Foto: Merlijn Doomernik

Interview

Winnaar Grote Poëzieprijs: ‘Als je een antwoord hebt, dan kun je de kist bestellen’

Liesbeth Langemaat Zij ontving eerder dit jaar De Grote Poëzieprijs voor haar bundel Vissenschild, een hervertelling van een middeleeuws volksverhaal over de Fiere Margriet. „In dit verhaal wordt de hoop verkracht en vermoord.”

Op de salontafel bij Liesbeth Lagemaat ligt een korte tekst van drie strofen, aan weerszijden geflankeerd door hoge kandelaars. Het is niet alleen deze sacrale enscenering die de aandacht trekt, maar ook de titel van de tekst (‘Aramees Onze Vader’) en de mysterieuze regels: ‘Bron van Zijn, die ik ontmoet in wat mij ontroert, / Ik geef u een naam opdat ik u een plaats kan geven in mijn leven. / Bundel uw licht in mij - maak het nuttig.’

Ze kreeg het een week eerder van een vriend, vertelt Lagemaat (1962), en heeft het behalve hier ook in haar werkkamer neergelegd. „Stel je voor dat je hiermee de dag begint en eindigt!” In de derde strofe lees je wat uit die ‘Bron van Zijn’ voortkomt: de ‘alwerkzame wil’ en de ‘levende kracht om te handelen’, maar ook ‘het lied dat alles verfraait / en zich van eeuw tot eeuw vernieuwt’.

Lagemaat – die eerder dit jaar De Grote Poëzieprijs ontving voor haar zevende bundel, Vissenschild (2020) – zegt dat we allemaal dat lied zijn: „Het mooie is te beseffen dat het niet om mij als dichter gaat, maar om die hele ketting die we samen met elkaar maken.”

Als vanzelfsprekend betrekken we deze tekst op de poëzie. Daar leent die zich ook zo goed voor. Dat lied is wat poëzie is! Op de achtergrond klinkt gedurende ons hele gesprek nog een variant van dat lied: composities van de twaalfde-eeuwse Hildegard von Bingen, gezongen door de sopraan Emma Kirkby. „Men vindt haar stem heel koel, maar als je dit wilt zingen, dan móét je dat doen met een zekere distantie.”

Waarom?

„Von Bingen, een femina universalis, probeert hier een verband te leggen tussen het aardse leven en wat zij zich voorstelde van de hemel. Dat moet ontheven zijn van menselijke en subjectieve emoties. Dit was ook muziek om in trance te raken. Het kan niet dat je dat met een snik in je stem zingt, want dan gaat het over die persoon zelf.”

Lagemaat kan dat evengoed over haar eigen werk zeggen, want ook daarin geen snikken. Geen persoonlijke ontboezemingen, omdat ze naar eigen zeggen geen expliciet autobiografische poëzie schrijft. In de bundel staat het verhaal van Elpis centraal: het meisje wordt op een gegeven moment verkracht, dramatisch samengebald in een voor Lagemaats doen kort vers, onderdeel van het langere ‘Het onafwendbare: schender en geschondene’. ‘Alles kijkt. // Alles hoort. // Alles wordt een oog. // Een oor. // En het oog begraaft zich. // En het oor.’

Elpis wordt voor dood achtergelaten, ‘gebeukt in het slijk’. Hier ligt geen persoon meer, hier ligt een uiteengevallen lichaam: ‘Zonder vervolg zal mijn voetstap zijn, / raakt de diepte mijn gebroken // lijf, mijn ziel vergronsd, / wie ik was ligt gescherfd.’

Tenslotte stijgt ze ten hemel en dat is min of meer wat degene op wie Lagemaat zich voor dit epische gedicht baseerde ook is overkomen. Vissenschild hervertelt het middeleeuwse volksverhaal over de Fiere Margriet, zoals de dertiende-eeuwse en zaligverklaarde Margarethe van Leuven tot op de dag van vandaag voortleeft.

Waarom noemde u haar Elpis?

„Elpis is de hoop die achterblijft als ‘de kruik’ van Pandora geopend en snel gesloten wordt. En wij gaan niet goed om met de hoop. In dit verhaal wordt de hoop verkracht en vermoord en uiteindelijk krijgt ze de grootste status. Een hemelvaart, wie wil dat nou niet, hè?”

En ze wordt vereeuwigd in de kunst.

„Ik wilde een eerbetoon maken. Dat had grandioos kunnen mislukken, maar dan zou ik in ieder geval grandioos op mijn bek zijn gegaan.”

Wat bedoelt u met ‘we gaan niet goed om met de hoop’?

„Ik denk dat we allemaal maar al te graag toch wegkijken, kijk naar de rol van de reigers in het veld. Zij zijn de ‘rechters’ in dit verhaal, maar kijken op precies het juiste moment weg. Wat Elpis overkomt, gebeurde in de veiligste nacht denkbaar en zij zeggen: ‘We deden nét één oog dicht, sorry.’ Gelukkig hebben we zoiets als de rechtspraak, we hebben die ook altijd nodig gehad, maar het gaat óók altijd een keer mis.”

Hoe kwam u dit verhaal op het spoor?

„Ik ben dit gaan schrijven op het moment dat er echt een tsunami aan berichten in het nieuws kwam over verkrachte en daarna vermoorde meisjes, onder wie Anne Faber. Toen stuitte ik op dat verhaal van de Fiere Margriet en kwamen die lijnen heel erg bij elkaar. Wat maakt het dat iemand een ander zoiets aandoet?

„Het gaat er mij als dichter niet om de dader nog eens te veroordelen, maar: het gebeurt altijd weer opnieuw. Waarom? Hoe werkt dat? Je kunt altijd proberen iets beter te begrijpen, dan heb je tenminste nog iets.”

Lagemaat probeert altijd patronen te herkennen in de manieren waarop mensen met elkaar omgaan en hoe onze psyche in elkaar steekt. Ze zijn vaak getekend door existentiële eenzaamheid en afhankelijkheid, zoals in een van haar andere epische gedichten, Nachtopera (2015), waarvoor ze de Karel van de Woestijneprijs kreeg. Daarin belicht ze de driehoeksverhouding tussen man, vrouw en kind vanuit elke betrokkene.

En in het intiem en persoonlijk getitelde Een grimwoud in mijn keel (2005), waarmee ze de C. Buddingh’-prijs won, klinkt het zo: ‘Je bent al aan het behoeden wat nog nauwelijks // naam kon hebben. Angst drijft een kloof / in je gezicht en langzaam vloei je uit, ecoline / of mandarijnenlikeur. Een droom hangt / als een nageboorte in dit vacuüm van tijd’.

Het gevaar dat hier op de loer ligt, namelijk dat haar analyse de zoveelste is en daarmee iets gratuits en nietszeggends krijgt, blijft uit, omdat Lagemaat altijd aansluiting zoekt bij het verleden. Haar poëzie staat bol van de verwijzingen, veelal naar middeleeuwse literatuur en cultuur. Ze verklapt dat Hildegard von Bingen een prominente rol speelt in het nieuwe epos waar ze aan werkt.

En zo komen we ook weer uit bij dat Aramese Onze Vader. „Het mooie van zo’n tekst is dat die zo open is. Je kunt er alle kanten mee uit en iedere keer vult die betekenis zich weer anders.”

Net zo is het met dat volksverhaal. Ze gebruikt het als structuur om het heden in een ander licht te zetten, maar geeft er tegelijkertijd ook een eigen draai aan. Niet alleen door het personage onder een andere naam op te voeren, maar ook door er een raamvertelling van te maken. Behalve Elpis volgen we namelijk nog iemand, te weten de kalligrafist die háár lotgevallen optekent. Je krijgt een inkijkje in zijn moeizame schrijfproces – en zo ook in dat van Lagemaat zelf: ‘Het begin, peinst de kalligrafist, zou aldus kunnen zijn: / Ingerold lag ze op zolder, pigment gekleefd aan pigment, / ze rook naar onbeweeglijkheid, een stilte die al bijna helemaal / vergaan was tot vlokken wol, een mummie van een klein insect.’

Het is zijn taak om dit vreselijke verhaal vast te leggen, maar Elpis helpt hem een handje. Ze weet wat er allemaal gaat gebeuren, zij is het personage, zegt Lagemaat. Dus laat zij van zich horen, al in het openingsgedicht van Vissenschild, getiteld ‘Tegen wil en dank dient zij zich aan’: ‘Dat ze weet: hij tast naar haar, / vingers van röntgenlicht spieden haar naam Ja ik tast.’ En hij heeft het wrange lot om het op te moeten schrijven.

Wat spreekt u aan in het epos?

„Je kunt de verhalende en de lyrische kant daarin heel mooi met elkaar verenigen. Meer dan in romanvorm kan ik er nu een tover inbrengen en er een lied van maken, terwijl het iedere keer ook weer een uitdaging is, omdat het verhalende er duidelijk in moet zitten en ook moet dóórgaan.”

Soms leidt die samenkomst van epiek en lyriek tot een uitgesponnen ritmiek, maar vaker nog leest deze poëzie fragmentarischer, wanneer lyriek en epiek echt op elkaar botsen, zoals aan het einde van Vissenschild, wanneer de taak van de kalligrafist erop zit en Elpis is opgestegen: ‘Breekwater, // splijtzwam van licht op haar vlies. Op het mijne. Haar geest / in hemelkoelte nu, azuren zwerk, haar lichaam bemodderd // op weteringbodem. Laat me ten leste. Een soelaas om haar lot.’

De vertelling komt hier tot een wervelend einde en de haast sprakeloze kalligrafist beneemt zichzelf én de lezer de adem: ‘En ik zie haar lichaam // stijgen, omwonden door licht, ongeschonden zal ze drijven / op de vliet, aan de zoom van de stad. En geen hand zal nog // ongetekend zijn.’

Heel bewust laat ze epiek en lyriek niet op elkaar botsen, zegt ze. Daar wil ze eigenlijk ook niet veel meer over weten. Ze volgt liever het mysterie: „Ik wil dat het voor mij verborgen blijft.”

Waarom?

„Je bent niet degene die een antwoord geeft, je bent hooguit degene die mede een vraag stelt. Als je een antwoord hebt, dan kun je de kist bestellen. Wij zullen onszelf nooit leren kennen. Ken uzelf, ga er maar aanstaan! En elkaar evenmin. Hoe de band tussen twee mensen eruitziet, dat kan geen dichter je ooit vertellen.”

Elke ontsluiering is weer een omsluiering.

„Je hebt die regels van Boudewijn de Groot, hè: ‘Achter iedere deur die ik open doe / Doe jij een andere deur weer dicht / En zo blijf je verborgen / Nooit wordt er meer dan een tip / Van de sluier opgelicht.’”