Recensie

Recensie Beeldende kunst

Van Abbe gaat terug naar het plezier in het kijken

Tentoonstellen Het Van Abbemuseum in Eindhoven liep voorop in het bieden van een postkoloniaal perspectief op de beeldende kunst. Maar nu Nederlandse musea wedijveren met inclusieve tentoonstellingen, zoekt het Van Abbe naar verbinding in plaats van conflict, zo blijkt uit de nieuwe vaste opstelling.

Pieter Ouborg: Hurkende vrouw, ca. 1910.
Pieter Ouborg: Hurkende vrouw, ca. 1910. Foto Peter Cox

De Nederlandse musea en kunstinstellingen wedijveren met elkaar om het meest postkoloniale en inclusieve tentoonstellingsbeleid en overal in de kunstwereld laait het debat over dekolonisering en diversiteit fel op. Zo rekent het Stedelijk Museum Amsterdam met de tentoonstelling Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme deze schilders, een eeuw na dato, af op koloniaal machtsmisbruik en racisme. Juist nu doet het Van Abbemuseum in Eindhoven een stap terug uit dit debat door het kunstwerk en de kunstenaar opnieuw centraal te stellen. Het museum zoekt naar verbinding in plaats van conflict. Dit is opmerkelijk omdat juist het Van Abbe, gewapend met zware kunsttheorieën, in het afgelopen decennium optrad als vaandeldrager van het niet-westerse, postkoloniale perspectief op de beeldende kunst.

Directeur Charles Esche, die ik sprak bij de opening van de tentoonstelling, meent dat het nu niet de tijd is om te provoceren en te beschuldigen, want „de mensen weten wel dat het slecht gaat”. Hij erkent dat het Van Abbe zich vaak dogmatisch en betuttelend heeft opgesteld, waardoor je als bezoeker het gevoel kon krijgen dat je naar het museum kwam om een lesje te leren: „Ja, dit hebben we in het verleden gedaan.” Maar nu, zegt Esche, is het de tijd om te verbinden en samen te werken. „Het gaat erom dat mensen blij uit het museum komen.” In de woorden van hoofd van de collectie Steven ten Thije: „Kunstenaars en kunstwerken zijn de basis van Dwarsverbanden en het doel is dat de tentoonstelling een mooie, spannende ervaring oplevert waarbij het kunstwerk vanuit verschillende perspectieven wordt belicht en het hele lichaam meedoet.” Overigens is de presentatie nog niet volledig: vanaf februari zal in de toren werk van Nederlandse kunstenaars worden getoond.

Lees ook de reportage: Kubisme kun je nu voelen in het Van Abbe

Dwarsverbanden toont tekeningen van Piet Ouborg (1893-1956), aangevuld met schilderijen van geestverwanten Max Ernst en Joan Miró. Naast Ouborgs lichtvoetige, expressionistische schilderijen worden ook prachtige krijt- en pentekeningen getoond. De Nederlandse schilder had een hang naar een zeker exotisme en oosterse spiritualiteit. Tijdens een verblijf van enkele jaren op Java, als tekenleraar, was hij diep onder de indruk geraakt van Wajangmaskers. Enkele maskers uit Ouborgs collectie, door zijn weduwe geschonken aan het Tropenmuseum, worden ook getoond. Het is een voorbeeldige, geconcentreerde tentoonstelling binnen het grotere geheel.

Verleiden en vasthouden

Collectiepresentaties zijn belangrijk, het zijn de geloofsbrieven waarmee het museum verantwoording aflegt voor het verzamel- en tentoonstellingsbeleid. Ook maken ze duidelijk welke positie het museum in wil nemen in het kunstdiscours. Collectiepresentaties blijven daarom vaak jarenlang staan.

De onderlinge verschillen tussen Nederlandse musea zijn groot. Sommige richten zich alleen op moderne en hedendaagse kunst (Stedelijk, Van Abbe), andere verzamelen zowel oude als hedendaagse kunst (Bonnefanten, Boijmans). Weer andere kopen niet alleen beeldende kunst aan maar bijvoorbeeld ook toegepaste kunst (Groninger Museum, Boijmans, Kunstmuseum Den Haag) of beheren een collectie die allesbepalend is voor het beleid (Van Gogh, Kröller-Müller.)

Roy Villevoye: Smoke, 2016 (Video still) Foto Van Abbemuseum

Maar hoe verschillend ook, alle musea hebben het doel om publiek binnen te halen en zo mogelijk vast te houden. Het Bonnefanten probeert dit te bereiken door onder meer Beating around the Bush, een reeks eenjarige tentoonstellingen waarbij kunstenaars uit de hele wereld op een associatieve manier worden samengebracht rondom een collectieopstelling van oude en hedendaagse kunst. Het Kröller-Müller Museum daarentegen heeft weinig speelruimte voor wisselende collectiepresentaties, omdat een groot, merendeels buitenlands publiek komt voor de vaste collectie (met onder anderen impressionisten, Van Gogh en Brancusi), waarbij tour operators al een paar jaar van tevoren de garantie willen dat bepaalde objecten te zien zijn.

Het Van Abbe legde met de vorige collectiepresentatie, The Making of Modern Art, het eigen functioneren als museum kritisch onder de loep. Het ging over thema’s als ‘kopie versus origineel’, waarbij vervalste en originele kunstwerken door elkaar heen hingen, en de status als museum, waarbij het eigen bestaansrecht en artistieke waarden in twijfel werden getrokken. De boodschap leek vooral dat kunstwerken uitsluitend iets te betekenen hebben in maatschappelijke en politieke zin. Hierdoor wasThe Making of Modern Art een meta-tentoonstelling die educatief en publieksvriendelijk moest zijn, maar dit niet was.

Met Dwarsverbanden heeft het van Abbe de bakens radicaal verzet. Alles is uit de kast gehaald om het publiek te verleiden om naar kunstwerken te kijken en om de collectie toegankelijk te maken. Een specifieke interpretatie wordt niet opgelegd, voorop staat het plezier van het kijken naar kunst. De inrichting is erop gericht om een ‘multisensoriale ervaring’ van het kunstwerk op te roepen, van zachte, aaibare wandtapijten, schilderijen vertaald in reliëfs die betast kunnen worden en tekstbordjes in braille tot geurkaartjes die een olfactorische interpretatie bieden van een werk, zoals de vochtige geur na een regenbui bij het Vlaamse landschap De Zaaier (1935) van Constant Permeke of een zweetgeur bij de Siciliaanse jaarmarkt (1933) van Gé Röling. Vreemd is wel dat de reliëfs verkleiningen zijn van de kunstwerken, zodat een lichamelijke gewaarwording van het schilderij, waarbij het formaat toch cruciaal is, toch moeilijk is.

Ook zijn er nog enkele presentaties zoals die van Ouborg, vooral bij de oudere kunst op de begane grond. Zo is er een bijzondere ‘ontmoeting’ tussen de schilders Wilfredo Lam en Pablo Picasso. Of een opstelling rondom het portret (1927) dat Charley Toorop schilderde van de actrice Tilla Durieux, gecombineerd met andere werken van Toorop en met, in een aparte vitrine, veel documentatie over de geportretteerden. Of, op de eerste verdieping, werken van de conceptuele kunstenaar stanley brouwn rondom het thema ‘schaal en meten’. Deze presentaties zijn rustpunten in het grotere, kaleidoscopische geheel.

Rodan Omomá: ‘Voorouderbeeld’, 2010. (Collectie Roy Villevoye en Fransje Killaars). Op de achtergrond: Ossip Zadkine: ‘Demeter’, 1918. Foto Roy Villevoye

Pluriform

Naarmate de kunst jonger wordt is de inrichting minder geconcentreerd. Weliswaar is de hedendaagse kunst vanzelfsprekend pluriform en gefragmenteerd, maar juist daarom is het des te belangrijker om een focus aan te brengen. Wanneer, zoals het Van Abbe zich heeft voorgenomen, die focus niet primair gericht is op één bepaalde interpretatie wordt het lastig. Interessant is wel een zaal waar de dramatische installatie GEN XX (1997-2001) van Sanja Ivekovic (Zagreb, 1949) met zes grote fotoportretten van dissidente en vermoorde fotomodellen is gecombineerd met Proud Rebels (2015) van Patricia Kaersenhout en geschilderde portretten van Iris Kensmil en Marlene Dumas.

Een ontroerend hoogtepunt is de nevenstelling van de ruim twee meter hoge, houten sculptuur Demeter (1918) van Ossip Zadkine en het kastanjehouten voorouderbeeld (2010), 125 cm hoog, van de Papoea-kunstenaar Rodan Omomá. De boomstam leeft voort in deze twee beelden, die de belichaming zijn van een eerbied voor de natuur en de eenheid van mens en natuur. Zadkine, van wie ook een Heilige Sebastiaan is te zien op de begane grond, is in de collectiepresentatie een schakel tussen verleden en heden, tussen westers en niet-westers.

Het beeld van Omomá is geen eigendom van het Van Abbe maar een bruikleen uit de collectie van het kunstenaarsechtpaar Fransje Killaars en Roy Villevoye. Villevoye (1960) reist al decennialang regelmatig naar Papoea-Nieuw-Guinea, waar hij vriendschappen heeft ontwikkeld met de inheemse bevolking, onder wie Omomá. Op een even complexe als indringende manier thematiseert het werk van Villevoye zijn ervaringen met de Papoea’s, zoals ook zijn film Smoke (2016) laat zien, die helaas op een veel te klein videoschermpje wordt vertoond.

Meerstemmigheid en diversiteit, en daarmee ook de impliciete kritiek op hedendaagse kunst van witte mannen, zijn zeker niet verdwenen uit het programma van het Van Abbe. Maar dit alles wordt nu minder dan voorheen als een moralistisch lesje opgelegd. Dwarsverbanden is inderdaad een uitnodigende tentoonstelling en als het Van Abbe nog steeds een voortrekker is in het kunstdebat en als Dwarsverbanden iets zegt over de richting waarin het discours zich begeeft, dan is er hoop voor de beeldende kunst.