Detail van het onlangs heropende Parijse warenhuis La Samaritaine

Foto Stéphane ABOUDARAM

‘Aan echt alles zie je dat jij niet Frans bent’ zei een jonge Franse filmmaker tegen Bas Heijne

Essay Parijzenaars, schrijft Bas Heijne, zijn enorm gehecht aan symbolen en rituelen – wat zich uit in overdadige, volgepakte interieurs en een voorliefde voor fraaie verpakkingen. ‘De manier waarop iets wordt gepresenteerd, de buitenkant, is bijna even belangrijk als wát er wordt gepresenteerd.’

„Mais c’est …très … nordique.’’ Vaak moeten mijn Parijse kennissen even zoeken in hun arsenaal beleefdheden, wanneer ze voor het eerst mijn appartement in de Rue des Martyrs betreden. Verrast zijn ze, en een tikje geschokt. Nordique … kaal wordt er bedoeld, niet lekker gevuld, niet genoeg spullen. Ongemakkelijk leeg. De meesten van hen weten ook wel dat noorderlingen – de Franse mentale geografie plaatst Nederland te midden van de Scandinavische landen – van lege ruimten en klare lijnen houden. Ze kennen het vlakke land, al is het maar van schilderijen of Jacques Brel. Ja, Mondriaan natuurlijk, en De Stijl. Met een beetje goede wil kunnen ze in mijn woning ook een hang naar zen zien, maar voor de meesten van hen is het te weinig warm allemaal.

Die lege slaapkamer, met alleen een bed en een affiche aan de muur, ikzelf vind het strak en cool (een Frans stopwoord), een kleine oase van rust en leegte. Mijn kennissen vermoeden een gebrek aan persoonlijkheid.

De Parijse huizen en appartementen die ik de afgelopen jaren heb bezocht laten dan ook bijna altijd het tegenovergestelde zien. Ze zijn volgestouwd. Ruimte bestaat om gevuld te worden, een lege muur lijkt bij de bewoners een gevoel van horror vacui op te roepen. Op een tafel horen boeken, kaarsen, ingelijste foto’s, asbak, dingetjes. Ook kasten horen vol te zijn, boeken, vazen, beeldjes.

„Aan echt alles hier zie je dat jij niet Frans bent”, stelde een jonge filmmaker nuchter vast toen hij op een ochtend koffie kwam drinken. Hij woont verderop in de straat – in een propvol appartement van zijn grootouders, die zelf onder hem wonen. De filmmaker heeft er nog wat spullen van zichzelf, zoals een tapijt dat hij tijdens een reis door Marokko kocht, aan toegevoegd.

Meestal is volte onvermijdelijk in Parijs, omdat de ruimte beperkt is. Ik ben in appartementen geweest met het formaat van een inloopkast, waarin je, zodra je binnen stond, twee opties had: je voorover op het bed laten vallen of rechts de douche in. Mensen met een goedbetaalde baan draaien hun wasjes in de wasserette, omdat ze domweg geen plaats hebben voor een wasmachine. Benauwdheid is een gegeven voor de meeste Parijzenaars – als ze het zich al kunnen veroorloven om in de stad zelf te wonen. De meesten wonen in de banlieue.

Van de Parijzenaars die geen dak boven hun hoofd hebben en op straat slapen, hoorde ik onlangs, heeft maar liefst 20 procent een vaste baan. Je slaapt op Gare du Nord, frist je ’s ochtends op in de wc van McDonald’s, en gaat naar je werk.

Maar de volte in veel Parijse appartementen is niet alleen noodzaak, het zit dieper. Het zit in het Franse culturele dna. Less is hier zelden more, het is gewoon less. Ook grotere appartementen zijn vaak volgepakt, zonder veel oog, lijkt het, voor arrangement, voor inrichting. Meestal zijn het gewoon heel veel spullen bij elkaar.

Een tijdje terug bezocht ik het Musée Gustave Moreau, dat zich bij mij in de buurt bevindt, in de Rue de la Rochefoucauld. Het museum bestaat niet alleen uit het atelier van de negentiende-eeuwse symbolist, van plint tot plafond volgehangen met zijn decadente doeken, maar ook uit zijn woonhuis, dat in de oorspronkelijke staat bewaard is. Moreau’s woning is niet uitzinnig zoals zijn schilderijen, eerder negentiende-eeuws burgerlijk. Alles, maar dan ook alles in die kamers lijkt beschilderd, bedekt met kleedjes, opgesmukt. Het is echt zoeken naar een lege plek.

In de negentiende eeuw hielden ze van spullen, ik weet het, en in de eeuw vóór de komst van het scherm moest je het visueel doen met geschilderde en getekende landschappen en portretten. Maar deze aandrang is ook in het huidige Parijs nog springlevend.

Die lege slaapkamer, ikzelf vind het strak en cool. Mijn kennissen vermoeden een gebrek aan persoonlijkheid

De afgelopen zomer kregen we in een bed and breakfast ten zuiden van Bordeaux het gevoel in een negentiende-eeuws boudoir – of uitdragerij – beland te zijn; overal stapels boeken, tapijten, kandelaars, fotoportretten in lijstjes, schilderijen – en in het toilet een alkoof vol met gipsen heiligenbeelden, Jeanne d’Arc inbegrepen.

Die gezochte rommeligheid beperkt zich niet alleen tot oude spullen, maar strekt zich ook uit naar wat hier voor modern design doorgaat. Die is, wat de gemiddelde Parijzenaar betreft, blijven hangen in de jaren zeventig, de jaren van de pop-art en de disco. Ludieke vormen, spiegeleffecten en felle kleuren.

Wanneer Monoprix een gerenommeerde designer vraagt een collectie borden, bekers en kopjes te ontwerpen die voor iedereen betaalbaar is, verwacht dan een explosie aan felle kleuren en wilde motieven. In de Rue Claude Bernard in het vijfde de arrondissement bevindt zich een winkel met modern design, lampen, tafels, banken. Iedere keer dat ik langs de etalage loop, vraag ik mezelf wat ik graag in mijn appartement zou zien staan. Nooit zie ik iets. Het is allemaal te opzichtig, op een komisch assertieve manier.

Zulke alledaagse observaties staan haaks op het imago van Parijs als stad van licht en schoonheid, van overweldigend mooie stadsgezichten, feilloze chique interieurs, subtiel design, en een altijd adembenemend goedgeklede bevolking. Het is het Parijs uit de Netflix-serie Emily in Paris en al die romantische films waarin de personages de liefde vinden of bejaarde echtparen de smaak in het leven en in elkaar terugvinden in subliem ingerichte appartementen en luxueuze sterrenrestaurants. Dat Parijs bestaat, het is meer dan een romantisch cliché, maar het gaat om de sociale bovenlaag, de erfgenamen van de classicistische traditie in de Franse cultuur, met zijn hang naar orde en geometrische vormen in gebouwen, parken en tuinen. In werkelijkheid kleden opvallend veel Parijzenaars buiten het centrum zich adembenemend slecht. Veel personeel dat bedient in gewone restaurants zou in Nederland door de baas naar huis worden gestuurd om iets fatsoenlijks aan te trekken.

Tegenover het voortdurende verheerlijken van een grootse culinaire cultuur, een diepgewortelde liefde voor goed eten en drinken, staat opvallend vaak de schrale realiteit van een onbegrijpelijk slonzige eetcultuur. Het is vermoedelijk het effect van een samenleving die in de kern niet egalitair is, alle opstand en revolutie door de eeuwen heen ten spijt. Magnetronmaaltijden in de supermarkt zijn ongegeneerd vies. In de diepvriesketen Picard, winkels met de uitstraling van een mortuarium, waar al het eten bevroren is, heb ik nog nooit iets echt lekkers gevonden. Alle gerechten worden waterig bij het ontdooien. Er zijn in Parijs bijna net zoveel Picards als apotheken. Wanneer je je verbazing daarover laat blijken, volgt een defensieve reactie: „Maar de vis is wèl goed.”

Ik heb sinds drie jaar een vaste plek in Parijs, de stad past me als een handschoen, maar soms verlang ik ineens naar een, zoals Gerrit Kouwenaar dichtte, „totaal witte kamer”.

Dat sporadische verlangen komt voort, heb ik ontdekt, uit mijn eigen culturele dna. Ik was me er helemaal niet van bewust dat ik zoiets had voordat ik hier kwam. Maar wonen in een stad waar de mensen veel dingen anders doen, confronteert je met je eigen aannames en gewoontes, die ineens niet meer vanzelf spreken.

Het heeft me doen beseffen dat de meeste cultuurverschillen tussen mij en veel Parijzenaars zijn terug te voeren op een enkele oorsprong: het verschil tussen een katholieke en een protestante cultuur. Dat heeft niets met geloof te maken, maar alles met een houding, een manier van kijken en beleven. Zo’n beetje iedereen in Frankrijk, kan je stellen, dus ook protestanten, moslims en ongelovigen, heeft uiteindelijk een katholieke inslag. Iedereen in Nederland, ook katholieken, moslims en ongelovigen, denkt min of meer als een protestant. Misschien is Limburg een uitzondering.

Het komt er kort gezegd op neer dat in de katholieke cultuur symbolen en rituelen noodzakelijk worden gevonden, terwijl het in een protestante cultuur gaat om zo direct mogelijk tot de kern te komen, zonder omweg of opsmuk.

Waar dat verschil zich in uit? Die neiging om van iedere ruimte een bazaar vol spullen te maken, voert denk ik daarop terug. Maar een ‘katholieke’ cultuur kent nog een andere eigenschap, die een ‘protestante’ geest moeilijk kan bevatten: de gedachte dat de manier waaróp je iets doet minstens zo belangrijk is als wát je doet.

De manier waarop je dingen doet lijkt hier, meer dan elders, onlosmakelijk verbonden met je gevoel voor eigenwaarde. Dat houdt in dat je je instinctief zult verzetten tegen ieder voorstel om iets voortaan anders te doen. Wanneer het ineens anders moet, word je immers tot in je wezen geraakt. Een jonge hoogleraar wiskunde bevestigde dat tijdens een diner bij hem thuis: „Hier gaat het niet om wie je bent, maar om wát je bent.” Dat is de reden dat men onmiddellijk in een kramp schiet wanneer kleine privileges op het werk in het geding komen.

Een Parijse vriend vertelde me over een vriend van hem die bij een bank werkt; iedere keer dat die promotie maakt, krijgt hij een bureau van een betere houtsoort. Hij is nog geen dertig, maar nu al heeft hij het tot eikenhout gebracht. De vriend die het me vertelde, moest er zelf ook om lachen, maar hij begrijpt het wel.

Hij behoort tot de jonge generatie, die minder geeft om ‘privilege’ en die vertrouwd is met nieuwe technologie en in toenemende mate internationaal is georiënteerd. Hij is ervan doordrongen dat andere manieren van organiseren efficiënter en goedkoper kunnen zijn. Maar voor veel oudere Fransen kan een praktische instelling nooit een reden zijn voor verandering.

Een makelaar uit Parijs, die ook een aantal jaren in Nederland had gewerkt, drukte het zo uit: „In Nederland probeert men een rechte lijn naar het doel te vinden. In Frankrijk bestaat dat doelmatige niet, iedere lijn is een zigzag. Wanneer je in Nederland een huis koopt, krijg je een contract van hoogstens tien pagina’s om te ondertekenen. In Frankrijk krijg je zo’n pak papier mee. En alles duurt eindeloos.” Die beruchte bureaucratie met haar vaak absurde formaliteiten maakt ook veel Fransen hoorndol, maar ondanks de digitalisering blijkt ze verdomd hardnekkig, zeker waar het de relatie van burger en overheid aangaat. Je kunt ook zeggen: in een cultuur waarin vorm en inhoud vaak samenvallen, geeft die enorme stapel papier, hoe gekmakend ook, betekenis aan zoiets belangrijks als de aankoop van het huis. Rompslomp is alleen tijdverspilling als je geen oog hebt voor de zin van het ritueel.

Een ander aspect van een katholieke cultuur is dat de verpakking, de versiering, de opsmuk, als essentieel wordt ervaren – en niet als franje. De manier waarop iets wordt gepresenteerd, de buitenkant, is bijna even belangrijk als wat er wordt gepresenteerd. Hoe een taartje in de patisserie eruitziet is vanzelfsprekend voor iedereen belangrijk, maar in Parijs zeker ook hoe het ingepakt wordt. Wanneer ik chocolade koop in de winkel van Alain Ducasse bij mij in de straat, heb ik het gevoel een bezoek aan een juwelier te hebben gebracht. De merengue taarten van La Meringaie een eindje verderop zijn al kunstwerkjes op zich, maar de even ingenieuze als chique dozen waarin ze worden verpakt, zijn misschien nog wel mooier.

Voor een protestante geest is en blijft het een extraatje, best wel leuk en mooi, zij het vaak een beetje overdone. Uiteindelijk gaat het erom hoe de taart smaakt.

Voor Franse seks geldt eigenlijk hetzelfde: de verpakking, de lingerie, het spel, het clandestiene, de pikante spanning eromheen is minstens zo wezenlijk als de seks zelf. Franse komedies gaan vaak, of liever bijna altijd, over liegen en neuken, en meestal lieg je om te kunnen neuken. Tijdens de lange lunchpauzes op kantoor wordt niet alleen gegeten.

Het verklaart het gesputter van een oudere generatie wanneer er, zoals bij de #metoo-beweging, verzet ontstaat tegen een cultuur van seksuele manipulatie en intimidatie. Dan wordt steevast paniekerig een beroep gedaan op de Franse traditie van la galanterie, het oeroude spel van verleiding tussen man en vrouw, waarin zachte drang en overgave zo belangrijk worden gevonden. Als je dat allemaal afschaft, klinkt het dan gepikeerd, hou je helemaal niets over!

De lingerie, het spel, het clandestiene is minstens zo wezenlijk als de seks zelf

Zelfs in de vernietigende Netflix-documentaire over Dominique Strauss-Kahn, een chronisch oversekst roofdier dat er plezier in schiep vrouwen met machtsvertoon te overmeesteren, duiken sussende stemmen van generatiegenoten op die verwijzen naar de Franse traditie van de libertinage, de filosofie van het bespringen van alles en iedereen. Een Franse traditie is er niet voor niets, is ook hier de impliciete boodschap. Wie zich tegen de traditie keert, maakt onherroepelijk iets stuk.

Als de verpakking bijna net zo belangrijk is als de inhoud, komt er als vanzelf veel creativiteit los wanneer er iets verpakt moet worden, of het nu een taartje, een lichaam, of een gebouw is. Niet voor niets hebben Christo, die in 2020 overleed, en zijn vrouw Jeanne-Claude het inpakken zelf tot ware kunst verheven – hun onlangs uitgevoerde project bestaat uit een ingepakte Arc de Triomphe. Tegenover de Franse stugge angst voor verandering staat in Parijs de mode, die juist oneindig wendbaar, inventief en vluchtig is. Mode in kleren, mode in kleuren, mode in ideeën, mode in uitdrukkingen, mode in restaurants, soms zelfs hele quartiers, die even in zijn.

Een protestante cultuur kan in zijn neiging tot verzakelijking en pragmatisme bloedeloos en saai worden – en is geneigd alles wat met kunst en cultuur te maken heeft als franje te beschouwen, als een ‘hobby’. Daar heeft men, dat weet iedereen, in Frankrijk geen last van. Niet voor niets is het slot van Baudelaires gedicht ‘L’invitation au voyage’ zo’n beetje de meest geciteerde regel uit de Franse poëzie: ‘luxe, calme et volupté’. Dat is de Franse hemel op aarde.

Maar hier in Parijs slaat de hang naar verpakking en versiering vaak door naar esthetiek die niet meer is dan dat – mooi. Een protestante ziel verlangt naar een vorm die dienstbaar is aan de inhoud en krijgt een ongemakkelijk gevoel wanneer het omgekeerde het geval is.

Onlangs bezocht ik de pas geopende Bourse de Commerce, de nieuwe Parijse attractie, waar de steenrijke zakenman en kunstverzamelaar François Pinault zijn collectie moderne kunst heeft gehuisvest. Het door de Japanse architect Tadao Ando volledig getransformeerde negentiende-eeuwse beursgebouw in hartje Parijs is zo indrukwekkend, zo oogverblindend mooi, dat veel kunstwerken er zelf een beetje bleek bij afsteken – enkele hoogtepunten daargelaten.

Hetzelfde, maar dan in een overtreffende trap, kun je zeggen van het nieuwste prestigeproject van Pinaults aartsrivaal, de nog rijkere Bernard Arnault: het volledig in z’n oude glorie herstelde warenhuis La Samaritaine. Het art nouveau interieur is oogverblindend, je kijkt je ogen uit bij alle liefdevolle gerestaureerde details. Maar ook hier domineert de verpakking de inhoud, de uitgestalde luxegoederen doen eerder protserig dan aanlokkelijk aan. Het lijkt alsof je in een permanente tentoonstelling over zielloze luxe bent beland.

De protestant in mij huiverde – en ik was niet de enige. Terwijl ik er rondliep heb ik heel wat bewonderende blikken op de gezichten van de buitenlandse bezoekers gezien. Maar ik heb niemand iets zien kopen.