Opinie

Wij mensen kennen onze plaats niet meer

Raoul de Jong

Ik zat bovenop een Italiaanse berg, aan een plastic tafel voor het rommelhok van het ‘campo sportivo’, het sportveld van een klein middeleeuws dorpje met evenveel inwoners als ik Facebookvrienden heb. Voor me was een voetbalveld met verdroogd gras. Daarachter een indrukwekkend panorama van wolken en bergen. Veel tijd om daar bij stil te staan had ik niet, want ik zat hier om mijn volgende column te schrijven (het plan was: over een Afrikaanse prins die ik in Marseille ontmoet had). Mijn vriend had bedacht dat dat een goed idee was, dan kon hij ondertussen tennissen op een veldje verderop en dan konden we daarna gewoon weer door met onze vakantie. „Je zult zien”, riep hij, „niemand die je stoort!”

Hij was net verdwenen, toen er een hekje openging en er achter mijn computerscherm een soort elf verscheen. Met wit haar, een buideltasje, en een enorme, uitpuilende buik. Dat viel op want hij droeg geen T-shirt. Om zijn nek zat een kettinkje met een mini-Jezus aan een minikruis. De elf negeerde mijn open laptop, mijn vriendelijke doch afstandelijke „ciao”, pakte een stoel en kwam naast me zitten.

Hij heette Enzo, zo bleek. Hij was 71 jaar en sinds een paar jaar was hij verantwoordelijk voor het onderhoud van het campo sportivo. Hij groeide op bij zijn grootouders, in een dorpje vijftig kilometer verderop. Op zijn 25ste verhuisde hij naar dit dorp. Zijn vrouw werd hier geboren. „Bij jullie in de stad”, zei hij, „is iedereen eenzaam. Hier in het dorp ben je altijd omringd door vrienden.” Volgens hem was dat goed, want mensen zijn groepsdieren. Toen gaf hij me een knipoog en vroeg: „Birra?” Het was pas half elf ’s ochtends. Maar voor Enzo was dit blijkbaar een heel normale tijd om bier te drinken. Dus zei ik ja.

Samen keken we naar de bergen. Die bergen waar ik net geen tijd voor had. Enzo gaf me hun namen en door die namen kwamen ze tot leven

Samen keken we naar de bergen. Die bergen waar ik net geen tijd voor had. Enzo gaf me hun namen en door die namen kwamen ze tot leven. De grootste en indrukwekkendste noemde hij de Grote Steen. Ooit, tot niet eens zo heel lang geleden, was de Grote Steen bedekt met ghiaccio eterno, eeuwig ijs. IJs dat er al had gelegen tijdens het leven van Enzo’s vadersvadersvader en dat er, zo werd vroeger gezegd, altijd zou zijn. Het was weinig mensen opgevallen, maar Enzo zag het wel, hier vanaf het campo sportivo: dat ijs is verdwenen. Volgens Enzo voorspelde dat niet veel goeds. Voor de hele wereld, niet alleen voor hier.

Toen vertelde hij over een website waarop je live het wereldwijde vliegverkeer kunt volgen. We bekeken hem op mijn laptop: een wereldkaart bedekt met kleine vliegtuigjes. Ook het vliegtuig dat op dat moment over ons hoofd vloog stond erop. „Om die machines te laten vliegen”, zei Enzo, „sturen we iets wat uit de aardbodem komt, petroleum, de lucht in.” Volgens hem was het een goede illustratie van ons grootste probleem: wij mensen kennen onze plaats niet meer en daardoor staat de wereld op zijn kop.