De antiheld is steeds vaker een vrouw

Series De beste series uit de jaren nul zitten bomvol ‘moeilijke mannen’. Nu de tv-industrie diverser wordt, krijgen ook vrouwelijke hoofdpersonen steeds meer rafelrandjes.

Kate Winslet als nukkige rechercheur Mare. Beeld HBO
Kate Winslet als nukkige rechercheur Mare. Beeld HBO

Koelbloedige moordenaars, drugsdealers, alcoholisten, zwendelaars, dieven en vrouwenverslinders – de televisieseries die eerder deze eeuw de zogenaamde ‘gouden eeuw van televisie’ inluidden, en nog steeds hoog bovenaan de lijstjes van beste series aller tijden staan, zitten er vol mee. ‘Moeilijke mannen’ werden ze gedoopt. Antihelden worden ze ook wel genoemd.

Tony Soprano, Walter White, Don Draper, Omar Little, Vic Mackey, Tyrion Lannister; mannen met – soms – een klein hartje, maar vooral geen enkele scrupules wanneer ze een ander pijn moeten doen om te krijgen wat zij willen. En toch sloten we ze massaal in onze harten. Juichten we zelfs voor ze wanneer ze nog verder afgleden op de ladder van deugdzaamheid. Pas toen Tony Soprano in de vijfde aflevering van het eerste seizoen van The Sopranos voor het eerst in beeld een moord beging, niet uit zelfverdediging of noodzaak, maar uit pure, kille wraak, was zijn geloofwaardigheid als maffiabaas bij kijkers en critici vastgesteld en ging de serie volgens de overlevering van ‘goed’ naar ‘geweldig’.

Niet voor een massapubliek

Dat de antiheld in het eerste decennium van deze eeuw overal opdook, had vooral te maken met de opkomst van Amerikaanse kabelzenders en – later – streamingdiensten. Betaalzenders als HBO en AMC hoefden geen programma’s te maken voor een massapubliek, zoals de klassieke televisienetwerken dat wel moesten. Een hoofdpersoon mocht daarom onaardig of zelfs slecht zijn. De betere series die de gewone Amerikaanse netwerken in diezelfde tijd produceerden, als The West Wing en Friday Night Lights, kenden wel aardige mannen. Toch hadden Jed Bartlet en Coach Taylor nooit dezelfde wereldwijde impact of bekendheid als hun ‘moeilijke’ tegenhangers.

Dat al deze antihelden vooral (witte) mannen waren, was een reflectie van de industrie van die tijd. Televisieseries werden op dat moment met name door witte mannen gemaakt. Zij schreven en produceerden wat ze kenden, leefden zelfs hun eigen fantasieën uit in hun hoofdpersonen. Met het (mondjesmaat) diverser worden van het televisielandschap, kregen ook de antihelden andere vormen. De afgelopen jaren zagen zelfs een enorme toename aan vrouwelijke hoofdpersonen die ook ‘ingewikkeld’ waren. Van koelbloedig seriemoordenaar Villanelle in Killing Eve tot de gecompliceerde, grofgebekte hoofdpersoon van Fleabag.

Lees ook onze recensie: Kate Winslet overtuigt in ‘Mare of Easttown’ als nukkige rechercheur

Deze trend bereikte dit jaar een hoogtepunt met Mare Sheehan, de hoofdpersoon van HBO-serie Mare of Easttown. Mare, gespeeld door Kate Winslet, is het soort chagrijnige, onaangepaste, onaardige en op momenten zelfs corrupte politierechercheur dat tot voor kort altijd gespeeld zou zijn door een man. Een antiheldin. Dat kijkers Mare massaal in hun hart sloten, terwijl de vrouwen van Soprano, Draper en White een decennium eerder vooral als zeurende obstakels werden ervaren, zegt alles over de evolutie die heeft plaatsgevonden.

Aandoenlijke rechercheur

Mare of Easttown leverde actrice Winslet afgelopen zondag haar tweede Emmy Award op, na in 2011 te zijn bekroond voor haar hoofdrol in miniserie Mildred Pierce. Tegelijkertijd vielen aan de andere kant van de klassieke genderlijn vooral mannen in de prijzen die personages vertolken die weer bijna lijnrecht tegenover Mare Sheehan en de antihelden die haar voorgingen, staan. De beste mannelijke bijrol in een miniserie was voor Winslets tegenspeler Evan Peters die de haast aandoenlijke rechercheur Colin Zabel speelde. En de beste mannelijke hoofdrolspeler in een komedie, ging naar Jason Sudeikis in Ted Lasso, een serie die met zeven prijzen sowieso een van de grootste winnaars van de avond was. Ted Lasso, een Amerikaan met een dik accent en borstelsnor die coach van een falend, Engels voetbalteam is, kan niet verder van Tony Soprano af staan – al lijden beide aan paniekaanvallen. Lasso zegt ‘knock-a-doodle-do’ als hij op een deur klopt en brengt zijn baas dagelijks zelfgebakken koekjes. Hij kent het woordje whacken waarschijnlijk enkel uit The Sopranos. Lasso werd gecreëerd als tegenreactie op de toxische masculiniteit die in de Verenigde Staten (en de wereld) de afgelopen jaren welig kon tieren. In de politiek maar ook op televisie, in de vorm van de zo populaire mannelijke antiheld.

Nu valt Lasso eigenlijk ook in de categorie ‘moeilijke man’, zijn altijd opgewekte verschijning verbergt – zo onthult seizoen twee op prachtige wijze – een enorme hoeveelheid onverwerkt trauma. Maar wat de makers van Ted Lasso daarmee vooral laten zien is dat een interessant verhaal ook verteld kan worden door een lens van fatsoen en intrinsieke goedheid. Je hoeft geen halve psychopaat te zijn om toch te boeien.

Nu maakt één Ted Lasso nog geen zomer en het is wellicht te vroeg om het tijdperk van televisies ‘good guy’ officieel aan te kondigen – daarvoor kijken we ook iets te enthousiast uit naar het derde seizoen van Succession, een serie vol egoïstische, nare mensen, volgende maand. Maar Hollywood doet niets liever dan succes kopiëren, wat betekent dat de volgende ‘goede man’ waarschijnlijk op dit moment wordt bedacht.