Ineke Hans in haar atelier in Arnhem.

Foto Khalid Amakran

Interview

Ineke Hans: ‘Ik heb een disconnectie met luxe’

Wijzer | Ineke Hans De meubels en gebruiksvoorwerpen van Ineke Hans (54) zijn herkenbaar aan hun eenvoud en vernuft. Wat zij leerde in het leven: de waarde van het boerenbestaan, het belang van schoonheid, en waarom je beter de bus kunt nemen dan een taxi.

„Alles hier in de studio is zo’n beetje zelf in elkaar geknutseld: toilet, keukenblok, een wand van afgedankte raamkozijnen, alle gas- en waterleidingen heb ik doorgetrokken, we hebben nu zelfs vloerverwarming. Twintig jaar terug was dit een garage, vervolgens kwam er een huurder in die een wietplantage begon. De eigenaar zag in ons betrouwbaarder huurders – we deden ‘iets met kunst’. Voor ons is het een geweldige plek, in het centrum van Arnhem, het postkantoor en de Praxis om de hoek. Klussen heb ik geleerd in het kraakpand waar ik ooit woonde. Door te kijken, leer ik doen. Van huis uit had ik ook een en ander meegekregen. Mijn vader was een echte bouwer – poppenhuizen, stoofjes, grafkisten, van alles. Via de ambachtsschool had hij zich opgewerkt tot gemeente-architect in Zelhem. Toen er halverwege de jaren zestig een nieuwe woonwijk moest komen, maakte hij de tekeningen voor de Bloemenbuurt. Hij ontwierp het huis waarin ik ben geboren. Mijn moeder was goed in breien, naaien, en ze leerde me zagen toen ik zes was.

Tot de vierde klas middelbare school was ik een beetje een raar meisje, een eenling met m’n zelfgemaakte soepjurken en geelgeverfde haren. Mijn moeder geneerde zich als ze met me door het dorp moest. Maar toen ik eenmaal de kunstvakken ontdekte, en daar goed in bleek te zijn, veranderde er ineens heel veel. Van het sufferdje werd ik een nog steeds raar, maar meer gezien iemand. Ik ging bij de schoolkrant, ging die schoolkrant leiden, zat in het leerlingenparlement. Als je iets leuk vindt, gaat álles beter.

Handvaardigheid was op mijn school een eindexamenvak. Van Jan Visser, mijn docent – hij is inmiddels overleden – heb ik meer geleerd over kunst en kunstgeschiedenis dan later aan welke kunstacademie ook. Door hem zijn veel leerlingen naar de academie gegaan. Toen ik naar Arnhem ging, gaf hij mee Sonsbeek-catalogus van dat jaar, waar hij een spreuk van de Chinese filosoof Confucius in schreef: of je nou snel of langzaam loopt, de weg blijft even lang. Ik was te ongeduldig, te gehaast. Hij zei altijd: het komt, het komt.

Sociale patronen veranderen, en daarmee veranderen onze gedragingen en gebruiken. De tijd van bureaus, draaistoelen en archiefkasten is voorbij, alles past in onze computer. We wonen kleiner en duurder, we reizen anders, de trein is ons kantoor, ons kantoor is huiskamer. Spullen worden anders gemaakt, gekocht en gebruikt, en ontwerpers moeten daarin mee. Een fabrikant als Royal VKB kon er niet meer op rekenen dat mensen bij hun trouwen een standaardcassette kopen met twaalf messen, vorken, lepels en een compleet servies. Ik heb voor hen een knoflookpers ontworpen en soepkommen met een lepel eraan, waarmee je makkelijk op de bank voor de televisie kunt eten.

Als je eerlijk bent: hoe vaak koop je een nieuwe tafel in je leven? In heb er thuis één staan, een eigen ontwerp. Verder staan er ontwerpen van collega’s, die heb ik geruild voor werk van mij. De rest is bij elkaar gescharreld. Dat emaillen tafeltje? Komt van de straat, in mijn krakerstijd struinden we ’s nachts het grofvuil af. We leven in een wereld waarin we alles hebben, we hebben meer spullen dan tweedehandswinkels kunnen verstouwen, en toch blijven we nieuwe dingen maken. Ik ben daar als ontwerper debet aan. Dus of ik moet ophouden met wat ik doe, of ik moet zorgen dat het anders, beter gebeurt. Ik leer mijn Berlijnse academiestudenten dat het niet draait om iets te gek, iets wows te bedenken. Dingen voor de bühne, wéér een tafelblad dat vreselijk duurzaam gemaakt is van rode bietjes maar waar je geen glas wijn op kunt zetten, dat kan écht niet meer.

Mijn grootvader was boerenknecht. Toen de boerderij afbrandde en de boer overleed, bouwde hij het bedrijf weer op. Toen de boerenzoon achttien werd en de leiding opeiste, vond mijn grootvader dat vanzelfsprekend. Zo lagen de verhoudingen. Tot zijn dood bleef hij knecht, en woonde met mijn oma in het pachtershuisje. De wereld van mijn grootvader bestaat niet meer, maar ik ben blij dat ik de eenvoud van het boerenbestaan via hen toch heb meegekregen. Ik heb een disconnectie met luxe, met overdaad, met húp, we kopen alles weer eens nieuw. Een collega-ontwerper vertelde me dat hij in Milaan altijd met de taxi gaat. Hoe kan je dan ontwerpen? Ik ga altijd met de metro of de bus. In de bus zitten de mensen voor wie je ontwerpt.

Het is een misverstand dat alles moet blijven zoals het was. Vroeger sneden we vlees met een hakbijl en dat ging vast prima, maar een mes is best handig. Dat een mens alles zelf moet kunnen maken, is ook een romantische illusie. Kantoren zitten vol mensen die niet meer weten hoe ze een hamer vast moeten houden, dus ontwerpers zullen altijd nodig blijven. Maar met alleen maken wat nodig is, en nuttig, ben je er als ontwerper niet. Toen ik in Londen aan de academie studeerde, schrok ik als iemand een krul maakte aan een stoel. Zoiets doe je niet, zo had ik dat geleerd. Rietveld zei: zitten is een werkwoord. Maar op zijn stoel, hoe conceptioneel ook, wil niet iedereen zitten. Vormgeving gaat door de maag. Als je wil dat een ontwerp bij mensen binnenkomt, moet je ze ook triggeren met wat ze mooi of aangenaam vinden.

Ik heb een disconnectie met luxe, met overdaad, met húp, we kopen alles weer eens nieuw

Spullen hebben een praktische en mentale functionaliteit. Kijk, een mes moet functioneren, maar je verzamelt ook dingen om je heen die herinneringen zijn. Mijn ouders kwamen bij het opruimen van ons ouderlijk huis dozen tegen vol inlegzolen, beugels, spalken. Als kind had ik o-benen, die elke nacht van mijn enkels tot mijn liezen werden ingezwachteld om recht te groeien. Vervolgens kreeg ik x-benen en moest ik aan de steunzolen. Ik had die dingen vijftig jaar niet gezien, ik wist niet het bewaard was gebleven. Ik heb toch alles maar meegenomen, waarschijnlijk om het weer dertig jaar in een doos te laten zitten zonder er ooit nog naar om te kijken. Waarom gooi ik het niet gewoon weg? Het geheugen bepaalt of iets mooi of waardevol is.

In het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem staat een vakantiehuisje van Gerrit Rietveld dat voorheen op een camping in Markelo stond, rond 1950. Echt een tiny house avant la lettre, zonder stroom, verwarming, niks. Er staat ook een Marker huisje uit plusminus 1850, mijn lievelingshuisje. Nou is precies bekend wat er allemaal in dat Marker huisje gestaan heeft. Ik wil van al die objecten uitrekenen wat de footprint was, het milieu-effect om ze te maken. Een Statenbijbel met lederen kaft, mmh, leerlooien is best een vervuilend proces. De koperen beddenpan, ai, koperwinning, best vies. Naar mijn toekomstige vakantiehuisje-2050mag je niet meer meenemen dan de footprint van 1850. Dus: kan ik die beddenpan en bijbel ruilen tegen een iPhone? En als ik niet twaalf borden hou, maar één, kan ik dan twee katoenen onderbroeken meenemen? Voor een weekend zal het best gaan. Maar als je langer in dat huisje blijft, hoeveel heb je dan echt nodig? Dat is de grote vraag van nu: hoe licht kun je leven?

Foto’s Khalid Amakran.

Correctie (1 oktober 2021): In een eerdere versie van dit artikel stond dat het bedrag bij inlevering van de statatiegeld-stoel 25 euro opleverde. Dat is hierboven aangepast.