidvleugel van het Rijksmuseum ben je momenteel zelfs in je eentje niet alleen. Je wordt omringd door mensen van vroeger. Dwars door de eeuwen heen kijken ze je aan. Allemaal zijn ze er geweest, en allemaal zijn ze er nog. Dankzij de kunst.

Lees ook: Hoe het minzame mondje uit de portretkunst verdween